Lille

Erheen:

Trein:
Station Lille Flandre
, vanuit Antwerpen of Brussel trein naar Kortrijk, na koppeling gezamenlijk treinstel naar Lille Flandre.
Auto:
Parking Effia-Gare de Lille
, Rue de Tournai ca.nr.39. Dag en nacht open. Vandaar 5 min. te voet via Rue de Tournai en Place de la Gare naar voorzijde station Lille Flandre. Vanaf de parking steeds de rechterzijde van de straat volgen via aflopende huisnummers.

Vanaf het station en terug is de lus ruim 4,5 km lang.         Op de kaart de rode routelijn.


De groene vlakken wijzen je de weg.

In de blauwe vakken staat wat je ziet.

Speciale verhalen zijn oranje omkaderd om ze snel terug te vinden.

Wil je er meer over weten, dan staat dat zwart op wit eronder. Kies zelf wat je interesseert.

Wil je er meer over weten, dan staat dat zwart op wit eronder. Kies zelf wat je interesseert.

Als je klikt op een afbeelding, dan zie je meestal hetzelfde, maar ofwel groter, ofwel op een andere manier, ofwel op een ander tijdstip.
Klik daarna bovenaan rechts op het scherm op X om terug te keren naar de route.

STATION LILLE FLANDRE
Place de la Gare.
Lille Flandre is een kopstation, de sporen lopen niet verder dan de overkapping. Aanvankelijk wordt er met stoomlocomotieven gereden, vandaar de grote hoogte van die perronoverkapping, want je wil je reizigers niet laten stikken in neerslaande stoomwolken. Pas op 7 januari 1959 is het traject Parijs-Lille over de gehele lengte geëlektrificeerd.

Vele jaren heette dit station simpelweg Gare de Lille. Pas na de opening van het station Lille-Europe in 1993 is de naam gewijzigd in Lille-Flandres.

Intussen word je waarschijnlijk belaagd door een hele massa bedelaars, een situatie die je ook nog op andere plekken tijdens de wandeling zal tegenkomen. Wie om welke reden dan ook uit de boot valt trekt veelal naar een grootstad in de hoop daar te overleven en kansen te krijgen. Die zijn schaars in Noord-Frankrijk, maar je kan hun probleem niet oplossen, maar misschien een klein beetje verlichten door iemand wat kleingeld te geven.

Ga dit station door de hoofdingang naar buiten en draai je bij het buitenkomen op de Place de la Gare even om naar de straatgevel. 

          HET STATION KWAM MET DE TREIN
De benedenverdieping is niet hier gebouwd, maar in 1867 per trein hierheen gebracht vanuit Parijs. Daar behoorde die gevel tot het eerste Parijse Gare du Nord, ontworpen in 1846  voor de Compagnie de chemins de fer du Nord door Léonce Reynaud, een leraar architectuur aan de Parijse École polytechnique. Maar een nabije bewoner, baron de Rothschild, vond dat gebouw niet mooi genoeg zo in de buurt van zijn woning. En wat doe je dan? Je geeft een andere architect, Jacques Hittorff, opdracht om een nieuw station te ontwerpen! Dat komt er tussen 1861 en 1866 pal naast het oude station en is nu nog steeds het Paris Gare-du-Nord.

Maar wat gebeurt er met het oude Gare-du-Nord? Sidney Dunnet, sinds 1855 in dienst als architect bij de Compagnie des chemins de fer du Nord, breekt dat oude gebouw in grote onderdelen af en zet een stuk voorgevel op de trein naar Lille. Daar was al in 1843 een station geopend als eindpunt van een spoorverbinding met Parijs, maar er was nog slechts een eenvoudig stationsgebouwtje. Zo kreeg Lille dus een fraaier station cadeau.

Steek het plein over via de oversteekplaats schuin links. Kies niet de brede hoofdweg, maar iets links daarvan de Rue du Priez, waar je al meteen het koor van een kerk voor je ziet.

De straatnaam wijst vermoedelijk op een kruisweg die vroeger tegen dat kerkkoor hing.

Neem rechts van het kerkkoor het Parvis Saint-Maurice richting voorzijde van de kerk.

NOTARISHUIS
Parvis Saint-Maurice 13.
Je passeert hier een fraai zwart hek met een gouden schild met een voorstelling van de Vrijheid erop.  Dat is het embleem van de Franse notarissen.

Even verder sta je in de Rue Pierre Mauroy. 

Rue Pierre Mauroy.
Deze straat heette voorheen Rue de Paris, hij liep vanuit het stadshart naar de Porte de Paris, een soort triomfboog voor koning Lodewijk XIV, de beroemde Franse zonnekoning die Lille in 1667 veroverde . Daardoor behoorde de stad niet langer als Rijsel tot de Spaanse Nederlanden, maar werd na de Vrede van Aken het jaar daarop voortaan een Franse stad. Weliswaar niet echt tot blijdschap van de meeste inwoners.
Op 1 december 2017 is deze straat herdoopt tot Rue Pierre Mauroy als eerbetoon aan de man die tussen 1973 en 2001 burgemeester van Lille is geweest en tussen 1981 en 1884 enigszins in de schaduw kon staan van Louis XVI als premier van de Franse regering onder president François Mitterand.

 Sla linksaf zodat je bij de ingang van de Sint-Mauritskerk staat. Deze kerk is vaak open, stap gerust even naar binnen, het kost niets.
Meteen sta je hier op een plek die mee aan het ontstaan van Lille heeft bijgedragen.

SAINT-MAURICEKERK
Parvis de Saint-Maurice 19.

Ooit was op deze plek een gallo-romeinse nederzetting, gewijd aan de god Mars. Het gebied heette heette Fins en werd omspoeld  door beken en riviertjes, maar hier was een doorwaadbare plek, dus een oversteekplaats van zo’n rivier. 

Bijna kathedraal Saint-Maurice
 Als twee andere oude Lillese kerken tijdens de Franse Revolutie afgebroken worden, komt de Saint-Maurice in aanmerking om kathedraal te worden. Dat gaat niet door, want er wordt besloten een nieuwe kathedraal te bouwen, die meer centraal ligt. Ja zeker, daar kom je ook nog langs.

Aanvankelijk heeft deze kerk maar drie beuken. Tel je ze vandaag dan kom je tot vijf. Dus zijn er later nog twee bijgekomen. Al  die beuken zijn even hoog, het voelt aan of je in één grote ruimte staat.  We noemen dat een hallenkerk.

               VANUIT  THEBE NAAR LILLE
Al in 1066 staat er een kleinere voorloper van deze kerk, gewijd aan een legendarische Romeinse soldaat Maurits uit de 3de eeuw. Die was aanvoerder van een legioen soldaten, die allemaal uit de streek van het Egyptische Thebe kwamen, maar naar Frankrijk werden gestuurd om daar een opstand neer te slaan. Nu was dat hele legioen al christen geworden en toen ze bij een Zwitsers plaatsje verplicht werden eer te bewijzen aan de Romeinse goden en de keizer, terwijl ze bovendien de plaatselijke christenen moesten vervolgen, weigerde Maurits en al zijn soldaten. Daarop werden er telkens tien onthoofd, maar de resterende mannen bleven weigeren zodat ze tenslotte allemaal gedood werden.
Maurits wordt later heilig verklaard en hier kan dus een Sint-Mauritskerk worden gebouwd.

Als restaureren een levenswerk wordt 
Stadsarchitect Philippe Canissié start in de 19de eeuw een grote restauratie en uitbreiding van de Saint-Maurice, waaraan hij tussen 1859 en 1863 enkele sacristieën toevoegt en de beuken wat verlengd, zonder afbreuk te doen aan de eenheid van het gebouw. Tussen 1867 en 1877 neemt hij de toren onderhanden, meteen zijn laatste realisatie, want hij overlijdt in 1877, zodat deze kerk zowat zijn levenswerk is geworden.

Sla nadien – vanuit de kerkingang gezien – rechtsaf de Rue Pierre-Mauroy in. Even verder zie je links:

HÔTEL DE LA PAIX
Rue Pierre-Mauroy 46.
Dit hotel dateert uit omstreeks 1850 als een houten gebouw. Vandaag zie je de stenen versie, waar de eigenaar zelf op de hoogste verdieping woont. Binnen zijn de fraaie houten trappen, bekleed met tapijten heel bijzonder.  Wanden en gangen hangen vol cabaret-affiches uit de belle-époque van Henri de Toulouse-Lautrec. In het cafetaria hangen grotere posters in diezelfde stijl, door de eigenaar zelf geschilderd.

                          HUIS NIET PLUIS
Het heeft er even om gespannen of het hotel kon blijven bestaan. In de nacht van 12 november 2022 komt een op nr.44 wonende student thuis en merkt dat er iets mis is met het gebouw. Hij waarschuwt alle andere bewoners, die tijdig het pand kunnen verlaten. De brandweer komt met de ontruiming helpen en zet de straat af. De volgende middag storten de panden nr.44 en 42 in. Het lichaam van een overleden bewoner uit nr.42 wordt geborgen.
Het zal je maar overkomen als je na een avondje stappen thuis komt …

Wandel verder de Rue Pierre Mauroy uit naar de Place du Théâtre. Je staat vrijwel meteen voor een fraai gebouw rechts van je.

OPERA DE LILLE
Place du Théâtre.
Voor dit gebouw heeft architect Louis-Marie Cordonnier wel enige inspiratie opgedaan bij de in 1875 gereedgekomen Parijse opera van zijn confrater Charles Garnier, wiens naam daarmee is verbonden: Opéra National de Paris Garnier. Cordonnier mag als winnaar van een ontwerpwedstrijd in 1907 aan de bouw beginnen.

Aan de top der kunsten
Eerst wat je niet ziet, de binnenkant achter dit zuilenfront: een ruime publiekszaal onder een enorme  koepel, gedecoreerd met acht ovale beschilderde medaillons. Een hoge podiumopening met links en rechts boven elkaar telkens drie loges. Boven die scène in gouden letters ‘Ad alta per artes’ (‘Aan de top van de kunsten’), daarmee wordt uiteraard de opera bedoeld.

Een Muzentempel
Nu wat je wel ziet, bovenaan voor je:
Apollo, bijna weggeblazen door westenwind Zefir omgeven door zijn negen muzen, elk met hun eigen specialiteit:  Erato hymne, Euterpe fluitspel, Kaliope filosofie, Kleo geschiedschrijving, Melopene tragedie, Polyhymnia retoriek, Tepsichore dans, Thalia komedie, Urania sterrenkunde. Kies je favoriete muze.
Beeldhouwer Hippolyte-Jules Lefebvre heeft wat werk gehad aan zeven van deze dames die hij heeft gesculpteerd. Links groter tegen de voorgevel de Muziek van Alphonse-Amédee Corduanier, rechts de Tragedie van Hector Lemaire. Samen dus de beide elementen van opera.

Tien jaar wachten op de opening
Na bijna zeven jaar bouwen wordt de officiële opening van dit Grand Théâtre voorzien in de herfst van 1914. Maar als op 1 augustus de Rijselaars worden opgeroepen voor een mobilisatie en op 3 augustus 1914 Frankrijk de oorlog aan Duitsland verklaart kan daar natuurlijk niets van komen.

Er volgt een jarenlange geschiedenis van sluitingen en heropeningen, je leest het hieronder als je daarin geïnteresseerd bent. 
Klik op deze plek
als je dat liever overslaat.

