QUARTIER LATIN – Stapperlootroute
START MONUMENT DE HAND
Meir, ter hoogte van de Diesel Store.
Kom je met de trein dan kun je een tram nemen in premetrostation ‘Diamant’. Kies het perron voor richting Linkeroever en neem daar de tramlijnen 2 of 15 richting Linkeroever. Reeds bij de tweede halte ‘Meir’ stap je uit en neem je de roltrap naar boven. Aan de overzijde van de Meir zie je dan een standbeeld, of noem het maar een ligbeeld.
Kom je met een streekbus van De Lijn, dan stopt die op de Franklin Rooseveltplaats. Dan ga je te voet eerst linksaf tot je aan je rechterhand de Frankrijklei op. Zodra je aan je rechterhand het standbeeld van David Teniers ziet, ga je daar rechtsaf via de Teniersstraat, die overloopt in de Meir. Wandel deze winkelstraat verder af tot je bij het beeld van de Hand komt.
Wie met de auto komt gaat vanaf de leien rond de oude stad naar de parking onder de stadsschouwburg op het Theaterplein. Vandaar linksaf via de Meistraat en de Kolveniersstraat naar de Meir en die naar links volgen tot aan de Hand.
DE HAND
Meir.
Daar ligt hij dan, die grote hand als een zitbank voor wie moe is en klauterstek voor kinderen. Hét stadssymbool, omdat Antwerpen volgens de legende afgeleid is van ‘handwerpen’. Reus Druwon Antigoon zou aan de Schelde hebben gewoond en van iedere passerende schipper tolgeld hebben gevraagd. Van wie weigerde kapte hij een hand af en wierp die in de rivier, waardoor de Schelde een visrijke waterloop werd. Aan die praktijk maakt een soldaat van een Romeins legioen, Silvius Brabo een eind door de reus zelf een hand af te hakken en door hem meteen een kopje kleiner te maken was elk gevaar volledig geweken. En de plek waar dat gebeurde ging dus de geschiedenis in als handwerpen, latere bewoners vertelden dat zij in Antwerpen woonden.
Nu is deze Hand niet speciaal voor Antwerpen gemaakt. Die is een onderdeel van het grotere monument L’Écoute van Henri de Miller, dat in Parijs naast de Saint-Eustachekerk ligt in de wijk Les Halles. Voor een groepsfoto is onze Hand wel een topper geworden.
Speciaal voor Nederlandse wandelaars:
De straatnaam wordt niet uitgesproken als Meijer, maar als Mèèr, een wat lang aangehouden Franse zee … Niet als een korte ei dus.
Wandel richting wolkenkrabber die je recht voor je ziet. Blijf dichtbij het midden van de Meir, zo houdt je wat afstand van enkele gevels aan je linkerhand en zie je die beter.
GENERAL BUILDINGS + EAGLE STAR
Meir 14 (JBC/Torfs) + Meir 12 (Springfield)
Nabij de middeleeuwse Handelsbeurs – diep weg in het smalle straatje aan de overzijde – ontwikkelt zich reeds vroeg het verzekeringswezen. Een traditie die zich voortzet tot in de 20ste eeuw, zoals je ziet aan deze gebouwen uit 1920 en 1923/’24 voor verzekeringsmaatschappijen ‘General Accident Fire and Life Assurance Corporation Limited’ en ’Eagle Star’.
Architect Alfred Portielje tekent de bouwaanvraag van General Buildings. Schrijver Willem Elsschot laat dit gebouw in zijn boek Lijmen/Het Been figureren als de ‘Compagnie Continentale d’Assurances Générales sur la Vie et de Rentes Viagères’ – in Vlaanderen was het Frans nog de voertaal van de betere klasse.
Het Eagle Star hoekpand is ontworpen door het architectenduo Jan Van Riel en Eduard Ceurvorst in een soort Beaux-Artsstijl. Als sierstuk is er een koepel op de afgeronde hoek, waarop een bronzen arend neerstrijkt dankzij beeldhouwer Arthur Pierre. In de deurwaaiers de initialen ‘E S’ van de Eagle Star.
Waar nu het verkeer zich in een knoop wurmt, begint de Meirbrug.
