Hier sluit de verkorting vanaf de Korte Gasthuisstraat weer op onze route aan. Vanuit de Oudaan ben je hier rechtsaf geslagen, de Lange Gasthuisstraat in.
POSTMEESTERHUIS
Lange Gasthuisstraat 9 (linker deel Verso).
Hier huisde in 1544 het Antwerpse filiaal van de Keizerlijke Post, in handen van de familie de Tassis. De posthoorn tussen de twee wapenschilden midden in de driehoek wijst daar nog op. Maar de wapenschilden zelf komen van de huidenvetters en de boogschutters van de Oude Voetbooggilde. De eersten hadden hun leerlooierijen hier en links om de hoek aan de Huidevettersstraat, de schutters oefenden op terreinen langs de nabije Schuttershofstraat. Boogschutters waren een van de verdedigingsgilden van de stad, samen met de kruisboogschutters, de kolveniers en de schermers.
HERENHUIS GRISAR
Lange Gasthuisstraat 11 (rechter deel Verso).
In 1534 laat de Italiaanse koopman J.B. Graffini drie woningen en een oude leerlooierij slopen om er een fraaie grote woning voor in de plaats te laten zetten. Die is in 1653 herbouwd, later voorzien van een nieuwe gevel en begin 20ste eeuw door architect Jos Hertogs gerestaureerd. Op dat moment woont er de familie Grisar, een van de belangrijkste Antwerpse zakenfamilies van de 19de en begin 20ste eeuw.
Die familie heeft haar roots in het Franstalige Luik, zoals de naam laat vermoeden, maar is daar in 1680 weggetrokken naar Duitsland. Wanneer Jean-Martin en Charles Grisar zich rond 1800 in Antwerpen vestigen, behoren ze dan ook in de eerste plaats tot de Duitse kolonie, die heel wat meer beroemde Antwerpse namen omvat.
Via de scheepsmakelaardij krijgt de familie Grisar de handel in huiden, wol en leer stevig in handen, samen met de ook al Duitse familie Osterrieth.
De eerste Antwerpse telefoonlijn liep in 1879 tussen de kantoren van Osterrieth en Grisar. De Grisars waren dan ook niet toevallig medeoprichters van The Antwerp International Bell Telephone Company, vandaag Alcatel Lucent.
Het paars van Beerschot
Alfred Grisar sticht in 1900 de Beerschot Athletic Club op een stuk grond dat grootvader Ernest op het Kiel heeft gekocht. En omdat die kort tevoren overleden is worden de clubkleuren aangepast aan de rouw, daarom paars-wit. Nog altijd een kenmerk van deze Antwerpse voetbalclub.I
n 1923 zijn beide panden samengevoegd en wordt de linkergevel aan de rechter aangepast. Het smeedwerk van het balkon is waarschijnlijk gemaakt door J.B. Lamour, de Fransman die ook de beroemde hekken van de Place Stanislas in Nancy heeft vervaardigd. Wie even binnenstapt ziet een enorme lichtkoepel met daarop de dierenriem en nog wat ‘comptoirs’ (toonbanken) van een vorige bewoner, het Crédit Lyonnais, later opgeslorpt door de Deutsche Bank. Maar vandaag dus chique kleren, plus café en terras bij Verso.
Stanislas smeedwerk
n 1923 zijn beide panden samengevoegd en wordt de linkergevel aan de rechter aangepast. Het smeedwerk van het balkon is waarschijnlijk gemaakt door J.B. Lamour, de Fransman die ook de beroemde hekken van de Place Stanislas in Nancy heeft vervaardigd. Wie even binnnenstapt ziet een enorme lichtkoepel met daarop de dierenriem en nog wat 'comptoirs' - togen - van de vorige bewoners, het Crédit Lyonnais, later opgesloprt door de Deutsche Bank. Vandaag dus chique kleren, plus café en terras bij Verso.
Wandel een stuk verder deze Lange Gasthuisstraat in en je ziet wat verderop een ogenschijnlijk middeleeuwse gevel.
MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH
Lange Gasthuisstraat 19.
Hier heeft een moeder.een heel museum laten bouwen voor haar zoon Frits, een verzamelaar van gotische kunst.
Emil Mayer en Henriëtte van den Bergh waren rijk geworden met hun handel in specerijen en sterke drank. Hun op 22 april 1858 geboren zoon Fritz had een grote interesse in kunst, bestudeerde de kunstgeschiedenis en legde zelf een verzameling aan, waaronder zich topwerken bevonden die hij op kunstveilingen in binnen- en buitenland op de kop wist te tikken. Hét topstuk is Dulle Grier, een schilderij van Pieter Breugel de Oude. Maar op zijn 43ste komt Fritz om bij een noodlottige val van zijn paard. Zijn moeder laat hier voor Fritz’ kunstcollectie een museum bouwen nabij hun woning. Ook dat huis is geïnspireerd op het verleden, want de in 1884 nabij het Steen gesloopte pastorie van de Sint-Walburgiskerk plus een gevel in de Zakstraat stonden model.
Tot haar overlijden in 1904 heeft Henriëtte haar museum zelf beheerd, waarna het in stadsbezit is gekomen. Momenteel wordt het gerestaureerd en is een deel van de
collectie even verderop te bezichtigen in het Maagdenhuis.
Na de onderbreking door de Arenbergstraat sta je dan dus een eindje verder voor het:
MAAGDENHUIS
Lange Gasthuisstraat 33.
Ooit een weeshuis voor vondelingen en weesmeisjes (‘maagdekens’), gesticht in 1552 door Jan Van der Meeren. Eerst kom je langs een lange gevel met zes hoge ramen en drie dakkapellen, pas dan sta je voor het ingangsportaal. Kijk even boven die poort, daar zie je links hoe een groepje meisjes onderwijs krijgt en rechts hoe nieuwe weeskinderen hier aankomen. Op de boog eronder zitten nog twee sfinxen terzijde van een Christuskop. Op de houten deur zie je een kopie van Houten Clara, een weesmeisje in haar uniform. Groter zie je haar op de binnenplaats als standbeeld. Maar juist die stijve houding heeft geleid tot het gezegde “Sta daar niet als een Houten Clara” voor iemand die er zomaar wat onhandig bij staat.
Dit Maagdenhuis is het kleinste museum van Antwerpen. Normaliter de thuis van een kunstcollectie van het Antwerpse Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Werk (OCMW), die uit 15de tot 17de-eeuwse schilderijen bestaat en een speciale collectie 16de-eeuwse papkommen, die worden gezien als voorlopers van het Delfts aardewerk. Maar tijdens de renovatie van Mayer Van den Bergh wordt hier een deel van die collectie getoond.
Steek over naar het Mechelse Plein met tussen wat groen een stand- of nee, zitbeeld.
WILLEM ELSSCHOT
Mechelseplein.
“Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.”
Op 7 mei 1882 wordt aan de Antwerpse De Keyserlei ‘Fonne van den bakker’ geboren, zoon van banketbakker Christiaan De Ridder. Met een diploma handels- en consulaire wetenschappen op zak richt Alfons in 1912 de Revue Continental Illustrée op, een reclameblad voor de zakenwereld. Of het ooit verschenen is blijft onduidelijk, maar het tekent de ondernemingsgeest van de jongeman.
Reclameman en Literator in één persoon
Het jaar nadien debuteert hij met een literair product, de roman Villa des Roses, al heeft hij reeds eerder enkele gedichten geschreven. Vanaf dat moment bewonen twee personen hetzelfde lichaam: reclameman De Ridder en literator Willem Elsschot – een pseudoniem dat wellicht tijdens een vakantie in het gehucht Helschot tussen Westerlo en Laakdal is ontstaan.