            LITANIE VAN OPENEN EN SLUITEN
Als de Duitsers van 10 t/m 12 oktober 1914 Lille bombarderen, volgt op 13 oktober de overgave van de stad en trekken zij Lille binnen. Het lijkt een mirakel dat het operagebouw geen enkele schade heeft opgelopen bij dat bombardement, terwijl het te midden van puinhopen van verwoeste huizen oprijst.

Duits bevelhebber prins Ruprecht de Bavière laat eind oktober aan de Lillese burgemeester weten dat hij iets wil doen met het theater, waarvan de beschilderingen amper droog zijn. Burgemeester Charles Delesalle weigert Franse werklui ter beschikking te stellen voor het gebruiksklaar maken van het gebouw.  Dus trommelt de plaatselijke  Duitse commandant Von Heinrich een zestigtal Duitse militairen op als bouwvakkers. Zij voeren dat werk uit in november en december 1915. En zo kan op 25 december 1915 een Duits gezelschap in wat dan voortaan het Deutsches Theater heet Goethe’s ‘Iphigenie auf Tauris’ opvoeren. Maar als het Engelse 5de leger in oktober 1918 Lille bevrijdt, komen er Engelse artiesten en toneelspelers in dit theater optreden voor hùn troepen.

Uiteindelijk is het wachten tot 7 oktober 1923 voordat de officiële opening van dit Grand Théâtre de Lille plaats kan vinden onder de nieuwe directeur Paul Frady. Hij zal er vijfentwintig jaar de programmatie blijven verzorgen, zij het ook met een nieuwe onderbreking van de herfst 1940 tot 3 september 1944, als het weer enige jaren Deutsches Theater wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op 20 februari 1979 wordt de Opéra du Nord geboren, een samengaan van de steden Lille (opera), Roubaix (ballet) en Tourcoing (woordkunst). Dat idee is geen lang leven beschoren, financieel  onhaalbaar.  Op 31 augustus 1985 wordt deze associatie ontbonden.
Na weer drie jaar sluiting opent het gebouw als de Opéra de Lille in 1989, maar een nieuwe sluiting laat niet heel lang op zich wachten.

In 1998, juist het jaar dat Lille aangewezen wordt als Culturele Hoofdstad van Europa 2004, moet het operagebouw direct na de laatste seizoenvoorstelling dicht om veiligheidsredenen. Nog een geluk, die aanwijzing als Europese culturele hoofdstad, want dat is een goede reden om meteen groot werk te maken van aanpassingen, waardoor toch op 3 december 2003 alsnog de dansvoorstelling van Bill T. Jones kan doorgaan als opening van Lille 2004.

Nog een stap terug in het Lillese opera verleden.                             MOORD EN BRAND ROND EEN                                                     SPEKTAKELZAAL
La Salle du spectacle Lequeux

Op de plaats van de huidige Opéra de Lille stond al eerder een theater. Een aantal Lillese burgers brengt rond 1784 via inschrijving op een fonds voldoende geld bijeen om architect Michel Lequeux een ‘salle de spectacle’  te laten ontwerpen. Het wordt een gebouw met een portaal met zes zuilen met daar achter een zaal van 47 bij  25 meter, twee verdiepingen hoog met een dakbalustrade. In juni 1785 wordt met de bouw gestart, maar als architect Lequeux op een van zijn andere werven op 15 april 1786 ’s middags door een werkman wordt vermoord, neemt zijn medewerker Joseph-Marie Deledicque de leiding van hem over.

Op maandag 16 april 1787 wordt de nieuwe spektakelzaal in gebruik genomen en een vrouw, Marie-Marguerite Desnarelles, wordt directeur. Er vinden in deze Grand Théâtre genoemde zaal heel wat voorstellingen plaats, tot er na de avondvoorstelling van 5 april 1903 amper een half uur na het vallen van het doek brand uitbreekt. Ondanks snel ingrijpen van enkele artiesten uit naburige cafés en massale tussenkomst van de brandweer en militairen uit de Lillese citadel, is de schade aan het gebouw enorm. Het Grand Théâtre kan niet meer gered worden. En dat leidt dus tot de bouw van de boven beschreven nieuwe Opéra de Lille waar je inmiddels al enige tijd naar staat te kijken.

Draai je om naar het gebouw aan de andere kant.

LA VIEUX BOURSE – De Oude Beurs
Place du Théatre/Place du Générale-de-Gaulle.
Als in 1651 de Lillese gilden het stadsbestuur om een handelsbeurs vragen, wordt dat voorgelegd aan de Spaanse koning Filips IV – we zijn nog in de Spaanse tijd. Als die op 12 september van dat jaar zijn toestemming geeft, klopt het stadsbestuur op 19 april 1652 aan  bij architect Jules Destrée om daar een ontwerp voor te maken. Jules laat zich inspireren door de toenmalige Amsterdamse beurs. Ruim veertig jaar eerder gebouwd tussen 1608 en 1611. Maar ook de oudere Antwerpse beurs van 1531 wordt bestudeerd. Als Destrée zijn zeer gedetailleerde plan voorlegt, eist hij dat de 24 handelaars die ook hun woningen in dat nieuwe gebouw krijgen, samen de beslissing nemen.

Destrées beursgebouw
24 woningen rondom een openbare binnenplaats van 19 bij 14 meter. Daarrond een galerij van eveneens 24 Dorische zuilen. Op die binnenplaats zal de handel gevoerd worden. Vandaag kun je er vanaf 13 uur  alleen nog terecht voor tweedehands boeken en oude prenten. Boven de vier toegangspoorten:  ‘Chambre de Commerce’ (Kamer van Koophandel), Culture et Société, Travail (Werk), Industrie et Economie.  Met daarbij telkens namen van bekende personages uit de bouwperiode van dit gebouw.

Buiten zie je dat er bovenop de Oude Beurs nog een toren met galerij staat. Het geheel ligt aan de Place du Générale-de-Gaulle, maar dat is bij de bouw nog gewoon de Grande Marché (Grote Markt).

                    OPENBAAR DRINKWATER
Het plaveisel van deze binnenplaats is gelegd met hardsteen van een afgebroken waterput, ooit hier vlakbij op de Grote Markt. Die waterput behoorde tot een netwerk van acht stadsputten, die hun water kregen van de Becquerel, een bron in het nabije dorp Fives. Dat drinkbare bronwater werd naar de stad geleid  via ‘buisses’ – van ons woord ‘buizen’. Zo had Lille al vanaf 1285 goed drinkwater.

Kariatiden houden alles overeind
Dat in de 17de eeuw architecten aan strikte regels gebonden zijn voor hoogte, kwaliteit en decoratie van nieuwe gebouwen is duidelijk te zien aan deze Oude Beurs: onderaan hardsteen, beide verdiepingen in baksteen voor woningen van twee vensters breed, geflankeerd door in steen uit Lezennes gebeeldhouwde kariatiden – vrouwen én mannen als zuilen die het hele gebouw overeind helpen houden. Boven de toegangen wapenschilden, waaronder zowel een Franse lelie als een Vlaamse leeuw.

Tijdens onze prospectie stond op de binnenplaats van de beurs de ORB van beeldend kunstenaar SpY, een grote bollenstructuur waarin de hele omgeving wordt weerspiegeld.

Vanaf de Place du Théatre gezien loopt links van de Oude Beurs de Rue des Manneliers. Wandel hier door in de richting van het grote plein.

In deze Mandenmakersstraat werden speciale manden gemaakt voor het vervoer van aardappelen. Kijk even naar huis nr.10, de art nouveau-gevel van     A  la Cloche d’Or.

 Deze straat volgend kom je op de vroegere Grand Place, vandaag Place Général de Gaulle.

We richten onze blikken eerst op enkele gevels aan je linkerhand te beginnen bij die van een groot dagblad voor Lille en omstreken.

LA VOIX DU NORD
Place fu Général de Gaulle 8.
Hier zie je de jaren 1930. Art deco is de naam van de historische bouwstijl, maar architect Albert Laprade gebruikt wel gewapend beton voor deze Vlaamse trapgevel gevel uit 1934.

Op de geveltop brengt beeldhouwer Raymond Couvegnes drie bronzen gratiën van 3,20 m hoog verguld bijeen. Zij hebben een taak: representeren van de drie provincies van de vroegere regio Nord-Pas de Calais. Links Artois (Artesië) met een terre-neuve (vissersboot, waarmee IJslandvaarders uit Duinkerken en Gravelines vertrokken), in het midden Flandre (Vlaanderen) met een korenschoof en rechts Hainaut (Henegouwen) die een duif loslaat, want duiven fokken was daar een geliefde vrijetijdsbesteding.

Dagblad La Voix du Nord is in april 1941 ontstaan als clandestien blad van een aantal verzetslui.

Meteen ernaast staat een theatergebouw.

LA GRAND GARDE / THEATRE DU NORD
Place du Général de Gaulle 4.
Waar ooit het oude Vleeshuis stond, richt architect Gombert in 1717 dit verblijf voor de Koninklijke Wacht op. Dat garnizoen dient om in Lille rust en orde te handhaven na de dood van Lodewijk XIV twee jaar eerder.
Maar het zal een Lillese burgemeester die je al kent zijn, die in 1989 het Théâtre du Nord opricht dat hier van Pierre Mauroy zijn intrek mag nemen. Mogelijk is een groot deel van deze gevel dan ook bedekt door de aankondiging van een theaterstuk.

Wandel nu parallel aan deze gevels rechtdoor en je bent meteen op  Place Rihour. Van een echt plein is pas wat verderop sprake, eerst stap je tussen de mosselrestaurantjes door die linker- en rechterzijde afzomen. Het grote monument voor overledenen dat je al meteen verderop in beeld krijgt houdt daar echter geen enkel verband mee,  is ons met klem verzekerd.

OORLOGSMONUMENT AUX LILLOIS
Place Rihour.
Dit kolossale monument onttrekt het restant van het aloude Rihourpaleis compleet aan het zicht. Het staat hier ter herdenking van de Lillese slachtoffers van zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog. Van boven naar beneden zie je:
La Paix – De Vrede: een engel met een krans.
La Relève – De Aflossing: soldaten die zich teweer gaan stellen.
Les Captifs – De Gevangenen: mensen die worden weggevoerd.
Indochina – Noord-Afrika – destijds nog vooral Franse koloniën.

Na dat monument wat verder rechts op het plein:

LE PALAIS RIHOUR – Het Rihourpaleis
Place Rihour.
De graven van Vlaanderen hadden in de dagen dat Lille nog helemaal Rijsel was hun paleis een flink stuk verder weg. Hun Hôtel de la Salle lag tussen de intussen gesloopte Sint-Pieterskerk en het nog wel bestaande Hôspice Comptesse in Vieux-Lille. Straks kom je erlangs.

Een brand in 1451 geeft hertog Filips de Goede het motief om een nieuw groter paleis te laten bouwen nabij de Grand’Place, de markt waar alle Lillese handel plaatsvindt in die 15de eeuw, een strategische plek.

Van Rihoult naar Rihour
Architect Evrard de Mazières begint er nog mee in 1451 op een drassig eiland in een tak van de Deûle.  Daar lag voorheen kasteelboerderij Manoir van Rihoult, waarvan de naam min of meer bewaard is gebleven in die van het nieuwe paleis.