MEIRBRUG
Een eeuw geleden was het hier veel rustiger. Begin 16de eeuw is er nog een echte gracht met een brug met in het midden daarvan een ijzeren kruis. Ter herinnering aan dit kruis zie je voor je op die wolkenkrabber, rechts op de zevende verdieping tegen de middentoren, een groot kruisbeeld met een Mariabeeld van de Fransman Rogier de Villiers. Meteen het grootste en hoogste van heel Antwerpen.
BOERENTOREN
Meirbrug – Eiermarkt – Schoenmarkt 3.
Een bombardement aan het begin van de Eerste Wereldoorlog veroorzaakt hier een lege plek in het stadslandschap. Die wordt heel wat jaren later, in 1928, gekocht van het Antwerpse stadsbestuur door de Algemene Bankvereniging uit Leuven. In volle crisistijd laat die hier tussen 1929 en 1932 de eerste wolkenkrabber waarin gewoond wordt optrekken rond een stalen geraamte door het architectenduo Jan Van Hoenacker en Emile Van Averbeke. Foto’s tegen de gelijkvloerse gevels geven nog een indruk van die bouw. De oorspronkelijke Belgische aannemer had weliswaar ervaring met grote projecten, maar dat waren vooral sluizen op grote kanalen. Daardoor moest voor de staalconstructie een beroep worden gedaan op een Duits bedrijf.
Bank-, winkel- en woontoren
De Leuvense bankvereniging gebruikt slechts een klein deel van het toen 87 meter hoge gebouw. De rest wordt verhuurd als kantoor of woning. Boven de hoofdingang is er een tearoom en het platte dak aan de lagere linkerzijde van de toren wordt gebruikt als terras. Helemaal bovenin geeft een panoramazaal uitzicht op de stad.
Omdat de bank eigendom was van de Belgische Boerenbond wordt dit gebouw al snel aangeduid als de Boerentoren en die naam draagt het nog steeds. Een tijdlang is dit de hoofdzetel van de KBC-bank geweest en in 1976 laat die de toren nog wat verhogen tot 97 meter, terwijl onderin winkels komen.
Na het vertrek van de KBC is het hele bouwblok verkocht aan de Antwerpse ondernemer Fernand Huts, die er grootse plannen mee heeft. Hij wil er een museum in onderbrengen om daar een deel van zijn eigen kunstcollectie te tonen, die onder meer een dinosaurusskelet omvat. Ook het vroegere openlucht terras op de zijkant zou hersteld worden.
Intussen is een grote operatie om het asbest dat in de toren gebruikt was te verwijderen afgerond en kan het interne skelet soms worden bezocht. Maar dat houdt heel wat trappen lopen in, want de oude liften zijn reeds verwijderd.
Ga op de Meirbrug linksaf, zo kom je op de Schoenmarkt.
Bekijk nog even de reliëfs op halve hoogte op de Boerentoren. Ze gaan over landbouw en veeteelt, je ziet dieren en gewassen, alles verwijzend naar die bank voor de boeren.
Blijf aan de linkerzijde wandelen totdat je ook links de Schrijnwerkersstraat tegenkomt. Sla die in en wandel rustig verder langs dit winkelstraatje. Rechts kom je langs een wafelhuis.
DÉSIRÉ DE LILLE
Schrijnwerkersstraat 16.
Hier wordt een speciale stroopwafel geserveerd, de lacquemant. Het is een uitvinding van de op 12 februari 1885 in Luik geboren Désiré Smidts. Hij gaat in Parijs in een patisserie werken, maar komt later naar Antwerpen in de hoop daar een baan te vinden in de zeehandel. Als dat niet lukt wordt hij kelner bij Lacquemant, een Lillese kermisfrituur die op de Antwerpse Sinksenfoor (Pinksterkermis) staat. Daar bedenkt hij zelf in 1903 een in de lengte doorgesneden wafel, gevuld met door hem zelf samengestelde stroop. En hij noemt zich voortaan Désiré de Lille, naar de stad waar de kermisattractie waar hij werkt vandaag komt.
Hij blijft zijn wafels verkopen op de kermissen van Brussel en Lille, maar vooral op de Oktoberkermis van Luik kennen ze een reusachtig succes. Nadat hij met de kermisfamilie verder is gereisd naar Parijs en San Malo, waar hij zijn vrouw Louise leert kennen, opent Désiré uiteindelijk zijn eigen zaak in Luik. Zijn speciale stroopwafels noemt hij naar zijn vroegere werkgever: lacquemants.