Laarman en Boorman
Zijn latere ervaringen in de reclamewereld leveren Elsschot de stof voor romans als Lijmen (1924) en Het Been (1938). In 1933 verschijnt de roman Kaas, superieur werk dat de aanloop zou worden tot een nieuwe creatieve periode, die afsluit met Het Dwaallicht (1946). Laermans en Boorman zijn de bekendste figuren uit zijn literaire oeuvre.
Op 31 mei 1960 is deze populaire schrijver in zijn geboortestad overleden. Postuum wordt hem datzelfde jaar de staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan toegekend. Alfons De Ridder is begraven op Ereperk N van het Schoonselhof, het Père Lachaisse van Antwerpen.
Onze beroemde beginzin komt uit Willems gedicht Het Huwelijk.
Dit beeld uit 1994 is van de Antwerpenaar Wilfried Pas, stilaan zowat de eigentijdse stadsbeeldhouwer met naast Elsschot ook een bronzen Paul Van Ostaijen (Pottenbrug), Koning Boudewijn (Voetgangerstunnel Linkeroever) en even buiten ons gezichtsveld Gerard Walschap (zie verder).
Kijk nog even naar de witte muur van het O.C.M.W.-gebouw naast je.
Hier beslaat het gedicht Een Minimum bijna de volledige hoogte. Ramsey Nasr heeft het geschreven in 2005, het jaar waarin hij stadsdichter van Antwerpen was.
Steek het plein diagonaal over naar de zijde van het Vleminckveld, de Maarschalk Gérardstraat.
DE STUDIO – Podium voor jong publiek
Maarschalk Gérardstraat 4.
Rond 1780 laat bankier Frans Jozef van Ertborn zijn eigendom aan het Mechelseplein verbouwen tot een prachtig herenhuis.
Vanaf 1970 huist er het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst Studio Herman Teirlinck. Heel wat Vlaams talent, zowel op toneel- als musicalplanken of in het kleinkunst- en cabaretgenre hebben dit gebouw en de omliggende cafés aan het Mechelseplein van binnen leren kennen. Wat ‘namedropping’: Els De Schepper, Kurt Van Eeghem, Stef Bos …
Sinds augustus 2011 is Villanella eigenaar en worden hier kinder- en jeugdvoorstellingen gegeven door een heel aantal gezelschappen, terwijl Villanella daarnaast jong talent tussen 20 en 30 jaar kansen wil geven via workshops en coaching.
Als je het ervoor over hebt, wandel dan even tot aan het eind van de Maarschalk Gérardstraat. Daar wacht je
GERARD WALSCHAP
Maarschalk Gérardstraat.
Walschap woont tot zijn dood in de Lemméstraat in het zogeheten Leiekwartier. Zijn overbuurman is Willem Elsschot, maar beiden hebben blijkbaar nauwelijks of nooit contact met elkaar gehad. Ook hier staan beide grote schrijvers in elkaars nabijheid, doch niet op dialoogafstand. Terwijl Willem voldaan de krant zit te lezen is Gerard verdiept in een van zijn eigen boeken.
Dat ook Walschap door Wilfried Pas in brons werd gegoten is eveneens passend,want zowel de schrijver als de beeldhouwer zijn in Londerzeel geboren en inmiddels ereburger van dat Vlaams-Brabantse dorp tegen de grens van de provincie Antwerpen.
Keer nu terug naar het Mechelse Plein. Steek vanaf het plein over naar de poort van het vroegere Sint-Elisabeth gasthuis, vandaag hotel Botanic Sanctuary Antwerp.
BOTANIC SANCTUARY ANTWERP Voormalige kapel Sint-Elisabethziekenhuis.
Alles is hier begonnen als een boerderij van het Mariagasthuis op het Elzenveld, dat hier door de zusters augustinessen vanaf de 13de eeuw tot en hospitaal wordt uitgebouwd, het Sinr-Elisabethgasthuis. Naast hun klooster is er een ziekenzaal en uiteraard ook een kapel.
De diensten in deze kapel konden zowel door de kloosterzusters als door de patiënten worden bijgewoond. In het schip van de kapel namen de nonnen plaats, maar het altaar kon ook vanuit de grote ziekenzaal worden gezien, zodat wie daar verpleegd werd vanuit bed ook de mis kon bijwonen. Vandaag gebruikr het hotel die zaal.
Achter deze ingangspoort zie je op een grasveldje voor je twee aparte beelden.
DE KREUPELE EN DE BLINDE
Deze uitgeholde polyester gestalten zijn het werk van Albert Szukalski. Het zijn verstarde personages, niet in staat tot echt contact of een gesprek, enkel tot holle frasen. Hier geeft hij het gebrek aan communicatie in onze samenleving vorm.
Intussen sta je voor de vroegere
ONZE-LIEVE VROUWEKAPEL
De diensten in dze kapel konden zowel door de kloosterzusters als door de patiënten worden bijgewoond. In het schip van de kapel namen de nonnen plaats, maar het altaar kon ook vanuit de grote ziekenzaal worden gezien, zodat wie daar verpleegd werd vanuit bed ook de mis kon bijwonen. Nu gebruikt het hotel die zaal.
Achter deze kapel zie je een - vaak afgesloten - toegang tot de zogenaamde Aalmoezenierstuin. Daar kan je nog een beeld zien.
MAURICE GILLIAMS
Deze Antwerpse auteur wordt tussen eind 1938 en medio 1943 zes keer voor langere tijd in het Stuivenberggasthuis opgenomen, waar hij verpleegster Maria de Raeymaeckers ontmoet, die in 1976 zijn tweede vrouw wordt. Ze heeft dus geduld moeten hebben! Wanneer zijzelf dan in 1982 wegens een ziekte hier in het toenmalige Sint-Elisabeth--gasthuis wordt opgenomen, krijgt Maurice tijdens een bezoek aan haar op 18 oktober een hartaanval en overlijdt ter plaatse. Vandaar zijn beeld van Rik Poot op deze nu erg verborgen plek als eerbetoon.
Je kan hier de route verkorten door verder langs hotel Botanic Sancturay Antwerp te wandelen tot in de Leopoldstraat. Sla daar linksaf bij de Botanische tuin.
Terug door de poort naar de Lange Gasthuisstraat, waar je links onze route vervolgt. Voor je zie je al meteen twee spitsen van een kerk de hoogte in priemen. Maar nog wat eerder kom je langs een apart doktershuis.
WAFELHUIS
Mechelseplein 18.
Doordat de voorgevel met boven elkaar negen lagen van telkens zeven vierkante ramen je doet denken aan die typische Belgische wafels kreeg deze woning zijn bijnaam. Maar het gaat om het huis van huisarts Jozef Takx, die zijn praktijk achter de drie 'patrijspoorten' op het gelijkvloers had. Daarboven zijn er drie verdiepingen van telkens drie rijen ramen. Architect Walter Van den Broeck realiseerde dit ontwerp in een synthese van expressionisme en nieuwe zakelijkheid qua bouwstijl. Hoewel de woning erg modern oogt, dateert hij al van 1937 en waren er destijds op de tweede en derde verdieping twee meidenkamers voor de inwonende dienstmeisjes. Dat was toen heel gewoon.
Enkele passen verder ben je bij die kerk.
SINT-JORISKERK
Mechelseplein 20.
Open voor bezoek: do.vr.za. 14-16u., soms ook op zondagmiddag.
Een van de weinige katholieke kerken die hun gotische interieur hebben bewaard. Dat houdt hier glasramen, muurschilderingen, beelden en een reliekschrijn in.
Dit is ook de tweede Sint-Joriskerk op deze plaats, want een oudere kerk uit 1304 is in 1779 geheel verwoest toen de Fransen onze gebeiden bezet hielden. Wat van die kerk overbleef is gebruikt als steengroeve en op het terrein werden nieuwe huizen gebouwd.
