STAPPERLOOT

STAPPERLOOT

Stadswandelingen langs plaatsen met een verhaal

Quartier Latin – deel 6

Hier sluit je opnieuw aan bij de wandeling als je de verkorting nam bij Hotel Botanic Sanctuary Antwerp.

Even verder zie je links een grote poort waardoor je binnengaat in de

BOTANIEK – de Plantentuin
Leopoldstraat 24.

Eertijds diende deze groenzone voor de voedselvoorziening van de zusters die het Sint-Elisabethziekenhuis draaiend hielden. Er was een moestuin, een boomgaard en een kruidentuintje. Dat blijft zo tot de komst van Claude Louis Sommé.

Sommé wordt in 1772 in Parijs geboren. Na een artsenopleiding doet hij enige jaren dienst als legerarts in het Franse legeren komt in het kielzog van de revolutionaire Franse troepen in België terecht. Vanaf 1806 wordt hij dokter-chirurg in het Sint-Elisabethziekenhuis en de daaraan verbonden medische opleiding. Als fervent amateur-botanist begint hij nog datzelfde jaar een plantenverzameling aan te leggen op wetenschappelijke basis volgens het classificatiestelsel van Carl von Linne (Linnaeus).

Bij de verbouwingen van het ziekenhuis in 1825 wordt de oude moes- en fruittuin opgeruimd om plaats te maken voor een Hortus Botanicus, een Plantentuin, die meteen begrensd wordt door de in die tijd nieuw aangelegde Leopoldstraat. Op 16 augustus 1825 wordt Sommé tot directeur van deze Plantentuin benoemd. Hij laat stadsarchitect Pierre Bruno Bourla het jaar daarop een poort en een afsluitende muur optrekken langs de Leopoldstraat.

In 1828 trekt Bourla ook een eerste, inmiddels gesloopte, orangerie op, die als een paviljoen midden in de tuin oprijst en als plantenserre dienst doet. Sommé wil ook een grote vijver in de tuin aanleggen, maar dat project raakt niet verder dan de graafwerken, waarvan de heuvel in de tuin het restant is. In 1891 is alsnog een bescheiden waterpartij gerealiseerd. Als griezelverhaal wordt dan graag verteld, dat hierin voor het ziekenhuis bloedzuigers werden gekweekt voor aderlatingen, in vroeger eeuwen een gangbare praktijk om bepaalde ziekten te genezen. Die bloedzuigers moesten dan het besmette bloed uit je lichaam zuigen, waar ze zich op vastkleefden totdat ze er boordevol vanaf vielen. En dan te bedenken dat sommige mensen al bang zijn van een prik met een injectienaald.
Claude Louis Sommé wisselt al zaden uit met diverse andere botanische tuinen, zoals de Parijse Jardin des Plantes, en laat zaden meebrengen door kooplui en scheepskapiteins, waardoor de tuin wordt verrijkt met kruiden en planten uit Batavia, Suriname, Brazilië, de Verenigde Staten en zo meer. Uit een Haarlemse collectie komen vetplanten over.
Sommés opvolger F.J. Rigouts voert vanaf 8 februari 1851 een vernieuwend beleid en gaat zadenlijsten toezenden naar allerlei Belgische en buitenlandse tuinen om tot uitwisseling te komen.

HOVENIERSCHALET
In de Botaniek.
In 1866 bouwt stadsbouwmeester Peter Dens een hovenierswoning in Zwitserse chaletstijl, waarin de lunch-lounge ‘Het Gebaar’ is gevestigd. Geen avondrestaurant, want de chef-kok Roger van Damme is vandaag een van de keukenchefs van hotel Botanic Sanctuary Antwerp.

STANDBEELD PEETER VAN COUDENBERGHE
In de Botaniek
.
Sinds 24 oktober 1996 staat nabij de vroegere woning van de hovenier dit drie meter hoge en ongeveer 300.000 kilo wegende beeld. Het is gemaakt door Pieter Jozef De Cuyper in 1861 ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Société de Pharmacie d’Anvers. Het stond toen op het glacis – het schootsveld – van het lunet Herentals, een klein fort voor de Spaanse stadswallen van Antwerpen, waarop vandaag ons Stadspark is aangelegd.
In 1869 komt het naar hier, maar de inslag van een Duitse granaat vernielt dit beeld in oktober 1918, amper een maand voor het eind van de Eerste Wereldoorlog. De brokstukken worden evenwel keurig bewaard. Die zijn medio 1995 door professor Peter Sanders en kunstenaars Frans Herbaut en Geneviève Hardy in zes maanden geheel gerestaureerd en hersteld in opdracht van Koninklijke Apothekersvereniging van Antwerpen (KAVA), de Stichting Floris Jespers en de Naamse firma Assurances du Crédit. Al die apothekers waren niet toevallig zo bekommerd om het herstel van deze stenen patiënt, want Peeter van Coudenberghe is bij leven en welzijn – voor hem de 16de eeuw – zelf apotheker-botanicus geweest.