Zijn nazaten staan nog steeds op kermissen, maar hebben ook vaste wafelhuizen in grotere steden, zoals hier in Antwerpen. Omdat je zo’n wafel op een kermis onderweg wilt opeten, worden ze daar in een papieren hoorntje geserveerd.
Aan het eind van de straat kom je langs een
CALVARIEBERG
Schrijnwerkersstraat.
Deze calvarieberg uit 1710 – tel de Romeinse cijfers maar op – vervangt een alleenstaande kruisbeeld met lantaarn op een brug die hier over de vestinggracht van de tweede stadswal lag. Dat water stroomt er nu via buizen onderdoor, maar is niet langer zichtbaar.
In de Franse tijd wordt alles dat naar de katholieke godsdienst verwijst verwijderd, maat deze calvarie is opnieuw geplaatst in 1814.
Christus en zijn kruis zijn polyester kopieën van de originele beeldhouwwerken, Maria links en evangelist Johannes rechts zijn wel oorspronkelijk, net als beide knielende engelen. Zo’n calvarieberg werd onderhouden door de buurtbewoners, die ook zorgden dat in de lantaarn op de brug een olielamp brandde.
Naar verluidt is op een donkere avond op die brug de Fransman Christoffel Plantijn overvallen, waardoor hij gewond raakte aan zijn hand en niet langer het vak van boekbinder kon uitoefenen. Daarom is hij drukker geworden met als nalatenschap het beroemde Plantijn-Moretusmuseum aan de Vrijdagmarkt.
Neem nu even een kijkje aan de achterzijde van deze calvarieberg.
DE WILDE ZEE
Zo wordt deze winkelwandelwijk genoemd en hier zie je waar die naam vandaan komt. Een waterloop van links naar rechts duidt aan hoe hier de stadsgracht vanaf links naar de Schelde rechts liep. Bij het gele kruisje links sta je nu zelf en zie je dat de stadsgracht een stompje knik naar boven maakt, in feite dus naar links richting Wiegstraat. Bij vloed stroomde het water van de Schelde de gracht in, om er met eb weer deels uit te stromen. Bij dat instromen zorgt die knik in de stadsgracht dat het water hier nogal wild klotst en zo ontstaat dus de naam Wilde Zee.
Ga even terug naar het pleintje waar vier straten samenkomen. Op de hoek van de Groendalstraat en de Korte Gasthuisstraat zie je een Neuhaus-pralinewinkel.
Voor Nederlanders: er wordt in België niet over bonbons gesproken, zeg dus pralines.
NEUHAUS – DE UITVINDER VAN DE PRALINE
Korte Gasthuisstraat 1.
Een Zwitserse apotheker Jean Neuhaus vestigt zich in 1857 in de Brusselse Koninginnegalerij. Omdat medicijnen vaak niet zo lekker smaken, gaat hij die omhullen met chocolade. Hij is naast medicijnen ook al fijne confiserie gaan maken.
In 1912 geeft Jean geeft in zijn passie voor confiserie door aan zijn kleinzoon Jean junior. Die vervangt de medicijnen door een lekkere vulling en creëert daarmee de eerste Belgische praline. Die lekkernij verkoopt hij aanvankelijk in een puntzak, maar daardoor worden de pralines enigszins samengedrukt en het presenteert niet echt smakelijk. Zijn vrouw Louise Agostini bedenkt daar een oplossing voor: het enigszins langwerpige pralinedoosje, ballotin genoemd, dat nog steeds wordt gebruikt door chocolatiers.
Praline
De naam ‘praline’ is dan weer het idee van kok Clément Jaluzot, die in suiker gebrande amandelen serveert aan zijn baas, de Franse maarschalk Du Plessis-Praslin, die tussen 1598 en 1675 heeft geleefd. En diens tweede naamdeel gebruikt Clément als naam voor zijn lekkernij.
Wandel verder door de Korte Gasthuisstraat, een verkeersvrije winkelstraat.
IITTALA
Korte Gasthuisstraat 24.
Hier was ooit de chique interieurzaak van François en Charles Franck gevestigd.