Maar in 1846 kan pastoor Jan van Cauwenbergh het terrein mét de nieuwe gebouwen terugkopen. Hij laat alles afbreken en architect Léon Suys kan beginnen aan een nieuwe kerk in de voor Antwerpen dan zeer vernieuwende neogotische stijl. Maar het is toen ook een 'omgekeerde' kerk geworden. Niet zoals katholieke kerken west-oost gericht, maar juist oost-west, torens en ingang aan de oostzijde. Die averechtse Sint-Joriskerk kan in 1853 al worden ingewijd.
Bischoppen en apostelen
Buiten zie je in een driehoekig fronton boven de hoofd-ingang tussen beide 50 meter hoge torend in het midden het beeld van Sint-Joris met links van hem de bisschoppen Amandus en Eligius, rechts Norbertus en Willibrordus. Onderaan links en rechts naast de toegangsdeuren de twaalf apostelen. Vanaf de linker ingang zijn dat Judas Taddeus, Thomas, Mattheus / hoofdingang: Johannes, Jacobus de Meerdere, Petrus+ Paulus, Andreas, Filippus / rechter ingang: Bartholomeus, Jacobus de Mindere en terzijde Simon Zelotes.
Wie even binnengaat, krijgt heel wat te zien.
Godfried Guffens en Jan Swerts zorgen voor twee reeksen muurschilderingen, links zeven taferelen van de strijdende Kerk met een lerende Christus tijdens zij,n openbare optreden, rechs zeven taferelen van de lijdende Kerk en Christus die gevangen genomen en veroordeeld wordt. Overal staan er ook onderschriften bij. Links staat het enorme reliekschrijn van de veertig beschermheiligen van verguld messing. Oospronkelijk enkel opgericht voor Sint-Rochus van Montpellier, de heilige die je tegen de pest beschermd, maar na de cholera-epidemie van 1850 met op één jaar 1500 Antwerpse doden zijn er nog 34 andere pestheiligen aan toegevoegd. Je kan maar beter zeker zijn, nietwaar?
Jean-Baptiste Capronnier werkt van 1871 tot 1875 aan de glasramen met links Norbertus die zegeviert over de ketter Tanchelm - die in de Nederlandse provincie Zeeland en in Antwerpen nogal wat aanhang had gekregen - en rechts Willibrordus die afgeoden verbrijzelt. Hij bracht het christendom naar onze gebieden, vandaar ook heel wat Sint-Willibroduskerken in België en Nederland.
Nog een bekende kunstenaar die heeft meegewerkt aan deze kerk is kopersmid Lambrecht van Rijswijck jr., die naast een beeld van Rochus ook de kruisweg in gedreven kop er heeft gerealiseerd tussen 1888 en 1892.
In het Altaar van Onze-Live-Vrouw uit 1906 staat een veel ouder Mariabeeld uit 1592, dat ooit boven de ingang stond van het kasteel binnen de citadel van Alva, op de plek waar nu een groot park is in de Zuidwijk.
Ga nu even terug en sla rechtsaf de Sint-Jorispoort in.
Een straat met een verscheidenheid aan winkels en een gedecoreerde tramdraadpaal aan de overzijde en een stoeptegel in Legosteentjes. Van die kant heb je ook een behoorlijk zicht op de gevel van:
Voormalig JUWELENHUIS RUYS
Sin-Jorispoort 26.
Een juweel van een art nouveauhuis, in 1902 ontworpen door Ferdinand Truyman voor Albert Ruys-Ramboux. Die familie zat vijf generaties ofwel zo'n 178 jaar in glitter en sier. Jacques Ruys begint na een opleiding aan de Antwerpse academie in 1839 thuis met een atelier en opent in 1854 samen met zijn vrouw hier zijn juwelenwinkel, dan nog een stuk kleiner dan wat je nu ziet. Zoon Albert trouwt in 1885 met josephine Ramboux, dochter uit een andere Antwerpse juwelenfamilie. Zij breiden de zaak uit tot de parel die dit gebouw nu is. Het interieur houden ze steeds intact met de originele vitrinekasten en mozaïekvloer.
Een succesontwerp van stichter Jacques was de zilveren doopschelp waarmee kinderen nog steeds gedoopt worden in de Antwerpse kathedraal.
Weer iets verderop :
SNOEPWINKEL
Sint-Jorispoort 30.
Nee, snoepjes ga je hier niet langer zien, nu zijn het bloemen. Maar oorspronkelijk was dit een lekkernijenshop met een al even aantrekkelijke winkelpui.
Wandel door tot je op de Leopoldplaats staat.
Van Spaanse Wallen tot Boulevards
Eind 19de eeuw puilt Antwerpen uit van het volk en is er dringend meer 'stad' nodig om iedereen te kunnen huisvesten. Maar de Spaanse Wallen - stadsmuren en grachten uit onze Spaanse periode - beletten elke uitbreiding en het duurt tot 8 september 1864 voordat Antwerpen die gordel kan overkopen van de Begische Staat. Maar dan vlot het ook snel met de afbraak, te beginnen bij de Sint-Jorispoort, de stadspoort waardoor altijd de belangrijke gasten de stad binnenkwamen, van Karel V tot Napoleon Bonaparte. Al in 1868 kunnen op de nieuw aangelegde boulevards tussen Kasteelpleinstraat ren Paardenmarkt de eerste rijen bomen worden aangeplant.
Midden op de dit plein staat een standbeeld..
RUITERSTANDBEELD KONING LEOPOLD I
Leopoldplaats.
Aanvankelijk waren we kwaad op onze eerste Belgische vorst. Zoals gezegd treuzelde hij nogal lang om de oude wallen vrij te geven voor afbraak. En dus werd zijn ruiterbeeld zolang buiten de stad geplaatst. Pas toen het geschil was opgelost mochten man en paard hier binnen de stad komen staan.
Jozef Geefs, telg uit een beroemd Antwerps beeldhouwersgeslacht, kreeg Leopold op zijn paard. Daarvoor is een ros uit een Antwerpse stoeterij gehaald om als model te dienen.
Aan de overzijde van de Leopoldplaats staat een enorm gebouw. Wandel er rond via de Bourlastraat naar de Frankrijklei, waar je even die drukke weg oversteekt om de gevel van het gebouw in zijn geheel te kunnen bekijken.
VROEGERE NATIONALE BANK VAN BELGIË
Filiaal Antwerpen - Leopoldplaats 8.
Aan de zijde van de Leopoldplaats zie je de oude hoofdingang, maar vandaag kan je daar niet meer binnenstappen voor cash of het inwisselen van oude bankbiljetten van 100 freank, waarop architect Hendrik Beyaery met de plattegrond van zijn schepping stond afgebeeld. Er huizen nu andere bewoners.
Maar wandelend door de Bourlastraat zie je al hoeveel zorg er besteed is aan de versiering van dit gebouw. Architect Beyaert is een Brusselaar, maar hij doet voor de decoratie een beroep op Antwerpse beeldhouwers Jules Pécher, Jacques de Braeckeleer en het duo De Boeck en Van Wint.
Aan de Frankrijklei zie je de directeurswoning met centraal op de eerste verdieping het beeld 'De Vrede' van Pécher. Twee figuren die de Handel en de Industrie voorstellen op dezelfde gevel zijn van de Braeckeleer. En De Boeck en Van Wint zijn verantwoordelijk voor de allegorieën van de Dag en de Nacht.
Achter die gevels gaat een binnenplaats schuil die het karakter heeft van een middeleeuws marktplein met gevels en torentjes in rode baksteen in plaats van de witte natuursteen van de buitengevels. Als je goed kijkt kan je links zo'n torentje boven een poortdoorgang zien uitsteken. Wat je van buitenaf niet ziet is dat Beyaert op een van die torentjes zijn eigen hoofd uit een klein raampje laat steken. Een naar middeleeuwse bouwmeesters verwijzend attribuut dat hij vaker bij zijn grote realisaties heeft aangebracht.