Op het perk naast de vijver zie je vier hoofden uit het gras steken. Dit is Greening II, een werk van Monique Donckers, beeldhouwster/schilderes uit Antwerpen-Berchem. “Greening” is een manier om de omgeving waarin je leeft, of je eigen levensstijl, te veranderen in een aangenamere versie.

Als nieuw directeur kan Henri Van Heurck de tuin vanaf 1877 weer wat opkalefateren. In hetzelfde jaar wordt Bourla’s muur vervangen door een fraaiere stenen balustrade met koperen gaslantaarns van Van Aarschot, dit alles ter gelegenheid van de Rubensfeesten dat jaar. Nu werken die lampen natuurlijk op elektriciteit.
Bourla’s orangerie-serre wordt in 1884 vervangen door een nieuwe kas naar ontwerp van Ernest Dieltiens. De huidige plantenserre vervangt op haar beurt sinds 1971 Dieltiens constructie en is ontworpen door E. Dick, goeddeels met behoud van Dieltiens vorm, maar nu in aluminium uitgevoerd.

In 1885 is achteraan een nieuwe orangerie gebouwd die vandaag nog te zien valt, met de borstbeelden van Linnaeus en De Jussieu, plus de namen van vijf andere plantkundigen: Charles de l’Escluse (Clusius), Mathias de Lobel  – gespeld als l’Obel (Lobelius), Frans Van Sterbeeck, Rembert Dodoens (Dodonaeus) en Barthélémy du Mortier.

Naast de orangerie is in 1912 een 17de-eeuwse schuttersgalerij heropgericht, die voordien achter een huis aan de Arenbergstraat bleef bewaard. Het gaat om de galerij uit 1620 à 1660 van de kruisboogschutters – of Oude Voetbooggilde – van Sint-Joris, die hun oefenterreinen aan de toen nog onbestaande Arenbergstraat hadden, op de raamhoven waar de volders hun linnen opspanden.

Verlaat de Plantentuin via het pad nabij de serre en sla de Leopoldstraat links in.  Even verder zie je links op een hoek een winkel met een historische naam.

AMBIORIX
Leopoldstraat 14.
Bekende naam uit de Belgische geschiedenis als aanvoerder van de Eburonen, de volksstam die in onze contreien leefde toen Julius Caesar hier op trektocht langskwam. Wel even geleden, 54 jaar voor Christus. Maar hier heeft men een recentere Bekende Belg binnengehaald, zoals je zal zien als je even binnen kijkt. Quizevraag: is dit de echte Erik Van Looy?
We hebben intussen de Arenbergstraat gekruist en de Leopoldstraat passeert even verder de Komedieplaats. Daar staat een echt monument.

BOURLASCHOUWBURG
Komedieplaats 18.
Op de plaats van een 16de-eeuwse verkoophal van tapijten is hier tussen 1827 en 1834 een prachtige schouwburg verrezen, genoemd naar zijn ontwerper Pierre Bruno Bourla. Is de rotonde open, stap dan zeker even binnen en bekijk de plafondschilderingen van Jan Vanriet. Maar kijk ook aan de buitenzijde eens omhoog, naar de borstbeelden van toneelschrijvers en componisten. Van rechts naar links ontmoet je daar: Shakespeare, Sofocles, Euripides, Spontini, Gluck, Aischulos, Vondel, Méhul, Schiller, Corneille, Grétry, Molière, Mozart, Racine, Lopeze de Vega en Terencius. Zij wachten op inspiratie van de negen muzen boven hen, elk met hun eigen specialiteit, van links naar rechts: Lyrische Poëzie, Liefdespoëzie, Epische Poëzie, Dans, Muziek, Sterrenkunde, Geschiedenis, Tragedie. Helemaal bovenaan op het dak de lier.

Wie even naar boven blijft kijken ziet op het dak van Komedieplaats 13-15 (Gigue/Furore) nog twee spoken van Albert Szukalski.

WACHTHUISJE
Komedieplaats.
Nog een laatste bewaard belle-epoque wachthuisje voor tramreizigers, dat zijn functie vandaag verloren heeft sinds die trams zijn omgeleid via de Lange Gasthuisstraat geen enkel type openbaar vervoer deze halte nog aandoet.