François heeft een schilders- en behangerszaak in de Kuipersstraat en bouwt die samen met zijn twee jaar oudere broer Charles uit tot een meubel- en decoratiezaak voor de rijkere burgerij. Bijgestaan door de Mechelaar Frans Bruylants maken ze onder meer eigen stoelen in een beperkte oplage van twee à drie stuks, steeds voorzien van een fabricagenummer. Bovendien beschikt François over een grote overredingskracht, waarmee hij klanten kan overtuigen hun hele woning te laten inrichten in Franck-stijl: zijdebehang, Japanse lak en parelmoer. En graag ook met zijn exclusieve meubels. De rekeningen zijn dus navenant hoog.
Vandaar deze anekdote:
Na een nieuw gebouwde woning volledig te hebben gestoffeerd vraagt François aan de eigenaar of die misschien nog een brandkast wenst te hebben. De zeer rijke heer antwoordt glimlachend: “Meneer Franck, als ik al uw rekeningen zal hebben betaald, heb ik geen brandkast meer nodig.”
Dit winkelhuis loopt achteraan door tot in de Everdijstraat. Daar komen we nog terug op deze bijzondere Antwerpenaar.
GEBOORTEHUIS ACTEUR MATTHIAS SCHOENAERTS
Korte Gasthuisstraat 30.
Hier op de tweede verdieping heeft Mathias Schoenaerts zijn eerste kinderjaren doorgebracht met zijn moeder Dominique Wiche, terwijl zijn vader Julien daar ook regelmatig langskwam. Samen met zijn vader zou hij op iets latere leeftijd al op de theaterplanken staan in de titelrol van ‘De Kleine Prins’ naar het boek van Antoine de Saint-Exupéry. Matthias’ filmdebuut als acteur vindt plaats in 1992 als Wannes Scholliers in de film Daens van Stijn Coninx, het begin van een hele reeks rolprenten.
Daarnaast is Schoenaerts bekend als graffitikunstenaar onder het pseudoniem Zenith. Zo is werk van hem te zien in Antwerpen: Humain (2023 – een grote hand – zijgevel Tropisch Instituut, Kronenburgstraat); Oostende: Think Outside The Box (2017 – titel in grote kleurrijke letters) en Fallen Power (2020 – een onthoofde koning Leopold II op een paard). Zijn eigen zelfportret is te zien in Charleroi op een schutting in de Chemin de Halage naast de Sambre.
Waar rechts de Everdijstraat uitkomt in de Korte Gasthuisstraat zie je aan je linkerhand:
BAKKERIJ GOOSSENS
Korte Gasthuisstraat 31.
Een zeer klein winkeltje, maar ongetwijfeld de bekendste bakker van Antwerpen. Verbaas je dus niet wanneer je een hele rij klanten buiten voor de winkeldeur ziet aanschuiven, behalve op zondag, dan is de zaak gesloten – heel opmerkelijk voor Belgische bakkers.
Ook hier een anekdote: er zouden hier vroeger vaak fotografen van de Russische krant de Pravda hier gesignaleerd zijn. Hun foto’s moesten bewijzen dat ook in het Westen de mensen in rijen voor de winkels stonden.
Roggeverdoemmeke
Een speciaal rozijnenbroodje dat hier wordt verkocht, het roggeverdoemeke. Dat heeft alles te maken met de in 1375 geboren Nederlandse koopman Pieter Pot. Hij verkent een flinke brok van de wereld aan boord van een schip en belandt daarbij ook in Syrië. In de wolhandel met dat land vergaart hij een fabelachtig fortuin. Voor u kan het verbazen, maar voor Antwerpenaren spreekt het vanzelf dat als zo’n bereisd man in 1415 Antwerpen ontdekt, hij meteen tot de conclusie komt dat deze stad het beste plekje is om zich te vestigen. In 1418 doet hij dat samen met zijn vrouw Maria Terrebroodts in wat nu de Grote Pieter Potstraat heet.
In 1433 richten ze bij hun woning een bidkapel op, waaraan een eigen kapelaan wordt verbonden, die elke woensdag aan de armen een brooduitdeling mag doen. Pieter stelt daarvoor graag zijn graanschuren beschikbaar, want graan heeft hij ruimschoots. Pieter bezit heel wat grond in de omgeving van Antwerpen en verder weg in Zeeland. Hij is zelf intussen verhuisd naar en wat ruimer optrekje in Edegem.