Nu je toch aan de overzijde van de Frankrijklei staat, loont het de moeite om even naar de ingang van de parkeergarage op de Maria Henriettelei te gaan. Daal daar de trap af of neem de lift naar drie niveaus lager.
BASTION KEIZERSPOORT
Parking Nationale Bank, Frankrijklei.
Een van de negen bastions van de zogeheten Spaanse omwalling, opgetrokken in de 16de eeuw uit baksteen, bekleed met kalkzandsteen uit Lede. Tijdens een archeologisch onderzoek in 2003 zijn de resten opgegraven, verzaagd en opnieuw, maar dieper, heropgebouwd in deze parkeergarage.
Het ontstaan van de Nederlandse stad Venendaal
In 1542 blijkt dat de Antwerpse stadswallen amper stevig genoeg zijn om aan een aanval van de Gelderse krijgsheer Maarten van Rossum te weerstaan. Maarten staat hier bekend als Swerten Merten omdat hij in de wijde omgeving veel grote verblijven platbrandt. Keizer Karel V neemt de Italiaanse vestingbouwer Donato di Boni onder de arm om een nieuwe stadsomwalling te ontwerpen volgens het moderne bastiontype. Die wordt grotendeels door de Antwerpse 'projectonwikkelaar' Gilbert van Schoonbeke gebouwd tussen 1545 en 1553. Daarvoor laat hij voor zijn kalkovens turf afgraven in Nederland, waarbij later de stad Venendaal zal ontstaan.
Een bastion is een vijfhoekig uitspringend bolwerk, dat hier de nu verdwenen Keizerspoort moest verdedigen, want dat was de belangrijkste Antwerpse poort aan de weg naar Mechelen. Daar was keizer Karel V doorheen gekomen bij zijn eerste bezoek aan Antwerpen, vandaar die naam Keizerspoort.
In 1850 wordt verder van de stadskern de nieuwe Brialmontomwalling aangelegd, waarna de oude omwalling eerder een hinderpaal vormt voor verdere stadsuitbreiding. Bovengronds wordt die daarom afgebroken, ondergronds blijven veel restanten zitten, zoals dit bastion. Bij die restanten zie je ook enkele mammoettanden liggen, die ook hier zijn opgegraven.
Wie geïnteresseerd is in vestingen kan zich hier verheugen op prenten van diverse exemplaren tot in het Zeeuws-Vlaamse Hulst.
Ga weer naar boven en steek de Frankrijklei opnieuw over naar de Nationale Bank. Loop links de hoek van het gebouw om en ga via de Mechelsestraat terug naar de Leopoldplaats. Steek die recht over naar de Leopoldstraat.
De Leopoldstraat is een winkelstraat met modewinkels, parfumerieën en wat aparte cadeaushops. Maar wij beperken ons tot enige sightseeing.
Wandel aan de linkerzijde van de Leopoldstraat en neem al snel de ingang van de parking van het Sint-Elisabeth-gasthuis.
HET TEKEN AAN DE WAND
Ingang parking Sint-Elisabethgasthuis.
Een bronzen reliëf van Octave Landuyt waarin je een pelikaan herkent, symbool van het OCMW (Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Werk. Het past hier wel.
Even verder passeer je rechts de doodlopende Willem Tellstraat. Daar zie je helemaal achteraan:
ZIJGEVEL ARENBERGSCHOUWBURG Willem Tellstraat
Op deze zijgevel zie je het wapenschilde van de Stad Antwerpen met de handjes ('handwerpen') en een lauwerkrans met het jaartal 1852 boven de ingangsbogen. Dat is het jaar dat de Cercle artistique, littéraire et scientifique d'Anvers wordt opgericht. Maar die krijgt pas heel wat later zijn eigen feestzaal, nadat Eugeen Gife in 1864 het huis 'De stadt Sevillien' in de Arenbergstraat daatoe heeft verbouwd. De plechtige inhuldiging op 18 augustus 1873 wordt bijgewoond door koning Leopold II en koningin Maria Hendrika. Pas in 1929 wordt die feestzaal omgebouwd tot de huidige theaterzaal.
Over de straatnaam:
Willem Tell was de Zwitser die met zijn kruisboog een appel op het hoofd van zijn zoontje doorschoot. Hij had landvoogd Herman Gessler beledigd. Die had in 1307 zijn hoed op een staak op het dorpsplein gezet als symbool van zijn macht en iedereen moest die hoed groeten. Willem weigert dat en moet als straf die appel van zijn zoontjes hoofd schieten.
De straatnaam is geen toeval, we naderen stilaan de schuttershoven, waarover straks meer.
Hier sluit je opnieuw aan als je de verkorting bij Hotel Botanic Sactuary Antwerp nam..
Even verder ga je door een grote poort naar binnen.
BOTANIEK - Plantentuin
Leopoldstraat 24.
eertijds diende deze groenzone voor de voedselvoorziening van de zusters die het Sint-Elisabethziekenhuis draaiend hielden. Er was een moestuin, een boomgaard en een kruidentuintje. Dat blijft zo tot de komst van Claude Louis Sommé.
Sommé komt als legerarts in het kielzog van de revolutionaire Franse troepen naar hier en wordt in 1806 dokter-chirurg in het ziekenhuis en de daaraan verbonden medische opleiding. Als fervent amateur-botanist begint hij een plantenverzameling aan te leggen op wete,nschappelijke basis volgens het classificatiestelsel van Carl von Linne (Linnaeus).
Bij de verbouwingen van het ziekenhuis in 1825 wordt de oude moes- en fruittuin opgeruimd om plaats te maken voor een Hortus Botanicus, een Plantentuin, die meteen begrensd wordtdoor de in die tijd nieuw aangelegde Leopoldstraat. Op 16 augustus 1825 wordt Sommé tot directeur van deze Plantentuin benoemd. Hij laat stadsarchitect Pierre Bruno Bourla het jaar daarop een poort en een afsluitende muur optrekken langs de Leopoldstraat.
In 1828 trekt Bourla ook een eerste, immidels gesloopte, orangerie op en hij wil een grote vijver in de tuin aanleggen, maar dat project raakt niet verder dan de graafwerken waarvan de heuvel in de tuin het restant is.
Sommé wisselt al zaden uit met diverse andere botanische tuinen, zoals de Parijse Jardin des Plantes, en laat zaden meebrengen door kooplui en scheepskapiteins, waardoor de tuin wordt verrijkt met kruifrn rn planten uit onder meer Batavia, Suriname, Brazilië en de Verenigde Staten. Uit een Haarlemse collectie komen vetplanten over.
Sommés opvolger F.J.Rigouts voert vanaf 8 februari 1851 een vernieuwend beleid en gaat zadenlijsten toezenden aan allerlei Belgische en buitenlandse tuinen om tot uitwisseling te komen.
BLOEDZUIGERS
Als griezelverhaal wordt graag verteld dat in de vijver voor het ziekenhuis bloedzuigers werden gekweekt voor aderlatingen, in vroeger eeuwen een gangbare praktijk om bepaalde ziekten te genezen. Die bloedzuigers moesten het besmette bloed uit je lichaam zuigen, waar ze zich op vastkleefden totdat ze er boordevol vanaf vielen.
HOVENIERSCHALET
In de Botaniek
In 1866 bouwt stadsbouwmeester Peter Dens een hovenietswoning in Zwitserse chaletstijl, waarin recenter lunch-lounge 'Het Gebaar' is gevestigd.
STANDBEELD PEETER VAN COUWENBERGHE
In de Botaniek
Sinds 24 oktober 1996 staat nabij de vroegere hovenierswoning dit drie meter hoge en ongeveer 300.000 kilo wegende beeld, gemaakt door Pieter Jozef De Cuyper in 1861 ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Société de Pharmacie d'Anvers, de Antwerpse apothekersvereniging.