Links van de schouwburg naar rechts, de Kelderstraat in.
De naam herinnert aan de vroegere kelders van de tapijthandelaars in het Tappisierspand. Vandaag zie je rond de Bourlaschouwburg heel wat chique winkels. Maar tot eind 20ste eeuw zag het er hier helemaal anders uit, want deze wijk stond bekend om zijn uitzuipcafés. Dat waren gelegenheden waar animeermeisjes klanten moesten aanzetten tot verteer. In ruil voor ‘coupkes’ – brede kelkglazen – kreeg de klant dan luchtige conversatie en charmant gezelschap. Zo’n ‘coupke’ bevatte voor de klant duur betaalde champagne, de meisjes mochten zelf niet dronken worden en kregen vaak koude thee in hun glas, die uiteraard wel als champagne werd aangerekend.
Er kon eventueel ook tot intiem contact worden overgegaan in een kamer boven het café, maar dat was in veel gevallen niet direct het doel van wie zo’n café bezocht en de meisjes waren daartoe ook niet verplicht. Daar lag een belangrijk verschil tussen zo’n animeermeisje en een prostituée uit het Schipperskwartier – de echte ‘rosse buurt’. Zo’n uitzuipcafé was ook niet echt obscuur en de klanten waren dikwijls gekende burgers, die ‘voor’ en ‘na’ elkaar ontmoetten in een nabijgelegen ‘deftig’ café.

Napoleon Bonaparte heeft zijn eigen systeem bedacht om het vertier in kaart te brengen. Hij gaf de ‘cabarets’ – zoals elke drankgelegenheid toen werd genoemd – een cijfer. Naarmate het cijfer steeg, daalde het allooi van de instelling. De meest louche gelegenheden droegen het nummer twaalf, in het Frans cabaret douche. In Antwerpen wordt zo’n schimmige gelegenheid daarom nog steeds aangeduid als een ‘cabardoeske’.

Aan het eind van de Kelderstraat even naar rechts en je staat op de

GRAANMARKT
Vandaag een stukje van de wijd en zijd bekende zondagsmarkt, de zich verder uitstrekt langs de Maria Pijpelinlinxstraat over de aangrenzende Oude Vaartplaats, het Theaterplein en het Blauwtorenplein tot tegen de Frankrijklei. Bezoekende Nederlanders spreken steeds over de ‘Vogeltjesmarkt’, maar de juiste naam is Vogelenmarkt. Het gaat niet over kanariepietjes in een kooitje, maar over kippen, eenden, kalkoenen en ganzen voor op tafel. Zeg maar pluimvee, in goed Vlaams ‘vogelen’. Maar ze worden vandaag hier niet meer levend verkocht.
Dé attractie van deze zater- en vooral zondagse markt zijn nu de standwerkers, die met hun radde verhalen inspelen op het kijkpubliek, dat ze een specifiek product aanbieden. Jaarlijks wordt er onder hen een koning en een koningin van de Vogelenmarkt gekozen.

Projectontwikkelaar Gilbert Van Schoonbeke
Wie even de Graanmarkt bekijkt ziet aan de rechthoekige vorm en het patroon van de omsluitende en erop uitkomende straten, dat het allemaal nogal regelmatig oogt. En dat klopt. Dit is geen spontaan ontstane markt, zoals je die in allerlei soorten rond de kathedraal aantreft, maar een goed gepland geheel. Daar is Gilbert Van Schoonbeke voor verantwoordelijk. Gillis koopt hier in 1551 een flinke lap grond, de oefenvelden van de middeleeuwse schuttersgilden en terreinen waarop ten tijde van de lakenhandel de spanramen van de volders hebben gestaan, zogenaamde raamhoven. Maar die nijverheid is in die dagen aan het wegkwijnen en de schuttersgilden zijn gedegradeerd tot gezelligheidsverenigingen door de opkomst van meer geavanceerd wapentuig. Dus liggen die gronden er toch maar wat verlaten bij. Om ze op te waarderen stelt Gilbert het stadsbestuur voor om de handel in granen te verplaatsen van de smalle Oude Koornmarkt nabij het stadhuis naar dit ruimere plein. Hij zorgt er door de bouw van het Tapissierspand voor dat er een extra economische injectie komt. Daarna trekt hij straten rondom en verkavelt die gronden op de nu interessant geworden plek in bouwpercelen, die hij te koop aanbiedt. Kassa !

In de 16de eeuw vindt geleidelijk de overgang plaats van gerst naar tarwe als basisproduct voor brood. Doordat gerst weinig gluten bevat, geeft dat meel een donker, compact en zwaar op de maag liggend brood.  Tarwebrood blijkt in alle opzichten veel lichter – zowel in kleur en textuur als in verteerbaarheid. Die tarwe wordt hier dus verhandeld.

STANDBEELD VICTOR DRIESSENS
Graanmarkt.
De bronzen man op de sokkel is Victor Driessens, die in 1853 voor het eerst door zijn Nederlandstalig beroepstoneel stukken laat opvoeren in het Vlaams. Daarom staat hij terecht met zijn rug naar de Bourlaschouwburg, in Vics dagen nog de theatertempel van de Franstalige bourgoisie, het Théâtre Royale français.

HUIZEN AAN DE GRAANMARKT
De drie kleine huisjes met trapgevels aan je linkerzijde dateren nog uit het midden van de 16de eeuw: nr.1 ‘Grooten Hoeksteen’, nr.2 ‘Sarazynshooft’ (nu ‘Varkenspoot’), nr.3 ‘Coperhuys’ (nu ‘De Duifkens’). Zo moet in de 16de eeuw de hele Graanmarkt eruit hebben gezien.