Voor bajesklanten die opgesloten zijn in het Steen – een bescheiden burcht aan de Schelde – wordt hun strafregime wat verlicht doordat hen via Pieter op tijd en stond een roggebroodje wordt aangereikt. Jawel, het ‘roggeverdoemeke’. Je kan het zelf bij deze bakker kopen, nu zitten er zelfs krenten in.
Nog enkele stappen verder zie je aan de rechterzijde een beeldje.
Den DEUGNIET
Dit bronzen beeldje is zowat de tegenhanger van het Brusselse ‘Manneken Pis’. Eronder staat een liedjestekst van de Antwerpse volksliedzanger John Lundström. Onze Deugniet heeft duidelijk schijt aan de burgerlijke ‘Sinjoor’, zoals de bijnaam van de Antwerpenaren luidt. Maar zijn gatje glanst van het erover wrijven, want dat brengt geluk.
Het beeldje is in 1976 gemaakt door Luc Verbeke en hier op 2 juli 1997 geplaatst. Een vereniging ‘Den Deugniet’ zorgde ervoor dat het ventje regelmatig een nieuw op maat gemaakt kostuumpje kreeg, in navolging van zijn Brusselse broertje, maar daar lijkt toch wat de klad in gekomen. Nog dit: treft u een lege sokkel aan, dan is Den Deugniet weer eens voor korte of langere tijd ontvoerd.
Wie deze wandeling wil inkorten wandelt hier rechtdoor en komt zo in de Lange Gasthuisstaat. Daar kan je weer aansluiten bij deze wandelroute.
Zet enige stappen terug in de Korte Gasthuisstraat en sla tegenover bakker Goossens links de Everdijstraat in. Aan je rechterzijde zie je vlak naast huisnummer 49 een fraaie poort. De vroegere toegang tot de binnenplaats achter de IITTALA-winkel waar voorheen de interieurzaak van de gebroeders Franck was gevestigd. Het volgende huis was zijn woning.
WOONHUIS FRANÇOIS FRANCK
Everdijstraat 43.
Er hangt hier een koperen plaat aan de gevel met de tekst: “In dit pand woonde en werkte verzamelaar en mecenas François Franck (1872-1932) bezieler van de vereniging “Kunst van Heden”.
François beperkt zich niet tot luxueuze huisinrichting, hij doet ook heel wat voor kunstenaars. Zo huurt hij in de Falconrui (nabij het Bonapartedok) de kapel van het Godshuis Lantschot, eerst als meubelopslagplaats, maar al spoedig krijgt hij het idee daar iets met kunst te doen. Samen met anderen richt hij de vereniging De Kapel op. Dat wordt een ontmoetingscentrum voor schrijvers, schilders en politici waar van gedachten wordt gewisseld over artistieke, filosofische en politieke ideeën, vaak met een anarchistische inslag. Heel wat bekende personen komen er lezingen geven: schrijvers Emilie Verhaeren, Stijn Streuvels en Frederik van Eeden en architect Henry van de Velde. Op donderdagavonden komen ze daar samen, zowel intellectuelen als handarbeiders. Naast die samenkomsten zijn er tentoonstellingen van schilderijen.
Kunst van Heden
Maar François doet meer. In 1905 weet hij een aantal vermogende Antwerpse zakenlui rond zich te verzamelen: Grisar, Kreglinger, Fester, Serigiers … Hij ziet kans van elk 100.000 Belgische frank los te krijgen en richt daarmee op 1 maart 1905 de vereniging Kunst van Heden op. Doel: stimuleren van eigentijdse kunstenaars en aankopen van hun werken. En in 1925 is hij mede-initiatiefnemer van “De Vrienden van de Moderne Kunst“, een fonds dat zorgt dat het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten een grote verzameling eigentijdse kunst kan verwerven, gefinancierd door mecenassen, zeg maar de rijke kennissen van François Franck. Zijn portret zie je dan ook bij de reeks sponsors van dat museum.