Het Lillese stadsbestuur belooft een deel van de kosten voor zijn rekening te nemen. Dus Evrard pakt het meteen maar groots aan: vier vleugels rond een rechthoekige binnenplaats, die de volledige Place Rihour van vandaag innemen. En de architect weet van aanpakken, de funderingen liggen er in 1462, Filips kan er in 1463 al intrekken. Maar de afwerking van het paleis duurt nog tot 1480 en dat mag die Bourgon-dische hertog niet meer beleven, hij overlijdt al in 1467.

Na Filips dood wordt Paleis Rihour lange tijd verwaarloosd. Tot het Lillese stadsbestuur het gebouw in 1664 als stadhuis in gebruik neemt. De bovenkapel wordt als Salle du Conclaaf gebruikt voor de Staten van Waals-Vlaanderen. Vijf gerechtstaferelen komen er te hangen van schilder Arnould de Vuez. Zijn voorstudies worden bewaard in het Hôspice Comptes, waar je route nog langs komt.

Stadsbestuur vol vuur
Wanneer er in 1700 brand uitbreekt in de noordvleugel van het Rihourpaleis wordt de kapel voortaan ook zittingszaal van het stadsbestuur. Na een tweede brand in 1756 wordt de westelijke vleugel herbouwd in Lodewijk XVI-stijl.       

Een eeuw later wil het Lillese stadsbestuur een moderner stadhuis. Daarvoor wordt architect Charles-Cesar Benvignat aangetrokken. Ook hij gaat vanaf 1857 tamelijk rigoureus tewerk: afbraak van alle oude gebouwen met uitzondering van de kapel, het trappenhuis en één traptoren. Nu er veel plaats overblijft verrijst daar een nieuw stadhuis, dat op zijn beurt weer door een brand vernield wordt. De hele nieuwbouw wordt daarop gesloopt, om een compleet nieuw stadhuis te laten verrijzen in 1932 aan de Rue de Paris  met een indrukwekkende 105 m hoge belforttoren van architect Emile Dubuisson. Dat staat nog wel overeind.

Klik hier als je het Verhaal van het Rihourpaleis wilt overslaan.

Stap maar even binnen bij de Lille Tourisme, de toeristische dienst.

             VERHAAL VAN HET RIHOURPALEIS
Voor de echt geïnteresseerden voltooien we even het verhaal van het Rihourpaleis, al kan je daar niet zomaar zelf binnenwandelen:
Boven de Salles des Garde ligt een gotische bovenkapel, traditioneel genoemd de Salle du Conclave (Zaal van het Conclaaf – van de Staten van Vlaanderen), verdeeld in twee rechte delen die eindigen in een vijfzijdig koor. Tegen de binnenmuren zijn veertien mandbogen uitgesneden, versierd met banderollen en hertogelijke emblemen. In een van die nissen is een kopie van een flambouw aangebracht bij een restauratie om te tonen hoe destijds die ruimte werd verlicht.

In de sacristie van de kapel worden glas-in-loodramen uit de 15de en 16de eeuw getoond, waarvan sommige – zoals het raam met de Boom van Jesse (stamboom van Jezus Christus) – afkomstig zijn uit de Sint-Pieterskerk van La Couture – een gemeente in het arrondissement Pas de Calais.

Het grote trappenhuis, de Escalier d’honneur, is gebouwd in dezelfde tijd als de rest van het paleis, maar heeft renaissance-invloeden in zijn bouwstijl. En binnen het rechthoekige hoge gebouw van vijf verdiepingen zijn er rechte trappen. Aan de binnenkant van de grote ramen zijn er op elke verdieping nissen met stenen banken en het kruisrib plafondgewelf is versierd met gebeeldhouwde kraagstenen.

Een bakstenen traptoren met een wenteltrap heet de Tour de la garde des joyaux (Toren van de juwelenbewakers) omdat die in verbinding stond met de juwelenkamer. En onder het Rihourplein zijn nog spitsbogen van oude paleiskelders, want dat paleis strekte zich over het hele plein uit.

Ga nu terug naar de Place du Général de Gaulle. Daar valt je meteen die gedenkzuil op.

LA DÉESSE
Place du Générale de Gaulle.
Ingehuldigd op 8 oktober 1845 als monument voor heldhaftige Lillenaren tijdens het beleg van de stad in 1792 door het keizerlijke Pruisische leger.

Details ?
Het gaat hier over de Franse  Revolutie. In Parijs is de Franse koning Lodewijk XVI door een revolutionaire volksbeweging afgezet en de leiding van het land berust bij een Nationale Assemblée.

Tegen die revolutionaire beweging verzet zich de Oostenrijkse keizer Franz II, die ook de titel ’Keizer van het Heilige Roomse Rijk’ draagt. Hij meent dan ook als een soort opvolger van de Romein Julius Cesar de zeggenschap over Europa te hebben.

Een Pruisisch leger onder leiding van de hertog van Brunswijk valt Frankrijk binnen op 12 augustus 1792. Met 13000 manschappen begint hertog Albert Casimir von Saxe-Teschen een beleg van Lille en eist de overgave van de stad.

De eed en het bombardement
Burgemeester François André Bonte weigert dat en antwoordt: « Nous venons de renouveler notre serment d’être fidèle à la nation, de maintenir la liberté et l’égalité ou de mourir à notre poste. Nous ne sommes pas des parjures.» (“Wij komen onze eed van trouw aan de natie hernieuwen om vrijheid en gelijkheid te behouden, of te sterven voor onze job. Wij plegen geen meineed.”

Er volgt een verschrikkelijk bombardement op Lille, maar op 29 september 1792 worden de Pruisen in de Slag van Valmy verslagen door het leger van de revolutionairen.

Let op de lont …
De ‘déesse’ (godin) houdt in haar hand een lont om kanonnen te laten ontbranden. Ze wijst ermee naar het opschrift op de sokkel, daar staat dat antwoord van de burgemeester.

De ‘goddelijke’ beeldhouwer Henri Bra uit Douai zou naar verluidt de vrouw van burgemeester Louis Bigo-Danel als model hebben gebruikt. Architect van het geheel is Charles Benvignat. 

Kort na de oprichting begint men over de Déesse te spreken als het over deze zuil gaat. Die naam kwam uit een toen populair gedicht.

… of is het een hengel?
Pas in 1990 is er een waterbassin met fonteinen rond de zuil aangelegd. Mocht de godin haar lont laten vallen, dan is er dus geen direct brandgevaar. Sommige Lillenaren vinden dat die lont nu beter vervangen zou worden door een hengel.

 Neem nu links van de Oude Beurs de Rue des Sept Agaches, de straat van de zeven eksters.

Die zeven eksters stonden op een wapenschild dat hier ooit hing, maar ‘agache’ is wel Lille’s dialect.  

Zo kom je terug op Place du Théâtre. Kijk eerst even om naar een lang gebouw.

 RANG DU BEAUREGARD
Place du Théâtre 13-39.
Een ‘rang’ is in het Frans een rij aaneensluitende woningen, in dit geval zijn dat er veertien. Allemaal samen achter één gevel die onderaan uit een grijze stenen boogarcade bestaat met daarop drie bakstenen etages plus een zolder, steunend op versierde pilasters, noem het maar platte pilaren.

De naam Beau Regard werd in 1426 door hertog Filips de Goede gegeven aan een zomerhuis met een wijds  uitzicht. Maar hier is het eerder omgekeerd, de gevel van het gebouw is zelf dat fraaie zicht.
Stel je hier even veertien houten huizen voor, gebouwd na de sloop van een lakenhal in 1551. Julien Destrée en architect Simon Vollant hebben zich daardoor laten inspireren en hebben tussen 1685-‘87 gezorgd voor opnieuw veertien woningen.

Op oude foto’s zie je nog een merkwaardige klokkenluider tussen het derde en vierde raam van de eerste verdieping, maar die is intussen kennelijk met pensioen.

Toch valt er nog iets te zien aan deze gevel: kanonskogels. Die zouden dateren van de slag om Lille van 1792. Zo zie je er op de eerste verdieping links bij het vierde raam rechtsboven eentje zitten. En wie wat zoekt vindt ook nog enkele andere.               Maar of ze echt zijn?

Kijk nog even rond op  de Place du Théâtre.

                           LOMBARDEN
Het Theaterplein was vroeger de plaats waar geldwisselaars hun stek hadden. Er waren destijds veel geldsoorten in omloop in Europa. Bij grote jaarmarkten moest er dus vaak valuta gewisseld worden. Dat gebeurde bij de lombarden, zoals die geldwisselaars werden genoemd, omdat ze aanvankelijk vooral uit het Italiaanse Lombardije kwamen.
Onze zegswijze ‘iets naar de lommerd brengen’ herinnert er nog aan. Je bracht dan een voorwerp van jezelf naar een pandhuis, waar men je er geld voor gaf. Als je die geldschuld afloste, kreeg je het voorwerp terug. Anders werd het verkocht en kreeg je enkel een eventueel overschot terug, als de verkoop meer had opgebracht dan je schuld.

Draai je om naar dat grote gebouw aan de overzijde.

NOUVEAU BOURSE – CHAMBRE DU COMMERCE ET D’INDUSTRIE
Place du Théâtre.

Zeg maar de Lillese Kamer van Koophandel en Industrie. Hier worden diensten verleend aan leden die zelf een bedrijf runnen. Al in 1701 elders opgericht, maar het duurt even voordat die Chambre de Commerce  echt actief  wordt, zo’n ruime eeuw later, vanaf 14 februari 1803.

Eind 19de eeuw is die Chambre op zoek naar een gebouw om alle diensten samen te brengen en er nog een Commercieel Museum bij op te richten. In 1905 stelt de Lillese gemeenteraad hier een terrein ter beschikking, niet toevallig aan het begin van de aan te leggen Grand Boulevard die Lille gaat verbinden met Roubaix en Tourcoing.

 Op 22 september 1909 wordt de eerste steen gelegd voor vijf verdiepingen met bijna 150 kantoren, een brouwerij, een restaurant, plus een reeks winkels om de bouw rendabel te maken.

Strak plan van architect Louis Marie Cordonnier, maar de Eerste Wereldoorlog is ook hier spelbreker. Toch raakt de nieuwe Chambre du Commerce, oftewel Nouveau Bourse in 1919 af. Cordonnier heeft zich laten inspireren door de rijkdom en uitstraling van de beroemde Vlaamse stadhuizen van de vroegere Nederlanden. Daarbij hoort ook een belfort, 76 meter hoog, met een automatisch carillon, dat de hele omgeving domineert.
Plantaardige motieven versieren het gebouw en refereren op hun beurt aan de 17de-eeuwse Lillese huizenstijl.

Raak je binnen, dan zie je de Erehal, 25 op 25 meter, met zijn koepel op 17 meter hoogte op met fresco’s versierde zuilengalerijen. En onderin een auditorium met 300 zitplaatsen, de Descampszaal. En er is ook nog een Wintertuin  met fresco’s van Émile Flamant.

Wandel nu verder tussen de Rang du Beau Regard en de Nieuwe Beurs. Laat je de weg wijzen door een vergulde hand op een balkon, zodat je in de Rue Grande-Chaussée belandt.