ACTEURSCAFÉ DE DUIFKENS
Graanmarkt 3.
Dit kleine bruine kroegje is van oudsher de stamkroeg van de acteurs die hier in de diverse theaters hun ‘ding’ doen. In de andere cafés komt vooral het publiek na de voorstellingen in de Bourla, de Arenbergschouwburg en de Stadsschouwburg, jawel je bent hier in de theaterwijk. Als je geluk hebt loop je in De Duifkens op acteurs als Jan Decleir, bekend bij het filmpubliek van de film ‘Karakter’ als deurwaarder Drevershaven, of als beroepsmoordenaar uit ‘De Zaak Alzheimer’ naar het boek van Jef Geraerts.

Kijk ook eens naar het grote gebouw aan de overzijde.

HOOFDKWARTIER BUNGE
Graanmarkt 2.
Complete tegenstelling met die drie trapgeveltjes, dit statige dubbele kantoorgebouw uit 1908-1910 van architecten Emile Vereecken en Max Winders. Vooral de peervormige koepel met bovenop een zogenaamde ‘lantaarn’ oogt indrukwekkend, wat gecounterd wordt door de dartel rondspringende kindertjes her en der op de balustrades. Hier was de directiekamer van Edouard Bunge, een van de grote ondernemers van Duitse origine, die tussen midden 19de eeuw en de  Eerste Wereldoorlog een enorm aandeel hadden in het zakenleven van Antwerpen. Bunge was onder meer actief in het Verre Oosten, waar hij in Maleisië veefokkerijen en plantages bezat.

Onder koning Leopold II was Edouard zeer actief in Congo, toen nog vrijwel privébezit van de koning. Bunge zorgde ervoor dat Antwerpen de Wereldmarkt werd in de handel in ivoor en later ook een eerste plaats innam bij de handel in rubber. Vandaag resteert van al die activiteiten nog de beursgenoteerde firma Sipef, een bedrijf dat plantages voor palmolie beheert, onder andere in Indonesië. Als we straks biodiesel tanken kan die met hun palmolie zijn gemaakt.

Aan het eind van de Graanmarkt slaan we voor de Stadsschouwburg linksaf, de Maria Pijpelincxstraat in. We beginnen duidelijk Rubens te naderen, Maria was zijn moeder.

BELGIË AAN DE ARBEID
Maria Pijpelincxstraat.
Tegen de zijwand van de Stadsschouwburg hangt dit in brons geslagen paneel van beeldhouwer Oscar Jespers. Het dateert uit 1937 en is daarmee uit zijn latere periode. Hoewel Jespers tot de gangmakers van het expressionisme in België behoort, kom je weinig werk van hem tegen op openbare plaatsen. Het meeste bevindt zich in privécollecties en musea. Hier zie je onder meer scheepvaart, visserij, landbouw, metaalbewerking en industrie afgebeeld in een reeks kaders, die door twee stevige figuren à la Permeke worden getorst.
Oscar Jespers behoorde tot de kring waarvan ook Paul van Ostaijen deel uitmaakte en van diens bundel De Feesten van Angst en Pijn heeft hij de tekeningen en houtsneden gemaakt. Oscar is ook de laatste kunstenaar die Van Ostaijen nog levend heeft gezien in het sanatorium van het Waalse Miavoye.

Draai je nog even om naar een wat apart café.

OUD ARSENAAL
Maria Pijpelincxstraat 4. Open: wo.do.vr. 10-22u., za.zo. 7.30-19.30u.
In 1924 opent Maurice Erauw hier een café waar mensen zich samen amuseren. Vandaag wordt die familietraditie voortgezet door kleinzoon Steph Erauw. Geen danscafé, maar een praatcafé waar de eigenaar zijn klanten bij de voornaam noemt.
Het heeft ook zijn anekdotes: een net uit de gevangenis vrijgelaten man stapte hier binnen maar had nog geen geld op zak. Cafébaas Hilaire Erauw gaf hem toch drie pinten. Die man werd vaste klant. En als een oudere dame zich laat ontvallen dat ze sinds de dood van haar man een knuffel mist, krijgt ze voortaan elke keer dat ze het café binnenkomt die knuffel. Er is intussen ook een heel boek over dit café geschreven.
Wanneer cafébezoeker Ben Mouling merkt dat er steeds minder van dit soort bruine kroegen overblijven, richt hij de vereniging ‘Kroegtijgers’ op om dit type kroegen en hun cafécultuur te promoten.