Auguste Rodin en James Ensor
Als in 1930 voor de derde maal een Wereldtentoonstelling in Antwerpen plaatsvindt heeft Kunst van Heden daar een eigen paviljoen. En het is opnieuw François Franck die ervoor zorgt dat het Antwerpse museum een afgietsel krijgt van Auguste Rodins bronzen beeld van de Franse schrijver Honoré de Balzac, vandaag te bewonderen in het Middelheim Beeldenpark.
Wanneer François Franck in 1903 James Ensor ontmoet, leidt dat tot een grote bewondering voor diens werk en François zal dan ook zijn hele leven een van de belangrijkste sponsors van James Ensor blijven.
Helaas is François einde niet enkel onverwacht, maar ook weinig spectaculair. Tijdens een wandeling in Oostende over de zeedijk met zijn kleinkinderen op 23 maart 1932 stapt François achteruit om een groepsfoto te maken, valt en komt met zijn hoofd ongelukkig op de dijkhelling terecht. Na een zeer druk bijgewoonde mis wordt hij bijgezet in het familiegraf op het Schoonselhof, het bekendste Antwerpse kerkhof vol bijzondere graven en monumenten.
Meteen door naar het volgende huis met de witte ramen en deurlijsten.
WOONHUIS Dr. JAN MANIEWSKI
Everdijstraat 41.
Janos Maniewski was de kleinzoon van schrijver Willem Elsschot, wiens dochter met deze Pool was gehuwd. Als grootvader Elsschot op een dag met de kleine Janos in de tuin aan het wandelen is, ziet hij enkele mussen op het gazon hippen. Vanaf dat moment noemt hij zijn kleinzoon Tsjip en dat zal ook de titel van het boek worden waarin hij deze familiegebeurtenissen beschrijft. Na de Tweede Wereldoorlog komt daarop nog het vervolg De Leeuwentemmer, dat doorgaans samen met Tsjip wordt gebundeld.
SINT-JORIS (nu Monar)
Everdijstraat 35 – rechts Kinderziekenhuis Louise-Marie
Hier komt een vrouw ons verhaal binnenwandelen: Constance Teichmann. Zij gaat van zorg voor de zwakkere medemens haar levensvulling maken. Begonnen met huisbezoeken, evanlueert dat naar de oprichting van een specifiek kinderziekenhuis Louise-Marie, genoemd naar de vrouw van koning Leopold I. Hier werden 30 kinderen gratis verzorgd door vier zusters en dertig vrijwilligers en als eerste gratis arts dokter Claude-Louis Sommé.
Om die gratis zorg te financieren organiseren Constance en haar vriendinnen concerten, waar de gegoede burgers op af komen. Zelf zingt ze soms mee, want ze heeft een uitstekende sopraanstem.
In 1877 verhuist het kinderziekenhuis naar elders en laat Constance dit pand verbouwen tot middelbare meisjesschool, wat je nog ziet aan de glazen overkapping achter de huidige ingang, die vroeger twee klaslokalen met elkaar verbond.
Links heeft Monar nog een ander verhaal:
SINT-JORIS (nu Monar)
Everdijstraat 35 links – Atelier Cornelis Floris de Vriendt
Wie kent hem niet, de bouwer van het Antwerpse stadhuis? Cornelis Floris de Vriendt koopt dit pand in 1549 om er zowel zelf te gaan wonen als er zijn werkplaats van te maken. Hij woont in het linkse gedeelte, waar drie raampartijen zijn privédomein vormen. Onderaan was er toen op de plaats van het middelste en rechter raam een grote poort onder een rondboog als voordeur. Maar in 1877 is die vervangen door die twee ramen. En deze woning kreeg pas in de tweede helft van de 18de eeuw zijn derde verdieping.
De gevel is mooi bewerkt met vensterlijsten in blauwe hardsteen, die steenhouwersmerken dragen van Anthoine Hanicq en Grégoire Boulle, die eveneens op de poorten van het Hessenhuis voorkomen. De merktekens van Hanicq staan ook op de 16de-eeuwse delen van het Brugse belfort. Blauwe hardsteen kwam uit Wallonië, met name uit groeven in Feluy, Arquennes en Ecaussines. Dergelijke merktekens zijn niet zozeer de handtekening van degene die hier ter plaatse werkte, maar eerder van de exploitant van een deel van zo’n steengroeve, die dus het materiaal leverde.