Waarheen wijst die hand?
Over de betekenis van die merkwaardige gouden hand is vreemd genoeg zelfs niets met zekerheid bekend bij de specialisten van het Lillese verleden. Alleen staat het vast dat hij er reeds in de 17de eeuw hier was, toen op de gevel van een houten huis van de familie Hespel.
Rijk geworden door handel namen ze ook deel aan het stadsbestuur als schepenen (wethouders) van Lille.

De Rue Grande-Chaussée wordt aan weerszijden afgezoomd met luxe winkels van bekende kledingmerken. Wat verder sta je even links stil bij nr.23 voor een attribuur op de eerste verdieping.

SCHIP AHOY !
Rue Grande-Chaussée 23.
Sinds begin 16de eeuw hangt hier dit kenteken van de Auberge de la Nef d’Argent (herberg “Het Zilveren Schip”). In de paardenstallen van deze herberg brak in 1545 de brand uit die een flink deel van deze straat in vlammen zou doen opgaan. Daarbij werden liefst tweehonderd goeddeels houten huizen vernield. Het werd de aanleiding voor de verplichting om voortaan bij nieuwbouw stenen te gebruiken, al kwam die er pas in 1567, meer dan twintig jaar later. Maar al voordien moesten tijdens zeer droge periodes met water gevulde emmers bij de huisdeuren worden klaargezet en op daartoe aangewezen plekken moesten ladders worden geplaatst.   

Deze winkelstraat liep tot voor enige jaren uit op een bijzondere viswinkel annex visrestaurant:

A L’HUÎTRIÈRE
Rue des Chats-Bossus 3-7.
Meer dan een eeuw een Lilles instituut voor oesters, maar sinds 28 februari 2016 definitief gesloten.
In 1938 wil eigenaar Pierre Baillieul op de gevel van zijn zaak en binnenin opmerkelijke mozaïeken laten aanbrengen. Daarvoor engageert Pierre de Bretoense artiest Mathurin Méheut, een bekende naam die ook salons heeft gedecoreerd van pakketboten, de voorlopers van onze cruiseschepen. En Méheut mocht zijn werk ook tonen op de Parijse Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes van 1925, waaruit later de term art deco voortgekomen is.
Hij maakte de blauwgroene zee-mozaïeken op de ingangsgevel rond 1928 en nog drie mozaïeken binnen in de winkel. Het mozaïek boven en onder de etalage is er pas gekomen in 1940-’41 en daar staat de naam van mozaïekbedrijf Gentil & Bourdet op vermeld, maar voor de uitvoering is Marcel Baude verantwoordelijk, die voor G & B werkte.

Zo ben je meteen in de Rue des Chats-Bossus beland.

RUE DES CHATS-BOSSUS
De vreemdste straatnaam van heel Lille. Misschien afkomstig van een uithangbord met daarop een kat met een gebogen rug. Wat verder aan de rechterkant zie je zo’n kat over een bierglas gebogen.

Maar er is ook nog een andere verklaring. Vroeger waren hier bedrijven van leerlooiers met als kenmerk boven hun deur de afgestroopte dierenkoppen, ‘cabochus’ in Lilles dialect. Deze straat heette voorheen dan ook Rue des Cabochus. Op 1 februari 1889  wordt dat veranderd in het minder gruwelijk klinkende ‘des Chats Bossus’, katten met gebogen ruggen.

Een klein beetje verder zie je rechts de Place de Patiniers met aan je linkerhand:

FRIPE ME
Place des Patiniers 14.
Hier wordt jongerenkleding per kilo verkocht onder de leuze. Fripe me with style. Je ziet overal weegschalen, op de kleding staat hoeveel die kost per kilo. Wie op pad is met tieners moet rekenen op een half uurtje extra voor deze attractie.

Terug naar de Rue des Chats-Bossus, waar je even verder komt bij de

PLACE DU LION D’OR
Voorheen was hier een relais voor de post met paarden. Dat had een ingang in een passage, die uitgaf op de Rue Saint-Jacques. In dat postrelais met als uithangteken een gouden leeuw (lion d’or) kon ook overnacht worden en zo werd de naam soms verbasterd tot au lit on dort (in bed slaap je).
Met zo’n postkoets kon je als passagier ook meerijden vanaf Parijs tot Lille, maar dan was je wel lang onderweg, liefst veertig uur, want zo’n postwagen deed onderweg 29 herbergen aan. 

Wanneer tijdens de eerste vergroting van Lille rond 1145 de Kortrijkse Poort wordt gebouwd, nabij de huidige Rue Saint-Jacques  (Sint-Jacobsstraat, rechts van het plein) lijkt dit pleintje ontstaan te zijn. Waar nu een boom met rondom een zitbank staat, was voorheen een fontein.

WOON-WINKELHUIS
Place du Lion d’Or 15.

Links van het plein dit oude gebouw uit 1775 en mede daarom als monument beschermd sinds 1927.

LE LION REAL ESTATE
Place du Lion d’Or 34.
Rechts van het plein dit huis met zijn enorme bow-window aan de voorzijde. Ook beschermd.

Wat verder rechtsaf de Place Louise de Bettignies op. Meteen rechts een hele rij met wat aparte winkeltjes met op het plein zelf een terras.                                  Aan je linkerhand een groot geel gebouw.

GILLES DE LA BOË-HUIS
Place Louise-de-Bettignies 29 /
Avenue du Peuple-Belge
Gilles de la Boë is koopman in specerijen en kledingstoffen. Daar valt kennelijk veel mee te verdienen in de 17de eeuw, want hij laat  in 1636 hier zijn huis bouwen. Zoiets hadden ze in Lille nog niet eerder gezien, hij introduceert hier de zogeheten Vlaams-maniëristische stijl. Bijna twintig jaar later wordt die ook gebruikt voor de Oude Beurs, die je intussen al tot in details hebt bekeken.

Gilles’  hele woning is versierd met stevige slingers van fruit. In 1717 krijgt het gelijkvloers enkele modernere bogen boven de ramen, maar de eerste verdieping blijft ongewijzigd.

Vanuit de woning was er destijds een toegangsweg naar wat nu even verderop een grasveld is, maar destijds nog water, de benedenhaven van de Deûle.  Om je dat enigszins te kunnen voorstellen, even iets over die voor Lille zo bijzondere rivier.

                                  DE DEÛLE
Op eilandjes in deze rivier is Lille ontstaan. De stadsnaam betekent dus ook letterlijk eiland.  Île in het Frans en de Nederlandse naam Rijsel klinkt nog sterk naar het Duitse ‘Insel’ voor eiland.
De rivier de Deûle had bij Lille op korte afstand een groot verval, een plek waar de rivier vrij plots een stuk naar beneden duikt en veel lager verder gaat stromen. Grotere schepen konden zo’n verval niet overbruggen. Daarom moest hier alle vracht overgeladen worden en ontstonden de namen Haut-Deûle (Opper-Deûle) en Bas-Deûle (Neder-Deûle). Hier liep een tak van die Neder-Deûle, met handelshuizen en cafés langs de oevers.

Sint-Pietersvliet
Voor smalle boten was er nog een directe verbinding tussen de Opper- en Neder-Deûle via kleine kanalen tussen de bovenhaven, de Wault – nog steeds een haven – en deze lagere aanlegplaats. Vooral de Sint-Pietersvliet was ooit zo’n druk bevaren verbindingskanaal, waar je vandaag nog nauwelijks iets van terugvindt. Dat kanaal mondde hier in de Neder-Deûle uit.

Wandel verder het Louise de Bettigniesplein op.

TERRASJE DOEN MET EEN SPIONNE
Dit ruime plein is in 1934 genoemd naar een heldin uit de Eerste Wereldoorlog, Louise de Bettignies, die als spionne voor de Engelsen heel wat levens heeft gered. Aan de Boulevard Carnot heeft zij haar standbeeld gekregen, maar die ligt buiten onze route.

Dit plein is pas ontstaan na de sloop van het uit de 13de en 14de eeuw daterende Kasteel van Kortrijk, de oorspronkelijke vesting van de Lillese machthebbers.
Daarvoor in plaats kwam toen een grote markthal nabij de boten, die via een uitloper van de Neder-Deûle hier aanlegden. Dat water strekte zich uit over de huidige grasvlakte tussen de Avenue du Peuple Belge, die aan weerszijden van loopt.

Wandel nu eerst in het verlengde van het plein de Rue de Gand in. Jawel, de Gentstraat die naar de Gentse Poort leidt.
Maar zover gaan we daar niet in. We houden meteen stil bij nr.14 ‘La Biche et Le Renard’ (De Hinde en de Vos), op de hoek van de Rue d’Ostende.

LE P’TIT QUINQUIN (Mijn Kindeke)
Voorheen was hier de herberg ‘A la ville d’Ostende’ en op 12 of 13 november 1853 heeft cabaretier Louis Deledicque voor het eerst een  gezongen versie ten beste gegeven van ‘Le Petit Quinquin’ dat zowat het lijflied van Lille is geworden. Bij veel gelegenheden wordt het door de aanwezigen mee gezongen.

De tekst gaat over een jonge kantwerkster die haar kindje in slaap probeert te wiegen, terwijl ze van haar slecht betaalde job naar huis onderweg is.
Volksdichter Alexandre Desrousseaux komt die kantwerkster op een avond in de 19de eeuw werkelijk tegen. Die ontmoeting inspireert hem tot het wiegeliedje, dat later onder de naam P’tit Quinquin beroemd wordt.

Maar het is voorwaar geen kattebelletje. Zeven coupletten in dialect en telkens daartussen het refrein:
Dors, m’n p’tit quinquin / M’n p’tit pouchin / M’n gros rojin / Te m’fras du chagrin / Si te n’dors point qu’a demain.

De foto hierboven van Le P’tit Quinquin kan je niet maken op deze plek. Het beeld staat in de groenzone van de Avenue Foch, waar die aan de Rue Nationale grenst. Maar zelfs dat is een kopie uit polyester en marmerpoeder, alleen de omgevende achtergrond is ouder. Het origineel van beeldhouwer Eugène Déplechin uit 1902 bevindt zich in de hal van het stadhuis. Maar sindsdien aangetast door weer en wind is dat in 2001 door beeldhouwer Philippe Stopin gerestaureerd. Daar staat het nu beveiligd tegen beschadiging. Want dat komt helaas voor, zelfs foto’s van dit beeld zonder hoofd vind je op het internet.

De Rue de Gand leidt naar één van de twee bewaarde Lillese stadpoorten,  de Gentse Poort. Wil je daar een blik op werpen, loop dan nog iets verder de straat in via de linkerzijde, dan zie je deze poort met zijn drie bogen in de verte opdoemen.

We gaan terug naar de Place Louise-de-Bettignies, waar we meteen rechtsaf slaan. Zo komen even verder we bij Django uit.

DJANGO
Place Louise-de-Bettignies 37 / Rue des Bonnes Rappes.
Op de zijmuur zie je een muurschildering van een bedroefde engel. Dat zou hier kunnen gaan over de dood van Django Reinhardt, de legendarische Belgische zigeuner-gitarist die op 16 mei 1953 overleed in het Franse Savois-en-Seine. Vandaag houdt dit café zijn naam in ere.

Ga nog een stukje rechtdoor en je komt vanzelf op de Avenue du Peuple Belge.