Wedervaren van een standbeeld
Van Couwenberghe stond aanvankelijk op het glacis - het schootsveld - van het lunet Herentals, een klein fort voor de Spaanse stadswallen, waarop vandaag ons Stadspark is aangelegd. Al in 1869 komt het naar de Botaniek, maar de inslag van een Duitse granaat vernield dit beeld in oktober 1918, amper één maand voor het eind van de Eerste Wereldoorlog.
De brokstukken worden evenwel keurig bewaard en zijn medio 1995 door professor Peter Sanders en kunstenaars Frans Herbaut en Geneviève Hardy in zes maanden geheel gerestaurarreerd en hersteld in opdracht van de Koninklijke Apothekersvereniging van Antwerpen (KAVA), de Stichting Floris Jespers en de Naamse firma Assurances du Crédit. Al die apothekers waren niet toevallig zo bekommerd om het herstel van deze stenen patiënt, want Peeter van Coudenberghe is bij leven en welzijn - voor hem de 16de eeuw - zelf apotheker-botanicus geweest.
Op het perk naast de vijver zie je vier hoofden uit het gras steken.
GREENING II
In de Botaniek.
Dit is een werk van Monique Donkers, een beeldhoudster / schilderes uit Antwerpen-Berchem.Greening is een manier om de omgeving waarin je leeft, of je eigen levensstijl, te veranderen in een aangenamere versie ervan.
Als nieuwe directeur kan Henri Van Heurck de tuin vanaf 1877 weer wat opkalefateren. Dat jaar wordt Bourla's muur vervangen door een fraaiere stenen balustrade met koperen gaslantaarns van Van Aarschot ter gelegenheid van de Rubensfeesten dat jaar. Nu werken die lampen natuurlijk op elektriciteit.
Bourla's orangerie-serre wordt in 1884 vervangen door een nieuwe kas, maar ook die is alweer in 1971 door een nieuw, uitgevoerd in aluminium.
ORANGERIE
In de Botaniek.
In 1885 is achteraan een nieuwe orangerie gebouwd, die vandaag nog te zien valt met de borstbeelden van Linnaeus en De Jussieu, plus de namen van vijf andere plantkundigen:
Charles de l'Escluse (Clusius), Mathias de Lobel - gespeld als l'Obel (Lobelius), Frans Van Sterbeeck, Rembert Dodoens (Dodaneus) en B. du Mortier.
SCHUTTERSGALERIJ
In de Botaniek.
Naast de Oranjerie is in 1912 een 17de-eeuwse schuttersgalerij heropgericht, die voordien achter een huis aan de Arenbergstraat bleef bewaard. Het is een galerij uit 1620 à 1660 van de kruisboogschutters - of Oude Voetbooggilde - van Sint-Joris, die hun oefenterreinen aan de toen nog onbestaande Arenbergstraat hadden, op de raamhoven waar de volders hun linnen opspanden.
Verlaat de Plantentuin via het pad nabij de serre en sla links opnieuw de Leopoldstraat in. Even verder zie je op een hoek een winkel met een historische naam.
AMBIORIX
Leopoldstraat 14.
Bekende naam uit de Belgische geschiedenis, hij was de aanvoerder van de Eburonen, de volksstam die in onze contreien leefde toen Julius Caesar hier op trektocht langskwam. Wel even geleden, 54 jaar voor Christus. Maar hier heeft men een recentere Bekende Belg binnengehaald, zoals je zal zien als je even binnen kijkt. Quizvraag: is dit de echte Erik Van Looy?
We zijn intussen de Arenbergstraat gepasseerd en komen even verder op de Komedieplaats. Daar staat een echt monument.
BOURLASCHOUWBURG
Komedieplaats 18.
Op de plaats van een 16de-eeuwse verkoophal van tapijten is hier tussen 1827 en 1834 een prachtige schouwburg verrezen, genoemd naar zijn ontwerper Pierre Bruno Bourla. Is de rotonde open, stap dan zeker even binnen en bekijk de plafondschilderingen van Jan Vanriet. Maar kijk ook aan de buitenzijde eens omhoog naar de borstebeelden van toneelschrijvers en componisten. Van rechts naar links ontmoet je daar: Shakespeare, Sofocles, Euripides, Spontini, Gluck, Aischulos, Vondel, Méhun, Schiller, Corneille, Grétry, Molière, Mozart, Racine, Lopez de Vega en Terencius. Zij wachten op inspiratie van de negen muzen boven hen, elk met hun eigen specialiteit. Van links naar rechts: Lyrische Poëzie, Liefdespoëzie, Epische Poëzie, Dans, Muziek, Sterrenkunde, Geschiedenis, Tragedie. Helemaal bovenaan op het dak de lier..
Wie even naar boven blijft kijken ziet op het dak van Komedieplaats 13-15 (Gigue/Furore) nog twee spoken van Albert Szukalski.
Op de straatrand zie je ook nog iets:
WACHTHUISJE
Komedieplaats.
Nog een laatste bewaard beel-epoque wachthuisje voor tramreizigers, dat zijn functie vandaag verloren heeft sinds die trams zijn omgeleid via de Lange Gasthuisstraat en geen enkel type openbaar vervoer deze halte nog aandoet.
Links van de schouwburg naar rechts de Kelderstraat in.
De naam herinnert aan de vroegere kelders van de tapijthandelaars in het Tappisierspand. Vandaag zie je rond de Bourlaschouwburg heel wat chique winkels. Maar tot eind 20ste eeuw zag het er hier helemaal anders uit. Deze wijk was bekend om zijn uitzuipcafés. Dat waren gelegenheden waar animeermeisjes de klanten ertoe moesten aanzetten tot verteer. In ruil voor 'doupkes' - brede kelkglazen - kreeg de klant dan luchtige conversatie en charmant gezelschap. Zo'n 'coupke' bevatte voor de klant duur betaalde champagne, de meisjes mochten zelf niet dronken worden en kregen vaak koude thee in hun glas, die uiteraard wel als champagne werd aangerekend.
Er kon eventueel ook tot intiem contact worden overgegaan in een kamer boven het café, maar dat was in veel gevallen niet direct het doel van wie zo'n café bezocht en de meisjes waren daartoe ook niet verplicht. Daar lag een belangrijk verschil tussen zo'n animeermeisje en een prostituée uit het Schipperskwartier - de echte 'rosse buurt'. Zo'n uitzuipcafé was ook niet echt obscuur en de klanten waren dikwijls gekende burgers, die 'voor' en 'na' elkaar ontmoetten in een nabij gelegen 'deftig' café.
Het uitgaansleven ten tijde van Napoleon.
Napoleon Bonaparte heeft zijn eigen systeem bedacht om het vertier in kaart te brengen. Hij kende de 'cabarets' - zoals elk café toen werd genoemd - allemaal een cijfer toe. Naarmate het cijfer steeg, daalde het allooi van de instelling. De meest louche gelegenheden droegen het nummer twaalf, in het Frans cabaret douze. In Antwerpen wordt zo'n schimmige gelegenheid daarom nog steeds aangeduid als een 'cabardoeske'.
Aan het einde van de Kelderstraat even naar rechts en je staat op de Graanmarkt.
GRAANMARKT
Vandaag een stukje van de wijd en zijd bekende zondagsmarkt, die zich verder uitstrekt langs de Maria Pijpelincxstraat over de aangrenzende Oude Vaartplaats, het Theaterplein en het Blauwtorenplein tot tegen de Frankrijkleid. Bezoekende Nederlanders spreken steeds over de 'Vogeltjesmarkt', maar de juiste naam is Vogelenmarkt. Het gaat niet over kanariepietjes in een kooitje, maar over kippen, eenden, kalkoenen en ganzen voor op tafel. Zeg maar pluimvee, in goed Vlaams 'vogelen'. Maar ze worden vandaag hier niet meer levend verkocht.