De naam ‘Oud Arsenaal’ slaat op een groot gebouw waarvan de restanten zich tot de bouw van de nieuwe stadsschouwburg en café Horta nog in de grond tegenover dit café bevonden. Dat was ooit een wapenarsenaal voor de artillerie, nadat het eerder als kazerne, ziekenhuis en tuchthuis had gediend om eind 19de eeuw afgebroken te worden. 
Vlak voor we oversteken naar een volgend plein kijk je nog even rechts naar oude foto’s en een nieuw gebouw.

GRAND CAFE HORTA
Hopland 2.
Binnen deze eigentijdse brasserie zie je gele metalen spanten en plafondstukken. Die horen hier niet helemaal thuis. Ze komen uit het in 1963 te Brussel gesloopte Volkshuis van architect Victor Horta, die grote man van de Belgische art nouveau bouwstijl. Al dat fraaie ijzerwerk leek lange tijd verloren, maar bleek uiteindelijk ergens in Gent opgeslagen te zijn. Brouwerij Palm heeft ervoor gezorgd, dat eind jaren 1990 Horta’s erfenis geïntegreerd kon worden in een gloednieuw gebouw.
Buiten de brasserie is ook een flink deel van de spanten met hun typisch ‘zweepslagmotief’ in de feestzaal onder het halfronde ‘hangardak’ verwerkt. Toch één kritische kanttekening: bij Horta waren deze steunen functioneel, hier zijn ze enkel versiering en absoluut niet nodig om de constructie overeind te houden. Dat kan ook niet, daarvoor was het metaal van het Socialistisch Volkshuis uit 1899 intussen te zwak geworden. Zie het dus vooral als monumentaal eerbetoon.

Steek de Schuttershofstraat recht over naar de

WAPPER
Door het wegsaneren van een Rubens- en Wappersstraat medio de jaren 1970 ontstond hier een plein. Er werd toen niet gedacht aan terrasjes, maar aan een brede invalsroute tussen de Antwerpse Ring en de Meir. Zo zou de toerist direct pal in het stadshart belanden. Vandaag moeilijk voor te stellen. Maar ooit liep tussen die vroegere straten een kanaal naar de Meir, de Herentalse Vaart. Die kwam niet echt van Herentals, maar was een aftakking van het riviertje de Schijn om zoet water naar Antwerpen te leiden, want in de stad was door het verzilten van de Schelde het putwater onzuiver geworden. Die waterloop verdween hier lange tijd onder een plein, maar wordt thans opnieuw aangelegd waardoor je vandaag langs een bouwwerf  wandelt.

Kijk eerst even naar een speciaal winkeltje aan je rechterhand, daar hoort een verhaal bij.

’t PANTOFFELTJE
Wapper 23.
Eric De Meyer had een schoenenwinkel buiten Antwerpen. Toevallig kwam hij langs dit winkeltje en was direct gecharmeerd. De oude dame die het openhield kende Erics ouders en was mede daardoor bereid het in 1998 door hem te laten overnemen. Sindsdien heeft hij zich gespecialiseerd in de beste merken pantoffels uit Italië, Spanje en Zweden.
Kreupele Maar Eric heeft vooral het ooit bekende Belgische pantoffelmerk Eskimo opnieuw tot leven gewekt. Dat bedrijf van de twee broers Serrien was in 1936 in Niel gestart met de productie van wollen pantoffels, maar is in de jaren 1980 failliet gegaan. Zelfs de vroegere Eskimo-schoentrekkers zijn nu verzamelobjecten geworden.  Eric kon de merknaam overkopen en heeft op kleine schaal het merk volgens het oude procedé doen herleven. Vandaag worden die hier verkrijgbate Eskimo-pantoffels in Frankrijk geproduceerd.

Nu ga je naar de andere zijde van de bouwwerf, dus loop je verder langs de linkerzijde.
Even verderop zie je aan de overzijde een beroemd pand.

RUBENSHUIS
Wapper 9-11.
Antwerps bekendste schilder en diplomaat Pieter Paul Rubens heeft dit huis amper zo gekend. Jawel, hij heeft hier gewoond en het rechter ateliergedeelte zelf ontworpen naar ideeën die hij in Genua had opgedaan. Vandaar dat het wat Italiaans aandoet in een barokstijl die hier toen nog goeddeels onbekend was. Samen met zijn eerste vrouw Isabella Brandt en later met zijn nieuwe echtgenote Helena Fourment huisde hij in het linker gedeelte, in Vlaamse stijl, dat hij in 1610 gewoon heeft gekocht en zoals menigeen vandaag ook zou doen, flink verbouwd, liefst vijf jaar lang. Beide delen zijn achteraan via een barokportiek over de binnenplaats met elkaar verbonden. Pieter Paul had echter weinig voor zijn voordeur, daar liep toen de tamelijk smalle Vaertstraat met aan de overzijde dat open kanaaltje.