AVENUE DU PEUPLE BELGE
Deze laan is tussen 1929 en 1965 aangelegd aan weerszijden van het vroegere bassin van de Neder-Deûle. Waar de laan begint tegen het Louise de Bettigniesplein is er een groenzone tussen de beide voormalige kades, verderop zijn er opritten naar de Pont-Neuf, die ooit de Neder-Deûle overspande. Helemaal aan het eind van deze weg is er nog een klein stukje water overgebleven, dat echter niet toegankelijk is.

Deze straat kreeg haar naam als eerbetoon aan het Belgische verzet tijdens de Duitse invasie van 1914. Het naoorlogse socialistische stadsbestuur kon moeilijk een koning gaan eren- in dit geval Albert I van België – dus liever de moed van het hele Belgische volk. Dat werd ook makkelijker doordat in die Eerste Wereldoorlog het verzet tegen de Duitsers door verscheidene Belgen was geleid  op het grondgebied van Lille en Noord-Frankrijk.

Steek wat verder via een pad het grasveld over naar een kleiner parkje met zitbanken tussen een kapel en het Gilles de la Boëhuis. Dan ben je op het Îlot Comtesse, het eilandje van de Gravin.

L’ÎLOT COMTESSE
Hier liep dus ooit de smalle verbinding tussen de Opper-Deûle en de Neder-Deûle, deels overdekt. In de kelders van het Hôspice Comtesse zijn nog resten van die overdekte verbinding te zien.
Er was hier zelfs ooit een kleine watermolen, waarvan nog een stuk muur recht staat.

Sla rechtsaf de Rue de la Monnaie in met even verder aan de rechterzijde de museumingang van het Gasthuis van gravin Johanna van Constantinopel.

Onze wandeling houdt hier niet op, maar wie dit gasthuis wil bezoeken kan dat uiteraard doen. We geven je alvast enige info over ontstaan en huidige functie van dat museum.

L’HOSPICE COMTESSE – Gasthuis van de Gravin
Rue de la Monnaie 32.
Open: ma.14-18u., wo.-zo. 10-12.30/14-18u.  Binnenplaats met kruidentuin gratis te bekijken.
Dit voormalige ziekenhuis, waarvan de oorsprong teruggaat tot de middeleeuwen als Lille nog een Vlaamse stad is, wordt in 1237 opgericht binnen de muren van het paleis van gravin Johanna van Constantinopel. Het biedt dan onderdak aan zieken en gewonden. Vanaf de 17de eeuw komt er een kapel, waarbij ook een groep van augustijner nonnen hun intrek nemen. Die kapel is nog steeds intact, maar als gasthuis is het gebouw in 1939 opgeheven. De gebouwen liggen rond twee binnenplaatsen en een tuin met medische planten.

                 MUSEUM VAN DE GRAVIN
Sinds 1962 is het Hospice Comtesse het kunst- en historisch museum van Lille. Daar kun je in de sfeer van een Vlaams burgerhuis heel wat zien:
oude muziekinstrumenten, hemel- en aardglobes van Vincenzo Coronelli, Rijsels en Delfts porselein, meubels, wandtapijten, edelsmeedkunst, houtsnijwerk en schilderijen. Bij die schilderijen hoort een galerij met portretten van de graven van Vlaanderen en Bourgondië, mensen die mee je geschiedenis hebben bepaald. En ‘La Procession de Lille’ van François Watteau toont het leven onder het Ancien  Régime.

Ga vanaf de ingang van het Hospice Comtesse enkele passen terug in de Rue de la Monnaie om aan de overzijde een smalle steeg met de mondvolle naam Passage Notre Dame de la Treille te ontdekken. Ga daar doorheen om uit te komen bij het koor van de kathedraal. Je staat nu op een historische kasteelheuvel.

MOTTE DU CHATELAIN – Heuvel van de kastelein
Zo heet de heuvel waarop de burcht van de graven van Vlaanderen stond,  voor hun verhuizing naar het Rihourpaleis, waarvan je het restant gezien hebt. Zij bestuurden als kasteelheren Lille. Die heuvel strekte zich ruim uit tot voorbij de Rue du Monnaie.

Een reusachtig duel
Volgens de legende zou hier een kasteel Buc hebben gestaan, dat in 620 door koning Dagobert aan Lyderic zou zijn gegeven nadat die in een duel Phinaert had verslagen op deze plek. Lyderic en Phinaert zijn nu de twee Lillese reuzen.

Van Castrum tot Motte Madame
Veel zekerheid is er niet over de geboorte van Lille, maar de stad lijkt ontstaan te zijn uit een villa – zeg maar landhuis – van graaf Boudewijn V van Vlaanderen en zijn vrouw Adèle de France. Zij hebben in elk geval de Sint-Pieterskapittelkerk gesticht binnen dit castrum, zoals deze motte ook wordt aangeduid.
Als Marie van Luxemburg later kasteleine wordt, gaat men van Motte Madame spreken. Al wordt verteld dat dit te maken had met de vorm van deze heuvel. Sommigen meenden er een vrouwenborst in te herkennen.

Sla linksaf, zodat je achter het kerkkoor door wandelt. Links de kleurrijke achterkant van de huizen aan de Rue de Monnaie, gescheiden door een smal grachtje. Je pad draait naar links rond het kathedraalkoor. Waar het breder wordt zie je in opvallend geel:

SMALSTE HUISJE VAN LILLE
Rue du Cirque 128.
De hele huizenrij ligt hier aan de Rue du Cirque, een smal pad dat min of meer rond het ruimer plein loopt, dat vandaag wordt ingenomen door de kathedraal. Langs de huizen loopt nog een smalle gracht, de oude Sint-Pietersvliet.

Naar rechts verder wandelend passeer je het standbeeld van bisschop kardinaal Achile Lienart en het restant van een oude kerktoren.

CAMPANILE SAINT-NICOLAS
Een 35 meter hoge losstaande toren van vier verdiepingen met een klokkenspel van zes klokken erin. Die is in 1874 in amper één maand gebouwd uit bak- en natuursteen op fundamenten die nog geen meter dik zijn. De toren werd aangeboden door een comité nadat in 1872 de kroning van Notre-Dame de la Treille hier had plaatsgevonden in de in aanbouw zijnde nieuwe Lillese kathedraal. De bedoeling was dat hij een geheel zou gaan vormen met de twee geplande neogotische torens van het hoofdportaal van de nieuwe basiliek, maar die zijn er nooit gekomen, net zo min als de toen ontworpen voorgevel.

Even verder sta je op de Place Gilleson.

WELDOENERSPLEIN
Dit plein dankt zijn naam aan een vroegere kanunnik van de afgebroken Sint-Pieterskapittelkerk, die als weldoener van de armen hier huizen heeft laten bouwen voor hen. Maar omdat ze nu juist voor de ingang van de kathedraal zouden staan, is dat groepje huizen in  1930 afgebroken. Maar die weldoener wordt dus blijvend herdacht.

Ga nu dat grote gebouw binnen en wandel helemaal tot aan het koor voor dat naamgevende Mariabeeld.

      KATHEDRAAL NOTRE-DAME DE LA TREILLE                       ONZE LIEVE VROUW VAN DE TRALIE
                                  Place Gilleson.
Een kerk, helemaal gebouwd voor dat ene mirakelbeeld van Onze-Lieve-Vrouw van de Tralie, dankzij de enorme, blijvende verering door de Lillenaren vrijwel sinds de stichting van de stad.

Alles begint met de Vlaamse graven Boudewijn IV en zijn zoon Boudewijn V. Wanneer vader Boudewijn op wonderbaarlijke wijze van een ernstige ziekte geneest door tussenkomst van de Heilige Maagd, schenkt zijn zoon een beeld van Maria aan de stad en laat daarvoor vanaf 2 augustus 1066 de Sint-Pieterskerk bouwen. Die krijgt meteen een kapittel van kanunniken.

Een beschermend hek
De verering voor dat beeld door de Lillese bevolking is meteen erg groot en neemt zo toe dat wordt besloten het beeld te beschermen met een smeedijzeren hek. Zo ontstaat de naam Notre-Dame de la Treille.
Gravin Margriet van Constantinopel-Vlaanderen stelt een jaarlijkse processie in tijdens de maand juni, waarbij het beeld wordt meegevoerd.

Kapelaan Alain als redder in een riool
De Franse Revolutie schaft alles af wat met katholieke godsdienst te maken heeft. De Sint-Pieterskerk wordt gesloten en gebruikt als steengroeve voor andere gebouwen en zal uiteindelijk in 1793 worden gesloopt. Maar kapelaan Alain Gambier weet het wonderbeeld te redden en verbergt het in een riool.
Nadat de revolutionairen weer vertrokken zijn, komt het beeld terecht in de Sint-Catharinakerk, een parochiekerk waar het in een hoekje belandt en vergeten wordt. Maar in 1840 herstelt pastoor Charles Bernard van die parochie de Maria van de Tralie-devotie. Na zegening van het beeld door paus Pius IX wordt het besluit genomen voor deze devotie een hele nieuwe kerk te bouwen.

De keuze voor de bouwplaats valt op de vroegere castrale motte – de heuvel waarop de stichters van Lille hun versterking bouwden. Aartsbisschop Reguier van het aartsbisdom Kamerijk legt de eerste steen, hoewel er op dat moment nog geen enkel bouwplan voor die nieuwe kerk bestaat.
Architect Charles Leroy zal daar met steun van twee Engelse architecten voor zorgen. Maar zij zien het nogal groots, hun voorbeelden zijn de kathedralen van Reims en Chartres en er zijn twee 115 meter hoge torens gepland. Daar is natuurlijk geen geld voor, enkel één klokkentoren wordt gedeeltelijk opgetrokken in 1874 en die staat nog steeds eenzaam rechts van het huidige bouwwerk, je bent hem zojuist gepasseerd.

Onbetaalbare ambitie
Kardinaal Liénart – je hebt hem zojuist ontmoet – investeert in 1947 in een ambitieus neogotisch bouwprogramma, maar desondanks blijft de voorgevel onvoltooid. Meteen is duidelijk dat een neogotische façade van natuursteen, zoals bij oudere bestaande kathedralen, onbetaalbaar is. Maar een gewone bakstenen voorgevel is ook geen zicht voor een wonderbeeld dat in deze kerk wordt geplaatst in de Sainte-Chapel in de as van het koor, omgeven door zes zijkapellen.

VÉRONIQUE REDT HET PROJECT
De Lillese bisschop Mgr. Vilnet start in 1990 een speciaal project voor zo’n voorgevel, gekoppeld aan een architectuurwedstrijd. Die wordt gewonnen door het Lillese architectenbureau van Pierre-Louis Carlier en de Ierse ingenieur Peter Rice. Rice heeft met computerberekeningen de gevel mee ontworpen. Daaruit is een oplossing gekomen die alles betaalbaar zal houden en tevens revolutionair is. Het centrale geveldeel bestaat uit  3 cm dikke Portugese marmer met de naam ‘Voile de Véronique’. Dat marmer kan lichtjes bewegen, ook al weegt de totale oppervlakte 1500 kilo en het laat ook veel licht door, zodat de kerk overdag nooit een donkere ruimte is.
Beeldhouwer Georges Jeanclos zorgt voor de portalen en schilder Ladislas Kijno realiseert de rozet met de patroonheilige van deze kathedraal erop weergegeven. Dat roosvenster wordt gedragen door een gewapend betonnen boog en gegraveerde natuursteen.