Dé attractie van deze zater- en vooral zondagse markt zijn nu de standwerkers, die met hun radde verhalen inspelen op het kijkpubliek, dat ze een specifiek product aanbieden. Jaarlijks wordt er onder hen een koning en een koningin van de Vogelenmarkt gekozen.
Een projectontwikkelaar aan het werk
Wie even de Graanmarkt bekijkt ziet aan de rechthoekige vorm en het patroon van de omsluitende en erop uitkomende straten, dat het allemaal nogal regelmatig oogt. En dat klopt, dit is geen spontane markt, zoals je die in allerlei soorten rond de kathedraal aantreft, maar een goed gepland geheel. Daar is Gilbert Van Schoonbeke voor verantwoordelijk, een man die leefde in de 16de eeuw. Hij is wat we vandaag een projectontwikkelaar noemen.
Gilbert koopt hier in 1551 een flinke lap grond, de oefenvelden van de middeleeuwse schuttersgilden en terreinen waarop ten tijde van de lakenhandel de spanramen van de volders hebben gestaan, zogenaamde raamhoven. Gezien die nijverheid in die dagen aan het wegkwijnen is en de schuttersgilden door de opkimst van meer geavanceerd wapentuig tot gezelligheidsverenigingen zijn gedegradeerd, liggen die gronden er toch maar wat verlaten bij. Om ze op te waarderen stelt Gilbert aan het stadsbestuur voor om de handel in granen te verplaatsen van de Oude Koornmarkt nabij het stadhuis naar dit ruimere plein. Hij zorgt door de bouw van het Tapissierspand dat er een extra economische injectie komt. Daarna trekt hij straten rondom en verkavelt die gronden op de nu interessant geworden plek in bouwpercelen, die hij te koop aanbiedt. Kassa !
VAN GERST NAAR TARWE
n de 16de eeuw vindt geleidelijk de overgang plaats van gerst naar tarwe als baisproduct voor broiod. Doordat gerst weinig gluten bevat, geeft dat meel een donker, compact en zwaar op de maag liggend brood. Tarwebrood blijkt in alle opzichten veel lichter - zowel in kleur en textuur als in verteerbaarheid. Die tarwe wordt hier dus verhandeld.
STANDBEELD VICTOR DRIESSENS
Graanmarkt.
De bronzen man op de sokkel is Victor Driessens, die in 1853 voor het eerst door zijn Nederlandstalig beroepstoneel stuken laat opvoeren in het Vlaams. Daarom staat hij terecht met zijn rug naar de Bourlaschouwburg, in Vics dagen nog de theatertempel van de Franstalige bourgoisie, het Théatre Royale francais..
HUIZEN AAN DE GRAANMARKT
De drie kleine huisjes met trapgevels aan je linkerzijde dateren nog uit het midden van de 16de eeuw: nr.1 Grooten Hoeksteen, nr.2. Sarazynshoofd (nu 'Varkenspoot'), nr.3 Coperhuys (nu 'De Duifkens'). Zo moet in de 16de euuw de hele Graanmarkt er hebben uitgezien.
ACTEURSCAFE DE DUIFKENS
Graanmarkt 3.
Dit kleine bruine kroegje is van oudsher de stamkroeg van de acteurs die hier in de diverse theaters hun 'ding' doen. In de andere cafés komt vooral het publiek na de voorstellingen in de Bourla, de Arenbergschouwburg en de Stadsschouwburg. Jawel, je bent hier in de theaterwijk. Als je geluk hebt loop je in De Duifkens op acteurs als Jan Decleir, bekend van de film 'Karakter', waarin hij deurwaarder Drevershaven speelt, of als beroepsmoordenaar uit 'De Zaak Alsheimer' naar het boek van Jef Geraerts.
Kijk ook eens naar het grote gebouw aan de overzijde.
HOOFDKWARTIER BUNGE
Graanmarkt 2.
Een complete tegenstelling met die drie trapgeveltjes, dit statige dubbele kantoorgebouw uit 1908-1910 van architecten Emile Vereecken en Max Winders. Vooral de peervormige koepel met bovenop een zogenaamde 'lantaarn' oogt indrukwekkend, wat gecounterd wordt door de dartel rondspringende kindertjes her en der op de balustrades. Hier was de directiekamer van Eduard Bunge, een van de grote ondernemers van Duitse origine, die tussen midden 18de eeuw en de Eerste Wereldoorlog een enorm aandeel hadden in het zakenleven van Antwerpen. Bunge was ondermeer actief in het Verre Oosten, waar hij in Maleisië veefokkerijen en plantages bezat.
Onder koning Leopold II is Edouard zeer actief in Congo, dan nog vtijwel privébezit van de koning. Bunge zorgt ervoor dat Antwerpen de Wereldmarkt wordt van de handel in ivoor en later ook een eerste plaats inneemt bij de handel in rubber. Vandaag resteert van al die activiteiten nog de beursgenoteerde firma Sipef, een bedrijf dat plantages voor palmolie beheert, onder andere in Indonesië. Tank je biodiesel dan kan die met hun palmolie zijn gemaakt.
Aan het eind van de Graanmarkt slaan we voor de Stadsschouwburg linksaf, de Maria Pijpelincxstraat in. We beginnen duidelijk Rubens te naderen, Maria was zijn moeder.
BELGIË AAN DE ARBEID
Maria Pijpelinckxstraat.
Tegen de zijwand van de Stadsschouwburg hangt dit in brons geslagen paneel van beeldhouwer Oscar Jespers.uit 1937. Je ziet hier onder meer scheepvaart, visserij, landbouw, metaalbewerking en industrie afgebeeld in een reeks kaders, die door twee stevige figuren à la Permeke worden getorst.
Draai je nog even om naar een wat apart café.
OUD ARSENAAL
Maria Pijpelinckxstraat 4.
Open: wo.do.vr. 10-22u. za.zo. 7.30-19.30u.
In 1924 opent Maurice Erauw hier een café waar mensen zich samen amuseren. Vandaag wordt die familietrraditie voortgezet door kleinzoon Steph Erauw. Geen danscafé, maar een praatcafé waar de eigenaar zijn klanten bij de voornaam noemt.
Er is intussen een heel boek over dit café geschreven met de nodige anekdotes:
Een net uit de gevangenis vrijgelaten man stapt hier binnen maar heeft nog geen geld op zak. Cafébaas Hilaire Erauw geeft hem toch drie pinten. Die man wordt vaste klant.
En als een oudere dame zich laat ontvallen dat ze sinds de dood van haar man een knuffel mist, krijgt ze voortaan elke keer dat ze het café binnenkomt die kuffel.
De naam 'Oud Arsenaal' slaat op een groot gebouw waarvan de restanten zich tot voot de bouw van de nieuwe stadsschouwbyurg en café Horta nog in de grond
tegenover dit café bevonden. Ooit was dat een wapenarsenaal voor de artillerie, nadat het eerder als kazerne, ziekenhuis en tuchthuis had gediend om eind 19de eeuw afgebroken te worden.
Vlak voor we oversteken naar een volgend plein kijk je nog even rechts naar oude foto's en een nieuw gebouw.
GRAND CAFE HORTA
Hopland 2.
Binnen deze eigentijdse brasserie zie je gele metalen spanten en plafondstukken. Die horen hier niet helemaal thuis. Ze komen uit het in 1963 in Brussel gesloopte Socialistisch Volkshuis van architect Victor Horta, een grote naam in de Belgische art nouveau bouwstijl.
Al dat fraaie ijzerwerk leek lange tijd verloren, maar bleek uiteindelijk ergens in Gent opgeslagen te zijn. Btouwerij Palm heeft ervoor gezorgd dat eind jaren 1990 Horta's erfenis geïntegreerd kon worden in dit gloednieuwe gebouw. Ook in de feestzaal onder het halfrond 'hangardak' is een flink deel van die spanten met hun typische 'zweepslagmotief' verxwerkt.