Eenmaal hier gevestigd, zal Rubens een volledige ‘kunstfabriek’ uitbouwen met een groot aantal leerlingen en medewerkers, waaronder bekende namen als Antoon Van Dyck, Frans Snyders (expert in dieren), Jan Breughel de Fluwelen (specialist in bloemen en boeketten), Jacob Jordaens en de etser Lucas Vorsterman, later vervangen door Pauwel du Pont.
Nu Rubens dood in 1640 blijft zijn jonge weduwe – zij was 17, hij 53 jaar toen ze trouwden – vandaag zou dat de voorpagina van de tabloids hebben gehaald – hier niet lang wonen. De Rubensen hadden immers toen ook een echt kasteel in Elewijt, ergens achter Mechelen, lekker rustig ‘op den buiten’.

Kreupele priesters en gebeeldhouwde mythologie
Eerst wordt dit huis verhuurd, later verkocht. De opeenvolgende eigenaars houden er flink huis, de uit Engeland gevluchte hertog William Cavendish vestigt er in 1649 een manege in, ridder Karel de Bosschaert de Pret laat in 1763 ingrijpende verbouwingen uitvoeren en de revolutionaire Fransen bergen er kreupele priesters op, die ze moeilijk naar Parijs kunnen deporteren. Wat er daarna nog resteert van deze meesterwoning wordt als magazijn gebruikt.

Wat socialistisch burgemeester Camille Huysmans in de jaren ’30 van de 20ste eeuw na een zes jaar durende onteigeningsprocedure kan redden, lijkt daardoor veel op een ruïne. Alleen het barokportiek en het tuinpaviljoen zijn dan nog enigszins in originele staat. Dat wordt dus restaureren, zeg maar beter herbouwen. Architecten Emile Van Averbeke en Louis Huybrechts houden zich daar een hele Tweede Wereldoorlog lang mee bezig. Zij baseren zich op oude gravures en schilderijen waarop dit huis als achtergrond figureert. Wat je vandaag ziet is dus verantwoord nieuw.
Er is slechts één kapitale fout gemaakt bij de reconstructie: achter- en zijgevels van het atelier tonen gebeeldhouwde figuren uit de antieke mythologie. Rubens zou zich in zijn graf omdraaien, hij had die taferelen als grisailles geschilderd! Hij wilde zijn klanten uiteraard tonen wat hij met verf kon, want als ze voor beeldhouwwerk kozen, was hij hen aan een concurrent-beeldhouwer kwijt.

Op 21 juli 1946 is het Rubenshuis als museum geopend, maar intussen is het opnieuw gesloten voor alweer een restauratie en een nieuwe indeling van de rondgang door het gebouw. Wie toch de intussen herstelde tuin wil bezoeken, kan in het Hopland 13 (de straat links achter je) daar een kaartje voor kopen en dan ook de bijbehorende expo over Rubens ter plaatse bezoeken.

Draai je nu om naar de linkerzijde van de Wapper.

HOTEL DE FRAULA
Wapper.
Als elders een huis in de weg staat wordt het gesloopt en is het totaal verloren voor latere generaties. Maar havenstad Antwerpen is een stad van sjouwers en stuwadoors, hier worden standbeelden, stadspoorten en woonhuizen die in de weg staan gewoon even verplaatst.
Zo ook met deze gevel tegenover het Rubenshuis. Die hoort bij de fraaie woning die Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge in 1737-’39 aan de Keizerstraat neerzet voor de Antwerpse familie De Fraula. Tot verontwaardiging van velen moet die woning in 1963 plaats ruimen voor een moderne mensa met studentenflats van de jezuïetenuniversiteit UFSIA.
Na complete demontage van de voorgevel is die door Georges de Belder bewaard op het domein Hemelrijk in Kalmthout. In 1986 zorgt de Generale Bank – nu BNP Paribas Fortis – hier voor wederopbouw door architect Luc Fornoville als pronkgevel voor de bank. Vandaar die vreemde combinatie van een oud gelaat voor een jong lichaam, want wat achter de gevel ligt is zeer recent.

DE VERTELBOOM (Arbre à palabres)
Wapper op zijmuur Paleis op de Meir.
Tijdens zijn ‘ambtsperiode’ als vijfde stadsdichter van Antwerpen heeft Peter Holvoet-Hanssen van 2010 tot 2012 zo’n zeventien werkstukken op zijn actief geschreven. Eén daarvan, het dertiende, is deze Arbre à palabres ofwel Vertelboom. Het is dus een boom van woorden met een kruin die uitwaaiert in tien ‘takken van verwondering’, waaraan een heel team heeft meegewerkt. Het idee is mede gesuggereerd door kunstenaar-fotograaf Roel Jacobs en onze stadsdichter heeft meteen assistentie gevraagd aan Peter Theunynck, een dichter die vanuit het dorp Lint naar de Antwerpse wijk Zurenborg was verhuisd en reeds een zekere internationale erkenning genoot. Daarnaast is er ook een beroep gedaan op het Huis van het Nederlands, om zo anderstaligen die een inburgeringscursus hebben gevolgd bij dit project te betrekken en de boom wereldwijd wortel te laten schieten.