Aan die gevel hangt ook een gekroonde Maria met Jezus op haar rechterarm. Antwerpen telt veel Mariabeelden en dat is geen toeval. Al tijdens de Spaanse tijd worden er Mariabeelden opgehangen aan gevels, vaak op straathoeken en zoals ook hier voorzien van een lichtarm. Zo had men straatverlichting en die beelden werden dikwijls verzorgt door een confrerie, een buurtgenootschap waarin mensen uit een wijk verenigd waren.
Wanneer in 1566 de Beeldenstorm opsteekt tegen de macht van de Roomse Kerk, worden veel Mariabeelden vernield. Maar vanaf 1585 voert de katholieke Kerk een politiek van herkerstening, de Contrareformatie, daarin gesteund door het Spaanse vorstenpaar Albrecht en Isabella. Veel protestantsen verlaten Antwerpen in die jaren en er worden nieuwe beelden gebeiteld.
Maar als in 1795 revolutionaire Fransen dit land annexeren, vaardigen zij op 25 september 1797 een verordenig uit dat alle beelden afgebroken moeten worden. Opnieuw verdwijnen talrijke beelden, dikwijls door huiseigenaars zelf van hun gevel gehaald en in huis verborgen. In 1814, na de nederlaag van Napoleon bij Waterloo, komen ze opnieuw tevoorschijn. Vandaag probeert de vereniging ‘Voor Kruis en Beeld’ de resterende exemplaren in stand te houden door ze officieel te beschermen en zo mogelijk te restaureren.
Cornelis Floris is 35 jaar als hij zich hier komt vestigen, nadat hij eerder in ‘De grooten Dondercloot’, Steenhouwersvest 11, had gewoond. In diezelfde straat woonde ook zijn oudere broer Frans Floris, die de artistieke richting van de schilderkunst inslaat, terwijl voorheen in de familie het ambacht van metselaar en steenhouwer steeds van vader op zoon was doorgegeven. Cornelis is naar Rome gereisd om daar kennis te maken met de nieuwe renaissancekunst. Als hij terugkomt ontwikkelt hij voor versieringen zijn eigen stijl, waarbij hij arabesken, rolwerk (cartouches) en soms grotesken toepast, wat later Florisstijl wordt genoemd.
Hier heeft Cornelis een atelier met soms tientallen werknemers. Hijzelf maakt de ontwerpen en gaat de juiste steensoorten uitzoeken. Je mag dan ook stellen dat in 1552 hier de vele delen voor de hoge sacramentstoren van de Leonarduskerk van Zoutleeuw zijn gemaakt en dat heel wat onderdelen van het Antwerpse stadhuis (1561-’64) en het Hansahuis (1564-’68, gesloopt waar nu het MAS staat) hier gerealiseerd werden. En in Wallonië blijft het doxaal van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal uit Doornik anno 1574 het bekijken waard. Dat moet een van zijn laatste werken zijn geweest, want op 20 oktober 1575 overlijdt Cornelis Floris in zijn geboortestad. In het Parijse museum Cluny is Cornelis’ schoorsteenmantel terechtgekomen met zijn wapen en de afbeelding van Scaldis (Schelde) als godin.
HERENHUIS HAGELSTEEN
Everdijstraat 31.
In 1621 verkoopt de familie Van Eeden dit huis aan Cornelis II Lantschot, een van oorsprong Nederlandse familie, die in de 16de eeuw naar Antwerpen komt. Maar ze wijken uit voor wat uiteindelijk een Tachtigjarige Oorlog blijkt te worden naar het hertogdom Gulik, waar Cornelis op 10 februari 1572 het levenslicht ziet in Steyl, nabij Venlo. Cornelis stort zich als koopman en financier succesvol in zaken, gaat eerst in de nu in Frans-Vlaanderen gelegen stad Atrecht (Arras) wonen om van daaruit zijn belangen in Antwerpen te behartigen. Maar rond 1640 is hij al rijk geworden en settelt hij zich in Antwerpen. Hij woont niet in Hagelsteen, dat dan nog één verdieping minder telt, maar aan de Meir in Huis Roose op de plaats waar vandaag het Paleis-op-de-Meir zich verheft.