Alleen bij Horta waren die spanten functioneel, hier zijn ze enkel versiering en absoluut niet nodig om de constructie overeind te houden. Het is vootal een monumentaal eerbetoon.
Steek de Schuttershofstraat recht over naar de Wapper.
WAPPER
Door het wegsaneren van de Rubens- en Wapperstraat medio de jaren 1970 ontstond hier een plein. Bedoeld om een brede invalsroute aan te leggen tussen de Antwerse Ring en hoofdwinkelstraat de Meir. Vandaag moeilijk voor te stellen zo'n autoweg tot in het stadshart.
Herentalse Vaart
Toch liep hier tussen die beide verdwenen straten al een kanaal naar de Meir, de Herentalse Vaart, een afrakking van het riviertje de Schijn om zoet vwater naar Antwerpen te leiden. Nodig, want in de stad was het putwater o,nzuiver geworden door het verzilten van de Schelde en waterleiding bestond er nog niet.
Die waterloop verdween hier vele jaren lang onder een plein, maar wordt nu opnieuw aangelegd. Vandaar dat je nu langs een bouwwerf wandelt.
Kijk even mee naar een speciaal winkeltje aan je rechterhand.
''t PANTOFFELTJE
Wapper 23.
Eric De Meyer had een schoenenwinkel buiten Antwerpen toen hij toevallig hier voorbij kwam en direct gecharmeerd raakte door dit winkeltje. De oude dame die het openhield kende Erics ouders en was mede daardoor bereid het in 1998 door hem te late,n overnemen.
Eric heeft zich gespecialiseerd in pantoffels, met name het ooit bekende Belgische lmerk Eskimo, dat hij opnieuw tot leven wekte. Want dat bedrijf van twee broers Serrien was in 1936 in Niel gestart met de productie van wollen pantoffels, maar in 1980 failliet gegaan.
Zelfs vroegere Eskimo-scvhoentrekkers zijn nu verzamel-objecten. Eric laat het merk hier op kleine schaal herleven volgens het oude procédé.
Nu ga je naar de linkerzijde van de Wapper om even verderop aan de overzijde een beroemd pand te bekijken.
RUBENSHUIS
Wappezr 9-11.
Antwerps bekendste schilder en diplomaat Pieter Paul Rubens heeft dit huis amper zo gekend. Jawel, hij heeft hier gewoond en het rechter ateliergedeelte zelf ontworpen naar ideeën die hij in Genua had opgedaan. Vandaar dat het wat Italiaans aandoet in een barkstijl die hier toen nog goeddeels onbekend was. Samen met zoijn eerste vrouw Isabella Brandt en later met zijn nieuwe echtgenote Helena Fourment huisde hij in het linker gedeelte, in Vlaamse stijl, dat hij in 1610 gewoon heeft gekocht, maar wel vijf jaar lang flink verbouwd heeft zoals veel Belgen dat nog steeds doen. Beide delen zijn achteraan via een barokportiek met elkaar verbonden. Maar vooraan was er geen plein, daar liep de tamelijk smalle Vaartstraat met aan de overzijde dat open kanaaltje..
KUNSTFABRIEK
Eenmaal hier gevestigd zal Rubens een volledige 'kunstfabriek' uitbouwen met een groot aantal leerlingen en medewerkers, waaronder bekende namen als Antoon Van Dyck, Frans Snyders (expert in dieren), Jan Breughel de Fluwelen (specialist in bloemen en boeketten), Jacob Jordaens en de etser Lucas Vorsterman, later vervangen door Pauwel du Pont.
De lange weg van woonhuis tot museum
Na Rubens dood in 1640 blijft zijn jonge weduwe hier niet lang wonen, want de Rubensen hadden ook een echt kasteel in Elewijt, ergens achter Mechelen, 'op den buiten'. Dit huis wordt verkocht en de opeenvolgende eigenaars houden er flink huis. De uit Engeland gevluchte hertog William Cavendish vestigt er in 1649 een manege in, ridder Karel de Bosschaert de Pret laat in 1763 ingrijpende verbouwingen uitvoeren en de revolutionaire Fransen brengen er kreupele priesters in onder, die ze moelijk naar Parijs kunnen deporteren. Wat er daarna nog resteert van deze meesterwoning wordt als magazijn gebruikt. Wat socialistisch burgemeester Camille Huysmans in de jaren '30 van de 20ste eeuw na een zes jaar durende onteigeningsprocedure kan redden lijkt daardoor veel op een ruïne. Dat wordt dus restaureren, zeg maar herbouwen. Architecten Emile Van Averbeke en Louis Huybrechts houden zich daar een hele Tweede Wereldoorlog lang mee bezig Zij baseren zich op oude gravures en schilderijen waarop dit huis als achtergrond figureert. Wat je vandaag ziet is dus verantwoord nieuw.
Maar is er toch een kapitale fout gemaakt bij de reconstructie: achter- en zijgevels van het atelier tonen gebeeldhouwde figuren uit de antieke mythologie. Rubens zou zich in zijn graf omdraaien, hij had die taferelen als grisailles geschilderd! Hij wilde zijn klanten uiteraard tonen wat hij met verf kon, want als ze voor beeldhouwwerk kozen was hiju ze aan een concurrent-beeldhouwer kwijt. Op 21 juli 1946 is het Rubenshuis als museum geopend, maar intussen is het opnieuw gesloten voor alweer een restauratie en een nieuw indeling van de rondgang door het gebouw. Wie de intussen herstelde tuin wil bezoeken, kan daarvoor een kaartje kopen in het Hopland 13 (de straat rechts aan dse overzijde van de Wapper) Daar valt ook een expo over Rubens te bezoeken.
Draai je nu om naar de linkerzijde van de Wapper.
HOTEL DE FRAULA
Wapper.
Als elders een huis in de weg staat wordt het gesloopt en is het totaal verloren voor latere generaties. Maar havenstad Antwerpen is een stad van sjouwers en stuwadoors, hier worden standbeelden, stadspoorten en woonhuizen die in de weg staan gewoon even verplaatst. Zo ook met deze gevel tegenover het Rubenshuis.
Die gevel behoorde bij de fraaie woning die Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge in 1737-'39 aan de Keizerstraat neerzet voor de Antwerpse familie De Fraula. Tot verontwaardiging van velen moet die woning in 1963 plaats ruimen voor een moderne mensa met studentenflats van de jezuïtenuniversiteit UFSIA.
Na complete demontage van de voorgevel is die door Geirges de Belder bewaard op het domein Hemelrijk in Kalmthout. In 1986 zorgt de Generale Bank - nu BNP Paribas Fortis - hier voor wederopbouw door architect Luc Fornoville als pronkgevel voor die bank. Vandaar de vreemde combinatie van een oud gelaat voor een jong lichaam, want wat achter de gevel ligt is veel recenter.
DE VERTELBOOM - Arbre à palabres
Wapper op zijmuur Paleis op de Meir
Tijdens zijn 'ambtsperiode' als vijfde stadsdichter van Antwerpen heeft Peter Holvoet-Hanssen één van zijn werkstukken hier gerealiseerd in september 2011.
TAKKEN VAN VERWONDERING
Je ziet hier tien gedichten in takvorm:
HIER van Columbiaan Sandra Jaksh
De Gulden Middenweg van Yoni Sel, jongere,ndichter
Boomgedicht van Colombiaan Isabel Restrepo
Mijn kleine appelboom van Turk Emil Kiliç
Hier zoals daar van Peruaan Carlos Torres Beltram
Boomverhaal van Marokkaan Habiba Bahammou
Ginkgo gewenning van Belgische Hilde De Vos
Boom van een stad van Peter Theunynck
Gedicht I van Iraniër Hadis Shakari
Wensboom van Turk Galip Aygul
BOOMWORTELS
Gedicht voor Het Vierde Gedicht van Hadis Shakiri
Laat ons dan praten van Carlos Torres Beltram
De Polderboom van Ludo De Schutter
Stronk van Emil Kiliç
Woordvogels van Joris Vercammen en De Levensboom van Herman Coenen, titelgedicht van Peter Holvoet Hanssen in het rood in het midden van de boom.