Takken van verwondering
Dat heeft tien gedichten opgeleverd die de takken van verwondering vormen, te weten: ‘HIER’ van de Colombiaanse Sandra Jaksh, ‘De Gulden Middenweg’ van jongerendichter Yoni Sel, ‘Boomgedicht’ van de Colombiaanse Isabel Restrepo, ‘Mijn kleine appelboom’ van de Turk Emil Kiliç, ‘Hier zoals daar’ van de Peruaan Carlos Torres Beltram, ‘Boomverhaal’ van de Marokkaan Habiba Bahammou, ‘Ginkgo gewenning’ van de Belgische Hilde De Vos, ‘Boom van een stad’ van Peter Theunynck, ‘Gedicht I’ van de Iraniër Hadis Shakeri en ‘Wensboom’ van de Turk Galip Aygul.
De wortels bestaan uit vier gedichten: ‘Gedicht voor Het Vierde Gedicht’ van Hadis Shakiri, ‘Laat ons dan praten’ van Carlos Torres Beltram, ‘De Polderboom’ van de Antwerpse polderdichter Ludo De Schutter en ‘Stronk’ van Emil Kiliç. Voor de woordvogels in de boom zorgde de Belg Joris Vercammen en de Nederlander Herman Coenen was de persoon achter het gedicht ‘De Levensboom’.
Elk gedicht bestaat uit genummerde regels en zwarte letters, met uitzondering van het titelgedicht ‘Arbre à Palabres’ van stadsdichter Peter Holvoet Hanssen zelf, dat in rood in het midden van de boom oprijst. Jelle Jespers verzorgde de grafische vormgeving van deze creatieve uitbarsting.
De onthulling van het kunstwerk vond plaats op 24 september 2011, dus sindsdien staat deze boom hier met woorden te wapperen.

Wandel verder de Wapper af, maar voor je de Meir opdraait nog even dit:

LANGE WAPPER
Een wapper iseen klein hijstoestel waarmee binnenscheepjes in vroeger eeuwen geladen en gelost werden. Het bestaat vooral uit een lange boom, die boven zo’n bootje wordt neergelaten en dan met de last eraan weer wordt opgetrokken, waardoor de vracht tot boven het kaaipeil wordt opgeheven en met een draaibeweging op de oever geplaatst kan worden. Hier stond zo’n wapper bij een sluis die de Herentalse Vaart van de Meir scheidde.

Wanneer je echter Antwerpenaren over Lange Wapper hoort spreken gaat het over een legendarische watergeest, die de schrik van kinderen en dronkaards was. Een schimmig wezen, dat bij dronkaards op de rug sprong om hen het voortgaan moeilijk te maken. Aan het Steen, onze burcht aan de Schelde, staat geen schimmig maar een zeer tastbaar beeld van Lange Wapper, dat zeer aaibaar blijkt bij toeristen.

Eerst nog even naar rechts de Meir op tot de herenmodezaak We.

WOONHUIS RUBENS’ GROOTOUDERS
Meir 54.
Hier woonden in de 16de eeuw opa en oma Pijpelincx, de grootouders van Pieter Paul van moeders
kant. Hendrik Pijpelincx kwam uit de Kempen afgezakt naar de toenmalige wereldstad Antwerpen om er tapijten te gaan fabriceren. In die dagen begint Antwerpen geleidelijk over te schakelen van een handelsstad in gebruiksgoederen naar een productiestad van luxegoederen, waarbij tapijten worden ontworpen door getalenteerde kunstenaars.
Hendrik trouwt met Claire du Touion, dochter van een rijke handelsfamilie, waardoor zij een flinke bruidsschat meekrijgt. Maar ook de verkoop van zijn tapijten doet bij Hendrik het geld binnenstromen, de man bezit weldra een privé-beleggingsfonds aan huizen in Antwerpen, plus nog een handvol onroerend goed in Loenhout en Turnhout, zijn geboortestreek.
In 1545 koopt hij de meesterwoning ‘Den Cleynen Sint-Arnold’ aan de dan voor rijke burgers zeer trendy Meir – denk even de winkels weg. Dochter Maria – Maayken – trouwt met advocaat Jan Rubens, die ook in de politiek actief is. Daar zal ze nog spijt van krijgen, want in 1567 moet Jan in allerijl de benen nemen naar Siegen, omdat mensen die van teveel calvinistische sympathieën blijk hebben gegeven voor hun leven moeten vrezen na de komst van landvoogd Alva. In Siegen wordt hij secretaris van Anna van Saksen, tweede vrouw van Willem van Oranje. En hoe dat afloopt kon je al lezen in onze bio van Pieter Paul Rubens. Die kiest zelf ook niet toevallig als tweede vrouw de dochter van tapijthandelaar Daniël Fourment, voor wie hij al tapijtontwerpen – ‘cartons’ – heeft gemaakt.