Kathedraal van een nieuw bisdom
Al sinds 1904 is de Notre-Dame de la Treille door paus Pius X tot basiliek verheven en door de splitsing van het aartsbisdom Cambrai (Kamerijk) is er een nieuw bisdom Lille ontstaan en is deze kerk vanaf 25 oktober 1913 ook kathedraal geworden. Stap dus maar binnen en wandel door dit enorme gebouw tot helemaal aan het koor, waar je die getraliede Maria zelf ziet staan. Vandaag is ze een fotomodel geworden, zoals je zal zien.
In de linkerbeuk wordt in Frans woord en beeld de geschiedenis van deze kathedraal nog eens verteld.
Eenmaal weer buiten zetten we de wandeling verder.

Wandel over de Place Gilleson naar de linkerzijde van de kathedraal. Daar ga je even rechtdoor richting zijbeuk, om dan links een smal straatje in te slaan, de Cour à l’Eau. Zo kom je op de pittoreske Place aux Oignons.

PLACE AUX OIGNONS
De straatnaam is een vervorming van het Latijnse dominium (donjon in het Latijn, eerst dominion, daarna oignons). Het ging hier om de donjon van het nabije fort van de Vlaamse graven op de castrale motte, de heuvel waarop nu de kathedraal staat. Van die donjon uit hout rest geen spaander meer.

De huizen rondom de Place aux Oignons dateren van eind 17de of begin 18de eeuw. Ze De worden aanvankelijk bewoond door wevers en vestenmakers, die zich met hun gereedschap onder het dak of in vochtige kelders vestigen. Vocht was gunstig voor hun wollen weefsels. In de loop van de 18de eeuw volgt echter de neergang van die zogenaamde sayetterie (kledingwol gebruikt voor het maken van vesten) ten gevolge van de ontwikkeling van de mechanische textielindustrie. In deze huizen komen dan fabrieksarbeiders met hun gezinnen wonen. Dan wordt dit pleintje en de hele wijk errond een arme buurt.

Steek het pleintje dwars over naar de Rue de Peterinck.

RUE DE PETERINCK
De straatnaam komt van het kneden van de geweven wollen stoffen, waardoor ze soepeler worden om er kleren van te maken.
Deze straat behoort tot de oudste van Lille. Hij lag binnen het vroegere kasteelgebied, dat twee hectare groot was, omgeven door een gracht en een aarden dijk.
Je passeert links ook een muurkapelletje, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Péterinck.

Je komt opnieuw uit in de Rue de la Monnaie, die we naar links verder gaan volgen. Zo kom je uit bij de Place du Concert, een plein met aan je rechterhand het conservatorium.

CONSERVATORIUM
Place du Concert, Lille.
De Lillese muziekschool werd kort na het Parijse conservatorium in 1808 gesticht als ‘Académie de musique de Lille’. Vandaag kan je er ook terecht voor theater en dans.

Je kan hier al vanaf 5 jaar leerling worden, want met het concept ‘Le Plan musique, dance, théâtre’ worden er zo’n 8000 kinderen tussen 5 en 12 jaar bereikt via hun scholen in Lille en omliggende plaatsen. 140 leraren staan hier klaar voor alle leerlingen onder leiding van directeur Philippe Lefebvre, een organist.

                                     Historie
Die ‘Académie de musique’ kwam op de plek van de vroegere Sint-Pietersabdij met de koninklijke Sint-Pieterskerk. Tijdens de Franse Revolutie is deze oudste Lillese kerk verkocht en later gesloopt.
In 1808 was het academiegebouw af, maar het grote ovale auditorium is in 1897 opnieuw ingericht door Émile Vandenberch. Het telt 400 zitplaatsen. Regelmatig geven ook oud-leerlingen daar concerten.

EEN GESTOLEN STANDBEELD
Place du Concert, Lille.
Dit standbeeld, in de plaats gekomen van een oudere kiosk, is op 26 april 1908 ingehuldigd voor burgemeester François-André Bonte, die Lille niet wilde overgeven aan de Oostenrijkse keizer en zich sterk tegenover hen heeft opgesteld. Je bent François-André dan ook al tegengekomen bij de Déesse-zuil op het generaal de Gaulleplein.
Bronzen basreliëfs tonen episodes van de zege van Lille. François was zelf koopman in kant en handelaar in zijde stoffen.

Jules Déchin maakte het bronzen beeld, architect D. Ghesquier de sokkel. Die bleef sindsdien staan, maar het standbeeld is in 1918 zowaar gestolen. Vandaag zie je een identiek exemplaar dat sinds 1922 weerstand biedt aan dieven.

Je hebt wellicht op net grasveld van de Avenue du Peuple Belge nog in de verte een standbeeld gezien. Dat was Jeanne Maillotte, maar heeft ze wel bestaan?
Wie dat zelf wil bekijken wandelt van deze Place de du Concert rechts de Rue Alphonse Colas door en je komt bij haar uit.

STANDBEELD JEANNE MAILLOTTE
Grasveld Avenue du Peuple Belge.
Jeanne is een legendarisch Lilles personage. Op 29 juli 1582 zou zij hebben bijgedragen tot het afslaan van een aanval van de hurlus. Het woord betekent huurlingen, maar dat waren hier protestanten in een eeuw dat Lille vooral een katholieke stad was. Die aanval vond plaats nabij de Sint-Jacobspoort vlakbij de plek waar het kasteel van Kortrijk had gestaan.
Jeanne was daar op het Bleuetsplein aan het werk achter een kraam, maar ging onmiddellijk de boogschutters van het Lillese Sint-Sebastiaansgilde waarschuwen. Daarna organiseerde ze zelf ook de weerstand van het volk op het plein.
Nu is het bestaan van Jeanne nooit echt bewezen. Maar de legende had zoveel succes dat er afbeeldingen van het gebeuren kwamen en er volksliedjes over werden gemaakt. En uiteindelijk in 1935 de onthulling van dit beeld van Edgar Boutry, plus het toekennen van een straatnaam aan Jeanne.

Keer terug naar de Place du Concert, waarbij je nog even het enorme Paleis van Justitie bekijkt.

PALAIS DE JUSTICE
Avenue du Peuple Belge 13.
Op de plaats van een ouder Justitiepaleis  uit 1839, dat er als een Griekse tempel uitzag, is vanaf 1965 gewerkt aan dit nieuwe eigentijdse gebouw van architecten Jean Willervat en Marcel Spender. De toren heeft twaalf verdiepingen en is 50 meter hoog. Het lagere gedeelte is 87 bij 57 meter en daarmee is dit gebouw tien keer groter dan het oude. Vanaf 24 januari 1969 is het in gebruik genomen, maar de inhuldiging vond pas op 24 januari 1970 plaats.

Sint-Pieterscrypte
Onder het gebouw is een crypte uitgespaard met restanten van de oudste kapittelkerk van Lille, de Saint-Pierre. Die werd al in 1066 gebouwd in opdracht van de Vlaamse graaf Boudewijn V op een plek die toen al Isla werd genoemd, vandaag dus Lille.
In de Rue du Palais – aan de achterzijde van het Justitiepaleis – duidt een reeks straatstenen een deel van die crypte aan. Binnen het gebouw is er een betonnen koepel aangebracht over de restanten van die tijdens de Franse Revolutie vernielde kerk. Enkel bij Open Monumentendagen kan je ze bezoeken. Het was uit die kerk dat kapelaan Alain Gambier het Mariabeeld redde dat je op het altaar in de kathedraal hebt gezien. 

GEBOORTEHUIS GENERAAL DE GAULE
Wil je het geboortehuis van Charles de Gaulle zien, ga dan rechtdoor via de Rue de la Collegiale, steek over naar de Rue Saint-André en neem daar de vierde straat recht, de Rue Princesse.
Loop die straat in tot je aan je rechterzijde Franse vlaggen ziet hangen.
Onze route komt er niet langs.

Voor het vervolg van onze route sla je de Rue d’Angleterre in. Rechtsaf als je vanaf het plein komt, linksaf als je niet tot het standbeeld bent gewandeld en rechtdoor wanneer je van het Justitiepaleis komt.

LEGE MUURNIS
Rue d’Angleterre 8.
Leeg, maar niettemin al op 13 maart 1944 als erfgoed erkend. Waarom?
Onder de nis zie je een Latijnse tekst waarvan de vertaling luidt: “Moed, eer en glorie zijn gegeven aan de heilige Thomas van Canterbury die vroeger in dit huis heeft gewoond.”  Het gaat hier over Thomas Becket, een Engelse primaat en aartsbisschop van Canterbury. Hij bezocht Lille in de 12de eeuw en verbleef toen in dit huis. Zijn verblijf leidde later tot wijziging van de straatnaam in Rue d’Angleterre, voortaan dus de Engelandstraat.

                      PIJNLIJKE VERGISSING
Becket was een man met een merkwaardige carrière. Hij onderhield zowel contact met de Engelse koning Hendrik II als met de Franse koning Lodewijk VII en paus Alexander III. Vooral zijn relatie met Hendrik II verliep onstuimig, van hechte vriendschap over grote conflicten tot opnieuw respect.

Vier Engelse ridders kregen daardoor het idee dat Hendrik zich door Thomas bedreigt voelde. Daar wilden zij iets aan doen.
Op oudejaarsavond 1170 trokken ze naar Canterbury  en in de kathedraal hebben ze Thomas vermoord.
En zoals dat in spannende geschiedenissen hoort:      de koning verneemt nog wat zij van plan zijn en stuurt ijlings een bode om hen van hun daad te weerhouden, maar die  arriveert te laat.

Ooit was hier een put waar pelgrims water uit dronken want dat zou talrijke kwalen genezen.

Wandel de Rue d’Angleterre een stuk verder uit.

Niet  meteen de mooiste straat van Lille, maar hij heeft wel een zeer verscheiden bebouwing. Onder meer op nr.26 een Franciscaner kapel bij een schoolgebouw.

Nu de tweede straat links, de Rue des Trois Molettes.

Deze straatnaam zal je weinig zeggen. ‘Molette’ is namelijk Lilles dialect voor het wieltje dat bij een katrol in de knik zit om iets op te hijsen.

Wandel verder tot je aan je linkerhand op nr.7 een hek aantreft met erboven de tekstLe Jardin de l’Abbaye de Loos’ en ga daar die tuin in.

Mocht het hek gesloten zijn, dan wandel je nog even verder en sla je rechts de Rue de Weppes in.
Daar zie je de achterzijde van het klooster aan je rechterhand. Verderop krijgt de straat een groen decor op de plaatsen waar ooit de smalle Sint-Pietersgracht liep. En aan het eind verlaat je de straat via een onderdoorgang om zo pardoes in de Rue Esquermoise terecht te komen. Daar sluit je weer aan op onze route.

             REFUGE VAN DE ABDIJ VAN LOOS
   Rue des Trois-Molettes/Rue Jean-Jacques Rousseau.
Loos is een dorp nabij Lille. Daar is enkele eeuwen geleden een Onze-Lieve-Vrouwenabdij gesticht.

Veilig vluchthuis
Kort na die stichting schenkt Bernard, heer van Roubaix, die kloostergemeenschap zijn eigen huis in Lille. Dreigt er in Loos gevaar,  dan kunnen de monniken zichzelf en hun bezittingen in veiligheid brengen binnen de stevige Lillese stadsmuren. 

Maar in 1301 wordt Bernards huis gesloopt voor de bouw van het door Filips de Schone in Lille opgerichte Kasteel van Kortrijk. Niet getreurd, die Vlaamse hertog geeft de abdij in ruil een huis in de Grande-Chaussée.