Wandel verder de Wapper af, maar voor je de Meir opdraait nog even dit:
LANGE WAPPER
Een wapper is een hijstoestel waarmee binnenscheepjes in vroeger eeuwen geladen en gelost werden. Een lange boom werd boven zo'n bootje neergelaten en dan met de last eraan weer opgetrokken, zodat de vracht boven het kaaipeil geheven werd en met een draai op de oever kon worden geplaatst. Hier stond zo'n hijstoestel.
Wanneer Antwerpenaren over Lange Wapper spreken gaat het over een legendarische watergreest, de schrik van kinderen en dronkaards. Dat schimmige wezen sprong bij dronkaards op hun rug om hen het voortgaan lastig te maken. Aan Het Steen - de burcht aan de Schelde - staat geen schimmig wezen maar een zeer tastbaar beeld van Lange Wapper dat zeer aaibaar blijkt bij toeristen.
Even naar rechts de Meir op tot herenmodezaak 'We.'
WOONHUIS RUBENS' GROOTOUDERS
Meir 54.
Hier wonen in de 16de eeuw opa en oma Pijpelincx, grootouders van Pieter Paul van moeders kant. Hendrik Pijpelinckx komt uit de Kempen afgezakt naar de toenmalige wereldstad Antwerpen om er tapijten te gaan fabriceren. In die dagen begint Antwerpen geleidelijk over te schakelen van een handelsstad in gebruiksgoederen naar een productiestad van luxegoederen, waarbij tapijten worden ontworpen door getalenteerde kunstenaars.
Hendrik trouwt met Claire du Touion, dochter van een rijke handelsfamilie, waardoor zij een flinke bruidsschat meekrijgt. Maar ook de verkoop van zijn tapijten doet bij Hendrik het geld binnenstromen, de man bezit weldra een privé-beleggingsfonds aan huizen in Antwerpen, plus nog een handvol onroerend goed in Loenhout en Turnhout, zijn geboortestreek.
In 1545 koopt hij de meesterwoning 'Den Cleynen Sint-Arnold' aan de dan voor rijke burgers trendy Meir - denk even de winkels weg. Dochter Maria - Maayken - trouwt met advocaat Jan Rubens, die ook politiek actief is. Van dat laatste zal ze nog spijt krijgen, want in 1567 moet Jan in allerijl de benen nemen naar Siegen, omdat mensen die van teveel calvinistische sympathieën blijk hebben gegeven voor hun leven moeten vrezen na de komst van landvoogd Alva.
In Siegen wordt hij secretaris van Anna van Saksen, tweede vrouw van Willem van Oranje. En hoe dat afloopr las je al in onze bio van Pieter Paul Rubens himself. Die kiest zrelf ook niet toevallig als tweede vrouw de dochter van tapijthandelaar Daniël Fourment, voor wie hij al tapijtontwerpen - 'cartons' - heeft gemaakt.
'MAISON DE RUBENS'
Natuurlijk is dit in 1992 dankzij 'Hey'/'We' gerestaureerde huis van latere datum, namelijk gebouwd in 1854. Maar om de herinnering levend te houden is er een zware klassieke attiek op geplaatst mety het borstbeeld van Rubens en de tekst '1567 Has aedes illustrissimi Rubeni Joannes et Maria Pypelinckx inhabit averunt parentes. Re-aed 1854". Jan en Maeyken hebben hier dus even gewoond bij Maria's ouders. Tot aan de Eerste Wereldoorlog is zelfs gedacht dat Pieter Paul hier was geboren bij Maria's ouders en werden er ansichtkaarten van dit huis verkocht als het 'Maison de Rubens'.
We maken rechtsomkeer en passeren de Wapper, waarbij we rechtdoor de Meir blijven volgen. Links kom je langs een groot gebouw.
PALEIS OP DE MEIR
Meir 50.
Gebouwd in de 18de eeuw voor vrijgezel Johan Alexander van Susteren is dit stadspaleis nadien met heel wat illustere namen verbonden geraakt. Napoléon Bonaparte dacht er zijn Antweropse piédestal van te maken, maar Waterloo doorkruiste dat plan. Willem I van Oranje-Nassau stapt er wel binnen en laat er de Zaal der Zeventien Provinciën inrichten. Maar even later scheuren negen provincies zich af en halen Leopold I naar hier. Zijn zoon zorgt voor een Spiegelzaal en in de jqren 1970 nemen beeldende kunstenaars hier het heft in handen. Die zijn ook alweer vertrokken naar Antwerpen Zuid. Vandaag tref je hier chocolade kunstwerkjes aan uit Brugge en is alleman en hun dames hier welkom in luisterrijke stijl. Wie in elk vertrek binnen wil kijken, laat zich rondleiden vanuir de verstibule van de trapzaal links van de inkomhal: 11 jul.-7 nov. za. 11-17i. (info aug. 2026)
VVerlaat het Paleis op de Meir via de tuinpoort en keer terug naar de Meir. Volg die naar links en even verder aan de overzijde zie je op de rechterhoek van de Lange Klarenstraat een bijzonder huis.
WIENER SEZESSION HUIS
Meir 41.
Georges Matthyssens bouwt in 1913-'15 dit art nouveau winkelpand in een stijl die eerder aansluit bij de Wiener Sezession-stroming dan bij de Brusselse art nouveau van Victor Horta of Paul Hankar. Hier geen 'natuurlijke' asymmetrie, maar een gevel die heel harmonisch is opgebouwd: links en rechts van het midden vormen elkaars spiegelbeeld. Vooral de geveltop, het mansardedak en de dakkapellen zorgen voor een Duits-Oostenrijkse 'swung'.
Heel wat sierlijk bloemensmeedwerk aan de afgeronde hoek en bij een recente restauratie zijn ook de oorspronkelijke rode terrascotta dakpannen teruggekeerd. Het winkelinterieur is helaas in 1985 tenietgegaan.
Aan de tegenoverliggende hoek hangt een
MOEDER GODS MET STRALENKRANS
Meir 39.
Deze natuurstenen barokke madonna van Laurentius Gillis hing tot 1872 twee straten verder op de linkerhoek van de Twaalfmaandenstraat.
Daar schieten op 2 november 1857 voor het oog van argeloze voorbijgangers ook allerlei stralen de lucht in als tegenover deze madonna het hoekhuis met veel geknetter en gesis de lucht invliegt bij de ontploffing van de daar gevestigde vuurwerkzaak van Jan Verpoorten. De 32-jarige madame Verpoorten zorgt voor de bloemekee door naakt op het midden van de Meir te belanden, een act die zij slechts enkele dagen overleeft.
"Wie wil er mijn kindje adopteren?" lijkt Maria aan de voorbijgangers te vragen. Maar zij was oorspronkelijk niet de straat opgestuurd, ze had tot 1814 onderdak in het convent van de jezuïeten op de Sint-Jacobsmarkt en hield haar Jezus in de richting van Aloysius van Gonzaga, zoon van de markies van Mantua-Castiglione en jeugdige jezuïet, die voor haar geknield zat. "Kijk 'ns omhoog", zei ze tegen deze patroon van de studerende jeugd, die ervoor bekend stond dat hij altoos nederig naar de grond keek, zodat zijn oversten hem zelfs hadden gedwongen een hoge kraag te dragen.
Omhoog kijken is precies wat we jullie op deze wandeling ook vaak hebben laten doen, zodat je ziet waar anderen achteloos aan voorbijgaan. En heb je daar aan het eind van deze wandeling spijt van?
Aan de overzijde wacht - hopelijk - je fiets.