Natuurlijk is dit in 1992 dankzij ‘Hey’/’We’ gerestaureerde huis van latere datum, namelijk gebouwd in 1854. Maar om de herinnering levend te houden is er een zware klassieke attiek op geplaatst met een borstbeeld van Rubens en de tekst “1567 Has aedes illustrissimi Rubeni Joannes et Maria Pypelinckx inhabit averunt parentes. Re-aed 1854”.  Jan en Maayken hebben hier dus even gewoond bij Maria’s ouders. Tot aan de Eerste Wereldoorlog is zelfs gedacht dat Pieter Paul hier was geboren en werden er ansichtkaarten van dit huis verkocht als het ‘Maison de Rubens’.

We maken rechtsomkeer en passeren de Wapper, waarbij we rechtdoor de Meir blijven volgen.
Links kom je langs het

PALEIS OP DE MEIR
MEIR 50.
Gebouwd in de 18de eeuw voor vrijgezel Johan Alexander van Susteren, is dit stadspaleis nadien met heel wat illustere namen verbonden geraakt. Napoléon Bonaparte dacht er zijn Antwerpse piëdestal van te maken, maar Waterloo doorkruiste dat plan. Willem I van Oranje-Nassau stapt er wel binnen en laat er een Zaal der Zeventien Provinciën inrichten. Maar even later scheuren negen provincies zich af en halen Leopold I naar hier. Zijn zoon zorgt voor een Spiegelzaal en in de jaren 1970 nemen beeldende kunstenaars hier het heft in handen. Maar de Antwerpse artiesten zijn nu zuidwaarts getrokken. Vandaag tref je hier chocolade kunstwerkjes aan uit Brugge en is alleman en hun dames hier welkom in luisterrijke stijl.
Wie in elk vertrek binnen wil kijken, laat zich rondleiden: maandag tot vrijdag en zondag op 14u., zaterdag om 11u. vanuit de vestibule van de trapzaal links van de inkomhall (info april 2013).

Verlaat dit Paleis op de Meir via de tuinpoort, keer dan terug naar de Meir en volg die naar links. Even verder aan de overzijde op de rechterhoek van de Lange Klarenstraat zie je een

WIENER SEZESSION HUIS
Meir 41.

Georges Matthyssens
bouwt in 1913-’15 dit art nouveau-winkelpand in een stijl die eerder aansluit bij de Wiener Sezession-stroming dan bij de Brusselse art nouveau van Victor Horta of Paul Hankar. Hier namelijk geen ‘natuurlijke’ asymmetrie, maar een gevel die heel harmonisch is opgebouwd, waarbij links en rechts van het midden elkaars spiegelbeeld vormen. Het zijn vooral de geveltop, het mansardedak en de dakkapellen die er een Duits-Oostenrijkse ‘swung’ aan geven.
Aan de afgeronde hoek heel wat sierlijk bloemensmeedwerk en bij een recente restauratie zijn ook de oorspronkelijke rode terracotta dakpannen teruggekeerd. Het winkelinterieur is helaas in 1985 tenietgegaan.

Aan de tegenoverliggende hoek hangt een

MOEDER GODS MET KIND IN STRALENKRANS
Meir 39.
De natuurstenen barokke madonna van Laurentius Gillis laat achter haar een stralenkrans alle kanten uitschieten. Dat moet zo ongeveer het beeld zijn geweest dat op 2 november 1857 argeloze voorbijgangers krijgen als het huis op de linkerhoek van de Twaalfmaandenstraat – twee zijstraten verder – tegenover welks gevel deze madonna tot 1872 hing, met veel gesis en geknetter de lucht invliegt wanneer de daar gevestigde vuurwerkzaak van Jan Verpoorten ontploft. De 32-jarige madame Verpoorten zorgt voor de bloemekee door naakt op het midden van de Meir te belanden, een act die zij slechts enkele dagen overleeft.

Wie wil er mijn kindje adopteren?” lijkt Maria aan de voorbijgangers te vragen. Maar zij was oorspronkelijk niet de straat opgestuurd, ze had tot 1814 onderdak in het convent van de jezuïeten op de Sint-Jacobsmarkt en hield haar Jezus in de richting van Aloysius van Gonzaga, zoon van de markies van Mantua-Castiglione en jeugdige jezuïet, die voor haar geknield zat. “Kijk ‘ns omhoog”, zei ze tegen deze patroon van de studerende jeugd, die ervoor bekend stond dat hij altoos nederig naar de grond keek, zodat zijn oversten hem zelfs hadden gedwongen een hoge kraag te dragen. Omhoog kijken, dat is precies wat we jullie op deze wandeling ook vaak hebben laten doen, zodat je ziet waar anderen achteloos aan voorbijgaan. En heb je daar aan het eind van deze wandeling spijt van?

Aan de overzijde wacht hopelijk je fiets …