Mag het wat meer zijn?
In 1538 vindt abt Denis Bauvin het huis aan de Grande-Chaussée toch wat te bekrompen. Hij begint hier in de Sainte-Catharinewijk aan de bouw van een nieuwe refuge. Wanneer een grote brand op 3 september 1545 in Lille 212 huizen verwoest, is daar ook dat huis in de Grande-Chaussée bij. Zo gaan de gebouwen die je hier ziet voortaan dienen als refuge van de abdij.
Geen gevaar? Dan gebruiken de abten deze refuge om zich even terug te trekken uit de woelige wereld. Ook wordt een deel van de gebouwen verhuurd.

Franse Revolutie: weg met kerken en kloosters
Op 6 juli 1791 wordt het hele domein te koop gesteld: een groot gebouw met enkele vleugels, opslagruimten, paardenstallen, binnenplaatsen en tuinen. Vandaag is daarvan enkel nog het kloostergebouw over met de toegangspoort en de vroegere abdijtuin, nu een openbaar parkje. Misschien even uitrusten voor de laatste etappe?

Wandel tussen het grote abdijhuis en de abdijtuin door naar een poort en je komt uit op een hoek in de Rue Jean-Jacques Rousseau. Als je die naar links verder uitloopt beland je in de Rue Esquermoise.
Volg die ook naar links.

RUE ESQUERMOISE
Een van de oudste straten van Lille, al vermeld in de 9de eeuw. Het was de verbinding van de Grote Markt met de weg naar Duinkerken en daardoor ook al vroeg een winkelstraat.
Via deze weg kon je ook naar het dorp Esquermes ten zuidwesten van Lille, vandaar dus de straatnaam.

Let even op, links kom je langs een onverwachte onderdoorgang naar de Rue de Weppes.
Ga er even doorheen, maar keer dan terug naar de Rue Esquermoise. 

PASSAGE DE WEPPES
Rue Esquermoise 102.
Aan de andere kant kom je plots in een kleine groenzone. Waar nu een straat ligt, liep vroeger het Canal Saint-Pierre/Sint-Pieterskanaal.
Terugkerend naar de Rue Esquermoise zie je nog wat muurschilderingen nabij de doorgang.

Bijna tegenover die doorgang sla je even rechtsaf, de Rue Thiers in. Meteen vooraan rechts:

VRIJMETSELAARSTEMPEL
Rue Thiers 2.
Al in 1893 wordt in Lille de loge ‘La Lumière du Nord’ gesticht, behorend tot de Vrijmetselaars van de  Grand Oriënt de France. In 1910 koopt voorzitter Charles Debierre hier twee huizen en na een verbouwing volgens een ontwerp van de Lillese architect en vrijmetselaar Albert Baert kan op 5 juli 1914 de opening plaatsvinden van twee tempels, allebei op de eerste verdieping.  Op het gelijkvloers kan iets gedronken worden.
Nu was 1914 geen ideaal jaar voor die opening, want al snel nemen de Duitsers het gebouw in beslag om er een soldatenkantine van te maken.

Zowel voor het interieur als voor de buitengevel wordt gekozen voor een Egyptische stijl. Boven is er een kleine zaal voor 60 personen van de loge La Lumière du Nord en een dubbel zo grote zaal voor de Charles Debierre-tempel. Hier zetelt ook de Cercle Philosophique de la Métropole lilloise.

In beide zalen ligt een vloer van witte en zwarte tegels, een kenmerk van de meeste Vrijmetselaarstempels. Is dat ‘goed’ en ‘kwaad’? Eerder de twee keerzijden van veel dingen. 

Aan de buitenzijde zie je een spiegel in de hand van de naakte vrouw. Daarmee weerkaatst zij de stralen van de vrijmetselaars. Zonnestralen staan natuurlijk voor het licht, de piramide verwijst naar je geest vrijmaken van de materie.  De sfinx als symbool van het geheim van de vrijmetselarij en de vier zuilen in de loggia symboliseren de vrijmetselarij tussen duisternis en licht, onderwereld en bovenwereld.

Terug naar de Rue Esquermoise, die je verder volgt.

Bekijk de gevels van
Carré d’Artistes / L’Olivier & Co
Rue Esquermoise 83-85.
Jonge engelenbeelden die elkaar omhelzen of juist de rug toekeren, hoofden die met vreemde grimassen uit de gevel steken, bloemenslingers, vruchtenkorven … het blijkt een terugkerend vast repertoire van Lillese gevelbeeldhouwers. En wie wat hoger kijkt dan de etalages in deze straat krijgt het op diverse huizen te zien.
Ook  smalle balkons van sierlijk gevlochten metaal hangen links en rechts aan de gevels. Onder meer bij:
Carrefout City nrs. 57-63.
Boulanger/Clavins nrs.34-36.

Nog even verder kom je rechts langs een waarachtig Lilles instituut.

MAISON MÉERT
Rue Esquermoise 27.
Tot 1677, zover gaat de oorsprong van Maison Méert terug. Maar op deze plek maakte al sinds 1773 Modo de Rollez ijscrème. Hij richt In 1839 zijn zaak opnieuw in en uit die tijd dateert het interieur van de huidige zaak. Architect Charles Benvignat, schilder Charles Stalars en beeldhouwer Félix Huidiez hebben daar samen voor gezorgd.

In 1849 neemt Michael Méert de zaak over. Wanneer die in 1900 in handen komt van de familie Cardon behouden zij de naam Méert omdat die intussen bekend staat voor gevulde wafels. Een theesalon achter de winkel komt er in 1909 bij. En in de jaren 1930 wordt er nog een tweede aan toegevoegd.

           BUFFALO BILL EN JACKY KENNEDY
Maison Méert heeft sinds zijn ontstaan talrijke nationale en internationale prijzen gekregen. Ook op de Wereldtentoonstelling van Shanghai in 2010 was Méert aanwezig. Bovendien heeft deze zaak talrijke bekendheden ontvangen: Buffalo Bill, Napoleon Bonaparte, de koninklijke families Bourbon-Parma, d’Orléans, de Bauffremont en zo kan je blijven opsommen. Ook twintigste en eenentwintigste eeuwse beroemdheden: Marguerite Tourcenar, Winston Churchill, Jackie Kennedy, Amélie Nothomb en uiteraard stadsgenoot Charles de Gaulle. Die liet regelmatig wafels van Méert op het Elysée in Parijs leveren.
In 1864 werd Méert officieel hofleverancier van koning Leopold I van België. In 2014 ontving de Lillese burgemeester Martine Aybry hier president François Hollande op het ontbijt tijdens een officieel bezoek. En kijk, nu kunnen ze wellicht uw naam aan dat rijtje toevoegen …

Nog wat verder kom je rechts langs een gebouw met een hoge hoed aan de gevel bij de ingang.

OMNIA
Rue Esquermoise 9.
Hier opent op 1 maart 1908 de eerste cinema van Lille. Maar dit gebouw was al veel langer met het uitgaansleven vertrouwd. Dat begon in 1860 met de music-hall Eldorado, gevolgd in 1886 door Brasserie de l’Industrie om dan enkele jaren na de eeuwwisseling bioscoop Omnia-Pathé te worden. Daar kon je kiezen tussen drie rangen: 2de en 3de rang moesten hier door de voordeur naar binnen, wie voor 1ste rang koos mocht minder opgemerkt via de achterdeur in de Rue du Pas.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het een ‘salle à soldats’, met voorstellingen die specifiek als verstrooiing voor militairen waren bedoeld. In de jaren 1950 taande door de opkomst van de televisie stilaan het aantal bezoekers en om daar wat aan te doen koos Omnia voor het erotische filmgenre. Bij de definitieve sluiting in 1994 was dit ook meteen de laatste sekscinema in Frankrijk.

Vandaag zie je hier nog die legendarische naam Omnia op de gevel en als je goed kijkt zie je links van die naam een tophat (hoge hoed) in een cirkel. Lijkt die niet verdacht veel op een filmspoel ?

Helemaal aan het einde van de Rue Esquermoise zie je op de linkerhoek veel zonnetjes op de hekjes voor de vensters.

GOUDEN GEVELZON
Rue Esquermoise 4 / Place Génerale de Gaulle 64.
Op dit huis prijkt op het hekwerk voor de ramen van elke etage de gouden zon. Om de hoek zie je die in groter formaat hoog op de gevel schitteren. Je denkt wellicht aan de Franse koning Lodewijk XIV, de Zonnekoning. Maar hier gaat het om de prestigieuze Parfumerie du Soleil d’Or, die hier in 1948 werd geopend. Twee jaar later is deze zon uit verguld staal hier tegen de gevel gaan schijnen. Die verving een eerder exemplaar uit verguld koper, al rond 1804 geplaatst door Célestin Clairparain. Hij was hier een handel in juwelen en horloges begonnen.

Blijf aan deze kant van de Place Général de Gaulle. Even verder zie je een doorgang naar restaurant Alcide.

RESTANT VAN DE SINT-STEVENSKERK
Voûte des débris-Saint-Étienne.
Als je dat gewelf op die twee zuilen ziet, denk je wellicht aan een kerk. Want ja, waar was er een grote kerk in de nabijheid van de Lillese Grote Markt? Die was er inderdaad ooit wel. Al vanaf de veertiende eeuw was er aan deze kant van het plein een uit de kluiten gewassen Saint-Étiennekerk met vijf schepen, een groot koor en een zware toren. Wat is ermee gebeurd?

In 1792 wil het Oostenrijkse leger de stad innemen en stelt Albert van Saksen een ultimatum tot overgave aan Lille. Wanneer dat door de verdedigers van de stad wordt afgewezen volgt er vanaf de ochtend van 29 september 1792 een enorm bombardement. Gloeiende kanonskogels dalen vijftien uur lang op de stad neer.  In de Saint-Étiennekerk staan liefst 2094 houten stoelen, die als een strovuur het hele gebouw in vuur en vlam zetten, waarbij het gebouw instortte. Enkel twee borstbeelden en een klok konden nog gered worden uit de puinhoop.
Van allerlei plannen om de leegte op te vullen kwam niet veel terecht, waarna in 1850 een straat onder dit gewelfrestant is getrokken, de Rue des Debris-Saint-Étienne, letterlijk de Straat van de puinhopen van Sint-Stevens.

Blijf aan deze kant van de Grote Markt en verlaat het plein via de Rue de la Bourse.
Zo kom je opnieuw op de Place du Théatre, die je naar rechts volgt. Je ziet weldra twee hoekgebouwen met allebei een koepel. Ga de straat in tussen die beide koepels, de Rue Faidherbe. Kaarsrecht en breedgeschouderd, maar dan ook genoemd naar een generaal. Hij brengt je regelrecht naar het reeds in de verte opdoemend s
tation Lille Flanders.
Langs beide straatzijden is deze straat regelmatig afgeboord met speciale versieringen. Een mooi afscheid van Lille, wat wil je nog meer?

                            Wil je toch meer?

                   FACULTATIEVE UITBREIDING
Nog een uurtje of twee over, nog energie voor 2 km wandelen en graag nog wat meer van Lille zien? Kies dan niet voor de Rue Faidherbe, maar neem rechts daarvan de Rue Pierre Mauroy, de straat waardoor je in omgekeerde richting bent gekomen aan het begin van onze route. 
Op de kaart de oranje routelijn.

Volg de Rue Pierre Mauroy tot de Sint-Mauritskerk. Ben je aan het begin van onze route hier niet naar binnen gegaan, doe dat dan nu.

SAINT-MAURICE
Rue Pierre Mauroy.                                                       Open voor bezoek: di.-vr. 14.30 – 18.00 u.
In deze hallenkerk zie je liefst negen schilderijen van de in 1639 in Brugge geboren kunstschilder Jacques Van Oost, die rond zijn dertigste in Rijsel gaat wonen. Daarnaast zijn er een viertal schilderijen van Louis Watteau, die een eeuw later deze meesterwerken aflevert. Hij is de neef van de bekendere                     Franse schilder Antoine Watteau.
Maar er vallen ook veel 19de-eeuwse glasramen te bekijken, onder meer over patroonheilige Sint-Mauritius. Die zijn van de hand van Charles Gaudelet, die zich baseerde op tekeningen van kunstschilders Victor Mottez en Jules Capronnier.
In de kerk zijn gratis brochures te verkrijgen en er is iemand aanwezig voor meer uitleg.

Wandel een flink stuk verder door de Rue Pierre Mauroy en sla links de Rue Gustave Delory in.
Aan de rechterzijde zie je wat verderop een poort. Ga die door, dan kom je via de Impasse op de Cour des Brigittines.

COUR DES BRIGITTINES
Her lijkt hier wel een begijnhof, maar in feite gaat het over restanten van een klooster dat in 1792 door brand is verwoest en waarvan deze huizen nog een overblijfsel zijn.

Vandaag worden er een aantal bewoond door verschillende mensen. Ook de huizen zelf verschillen van elkaar, zeker door onderhoud. Naast prachtig gerenoveerde exemplaren zie je woningen die stilaan vervallen. Het binnenplein heeft een uitgang naar amper bebouwde grond, dus keer je beter op je schreden om dit onverwachte plekje weer via de doorgang te verlaten.

Keer terug naar de Rue Pierre Mauroy en wandel die verder doorEven later zie je links iets naar achteren een toegangspoort. 

VOORMALIGE REFUGE ABDIJ VAN MARCHIENNES
Rue de Paris 191.
Als de poort uit 1626 open is zie je daarachter een 18de-eeuws classicistisch huis. Komend uit Douai in de 13de eeuw konden benedictijnse monniken hier een vluchthuis vinden binnen de veilige Lillese stadsmuren bij onveilige situaties elders. Het gebouw is rond het jaar 2000 gerestaureerd en in zes appartementen verdeeld.
Hier vlakbij stond vroeger een mast met daarop een mikpunt voor boogschutters, een zogeheten staande wip. Het neerhalen van die mast was symbolisch voor het slopen van de oude Saint-Sauveurwijk in dit deel van Lille.

Steek even verder de Avenue Président J-F Kennedy over en ga aan de rechterzijde van de Rue Pierre Mauroy wandelen.  Meteen zie je daar een breed geheel van diverse gebouwen.

       HOSPICE GANTOIS – Gantois gasthuis
                   L’HERMITAGE GANTOIS
                     Rue Pierre Mauroy 224.

Bij testament sticht de Lillese schepen/wethouder Jean de la Cambre op 3 juli 1462 hier een gasthuis in de toenmalige Rue des Malades, waar dertien oudere kreupele of zwakzinnige stadsgenoten onderdak en verzorging kunnen krijgen. Noem het maar bejaardenzorg.
Bij leven is Jean een welstellende koopman geweest, die een fortuin had verdiend met de handel in albast, vooral naar Engeland. Zelf werd hij ook aangeduid als Jean Gantois, wellicht ooit van Gent afkomstig.

Hospice Gantois
Er wordt dus zo’n gasthuis gebouwd met de naam Hospice Gantois en dat lag hier heel toepasselijk in de Saint-Sauveurparochie (Heilige Redder, Christus dus), een toen zeer arme Lillese wijk. Dat gasthuis wordt aanvankelijk gerund door acht zusters augustinessen. Het bestaat uit een ziekenzaal en een kapel, waarin stichter Jean na zijn overlijden begraven wordt en waar nog steeds een 15de-eeuwse kruisweg hangt.
Met nog enkele kleinere gebouwen ligt alles rond vier binnenplaatsen. In 1664 wordt dit gasthuis vergroot en in 1672 komt er een woning voor de kapelaan bij.

In de 18de en 19de eeuw wordt het Hospice Gantois stilaan een echt ziekenhuis naar de dan eigentijdse normen. Toch wordt het gebouw al op 8 augustus 1923 als historisch monument geklasseerd.

Soldaten en gevangenen
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog worden er oudere mensen van bescheiden komaf ondergebracht, maar die worden al in september 1939 naar de kust geëvacueerd. Dan komen er in mei 1940 gewonde soldaten hier te liggen en worden er gevangenen opgesloten. Na die oorlog blijft het Hospice Gantois opnieuw functioneren als ziekenhuis en dat tot 1995.

L’Hermitage Gantois
In 2003 wordt het ziekenhuis veranderd in het luxehotel L’Hermitage Gantois. Daar kunnen de gasten nu de vroegere grand-salon, de bibliotheek en het klooster bezoeken. Die gasten zijn vandaag geen arme sloebers meer, maar eerder van een welstand die enigszins aansluit bij die van Jean de la Cambre.

Wandel de straat verder uit tot je op de Place Simon Volant belandt. Daar staat dan die poort waarheen ooit de Rue de Paris liep, voordat Pierre Mauroy van die straat de zijne maakte.

PORTE DE PARIS – Parijse Poort
Place Simon Volant.
In de 17de eeuw was hier een poort in de stadswal die Port de Malades (Ziekenpoort) heette, omdat de weg er onderdoor naar een melaatsenkolonie leidde. Maar als na een beleg van tien dagen op 28 augustus 1667 de Franse koning Lodewijk XIV via deze poort Lille binnenkomt en van het stadsbestuur de stadssleutels in ontvangst neemt zal dat veranderen. Hij laat architect Simon Vollant een nieuwe poort ontwerpen als herinnering aan de verovering van de stad en die wordt tussen 1686 en 1694 op deze plek gebouwd.

Van Malades naar Porte de Paris
Tussen twee rechtop staande poortdelen is er een doorgang van 10 meter en bovenop een gebouw voor de stadswacht, want er zijn bij de bouw nog steeds stadsmuren, al is Lille dan na de Vrede van Aken definitief een Franse stad geworden.
Wanneer die stadsmuur in de 19de eeuw gesloopt wordt, is het architect Charles Granier die voorkomt dat ook de Parijse Poort wordt afgebroken. Er komt in 1858 ook een rond plein rondom deze poort. Aan architect Louis-Marie Cordonnier danken we dan weer het fraaie geheel van deze poort, die in juni 1895 kan worden ingehuldigd op het plein dat de naam van de oorspronkelijke ontwerper krijgt.
Lager op de poort twee Griekse goden: links Mars van de Oorlog, rechts Hercules van de kracht. Bovenop Victoria die een kroon gereed houdt voor Lodewijk XIV. Maar noch die kroon, noch deze poort, heeft de Zonnekoning ooit gezien.

Als je helemaal rond de Porte de Paris bent gelopen ga je rechts de Place de Ville op en zo kom je meteen bij het stadhuis van Lille.

HOTEL DE VILLE – Stadhuis van Lille
Place Roger Salengro.
Wanneer in 1916 het oude Lillese stadhuis op de Place Rihour afbrandt wordt besloten dat daar niet te herbouwen, maar meteen te gaan voor een nieuw stadhuis in de wijk Saint-Sauveur, die men toch helemaal wil hertekenen. Architect Emile Dubuisson ontwerpt een groot gebouw in een neo-Vlaamse renaissancestijl met art deco kenmerken en leidt de bouw vanaf 1924 tot 1932.

Ideetje van 104 meter
Intussen komt een nieuwe burgemeester Roger Salengro met het idee om een hoog belfort aan het gebouw toe te voegen. Dat wordt een 104 meter hoge toren die tussen 1929 en 1931 gereed komt. Het stadhuis zelf raakt pas in 1992 compleet af.

Hoewel dus splinternieuw, wordt dat belfort in 2005 als Unesco erfgoed erkent wanneer er heel wat Franse en vooral Belgische oudere belforten op die lijst belanden.

Lyderic en Phinaert
Tegen die belforttoren leunen beide stadsreuzen Lydéric en Phinaert, met de blote handen uit beton gevormd door beeldhouwer Carlo Sarabezolles. De historische reuzenpoppen kom je binnen in het stadhuis terug tegen.

                       Sportief naar de top?
Wie omhoog wil in de belforttoren moet eerst 109 traptreden te voet oplopen naar de receptie, om daarna met de lift naar hogerop te kunnen gaan. Sportievelingen kunnen dat ook  volledig te voet doen.
Open: di.-zo. 9.30-13/14-17.30u. Laatste lift omhoog 12.30 / 17u. Betalend, kind -6 jr. gratis.

Wandel links rond het gebouw. Je zal zien dat er nog een flink gebouw aan vast zit met een plein ervoor.

Twee stadhuizen
Eigenlijk zie je hier twee stadhuizen. Het gebouw met het belfort is het stadhuis van heel Lille. Maar hier is ook nog het gemeentehuis van deelgemeente Lille,  het Mairie de Lille.  

Steek over naar de Square Augustin Laurent, een groenzone waar je een pad doorheen volgt dat uitkomt in de Rue Saint-Sauveur. Wandel weg van het stadhuis, zodat je even later opnieuw de Rue Président John F. Kennedy kruist. Als je naar de rechter hoek aan de overzijde kijkt, zie je daar een ingang van de Lillese metro.

             VAL – Vehicule Automatique Léger
De Lillese metro is maar deels een ondergrondse, buiten het centrum loopt hij over viaducten. Het bijzondere is dat de VAL geheel automatisch functioneert, dus zonder bestuurder. Je koopt een kaartje voor  € 1,80 of met je bankkaart  en je kan instappen als de rijtuigdeuren openen. Overstappen kan ook zolang je het metrostation niet verlaat. Er zijn twee lijnen, die dagelijks tussen 5.30 en 0.30 rijden. Opgelet: lijn 1 wordt gerenoveerd en dat kan inhouden dat die ‘s avonds vroeger stopt met rijden.

Met de metro vanaf de halte Marie de Lille is het slechts één halte verder naar station Lille Flandre. Wie dat liever te voet wil doen steekt de Rue du Président John F. Kennedy recht over. De straat heet daar ook nog Rue Saint-Sauveur, maar die gaat over in de Avenue Charles Saint-Venant. Die loopt uit in de Rue de Tournai, die je links inslaat. Even verder sta je terug op je vertrekpunt,  de Place de la Gare met het treinstation Lille Flandres. 

Eigentijdse hoogbouw
De route naar Lille-Flandres is niet meteen het aangenaamste traject, je ziet vooral veel nieuwe hoogbouw, soms in experimentele vormen. Nabij het station wordt het straatbeeld weer vertrouwder en weet je: “Ik ben er bijna !” 

       Je thuisreis kan beginnen met hopelijk goede                     herinneringen aan onze wandelroute.
Laat je het ons weten, zeker als iets niet helemaal klopte?  Alvast bij voorbaat onze dank!