Wanneer Cornelis op 26 april 1656 overlijdt, blijkt hij bij testament geld te hebben voorzien voor de oprichting van een godshuis, een instelling voor opvang en verzorging van minder bedeelde burgers. Zijn Godshuis Cornelis Lantschot verrijst aan de Falconrui: twaalf éénkamer woningen met zolder voor evenveel gebrekkige oude mannen, ‘die met goede naam en faam geleefd hebben’ zoals Corneel uitdrukkelijk stipuleert. Zijn godshuis omvat ook een binnenplaats en een kapel, gewijd aan de Heilige Rosalia van Palermo, destijds aangeroepen als bescherming tegen de pest.
Men wint de hemel met geweld
Van Cornelis II Lantschot tref je een grafmonument aan in de Sint-Jacobskerk bij de kapel van de Zoete Naam Jezus, met een gedenksteen waarop een lang grafschrift staat te lezen. De laatste twee regels zijn de meest gelezen tekst in heel die kerk: “Men wint den hemel met gewelt / of is te koop met kracht van geldt”. Dat klinkt hedendaags bezitterig, maar Corneel was niettemin iemand die vooral zijn geld uitgaf aan goede doelen, hij heeft zich ‘doodgedeeld’ kan van hem beweerd worden, zeg dus maar een weldoener. In 1629 gaat 18.000 gulden naar de kapucijnen van Brussel voor het bouwen van hun kloosterkerk, 18.000 naar het godshuis voor pestlijders Terbank in Leuven, waar zijn dochter Margriet Lantschot in het klooster verblijft. Royaal wordt ook in 1624 het Turnhoutse begijnhof bedacht met 1000 gulden voor vergroting van de kerk en in 1629 met de schenking van een hoogaltaar. Dat zus Maria daar meesteresse is heeft die gulheid vermoedelijk ietwat beïnvloed. Aan zijn eigen Zoete Naam-kapel schenkt hij 24.000 gulden voor uitdeling van rogge- en tarwebrood en Hollandse kaas aan de armen. En Cornelis was ook aalmoezenier van de Antwerpse Armenkamer, die hij bij testament zijn nalatenschap schenkt, zodat de bouw van zijn godshuis gerealiseerd kan worden. Over de kapel van dat godshuis vertellen we verderop in de Everdijstraat nog een ander verhaal.
Een nazaat en naamgenoot van Cornelis van Lantschot sticht in 1737 in ’s-Hertogenbosch een handel in koloniale waren – koffie, thee, suiker, kandij en rijst – die hij aankoopt van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Dit soort handels zijn voorlopers van onze supermarkten. Wat later legt Cornelis zich toe op financiële producten als obligaties en zijn nazaten richten in 1799 de Nederlandse Bank Van Lanschot op, vandaag actief als private beleggingsbank voor een welstellend publiek. Hoewel er dus geen rechtstreekse band met de Antwerpse Cornelis II bestaat, verwijst die bank graag naar onze zeer rijke Cornelis als min of meer hun stichter.
Het Huis Hagelsteen is intussen meermaals gerestaureerd en heeft in 1880 zijn derde verdieping gekregen. Achter de poort naar een binnenplaats ligt een rondboogarcade met Toscaanse zuilen. Binnenin zijn er restanten van 18de-eeuwse rococoplafonds, versierd met schelpen, druiventrossen en ranken.
Je kan er niet naast kijken, dus nu iets over die hoogbouw links.
POLITIETOREN – Administratief Centrum
Oudaan 15.
Lode Craeybeckx wordt vanaf 1947 burgemeester van Antwerpen. Op dat moment zijn de stadsdiensten verspreid over allerlei gebouwen in de hele stad. Craeybeckx wil daarom één groot gebouw waarin ze allemaal samen zitten.
Daarom wordt hier de volledige linkerzijde van de Everdijstraat tot aan het koor van de kerk onteigend en afgebroken. Architecten Renaat Braem en Maxime Wijnants mogen dat nieuwe administratief centrum ontwerpen. Braem heeft na zijn studie bouwkunst een stage gedaan bij de Frans-Zwitserse architect Le Corbusier, bekend door zijn idee over de functionele stad: wonen, werken, recreatie van elkaar scheiden en via verkeerswegen met elkaar verbinden.
Voorstellen, uitstellen
Er worden liefst veertien voorstellen geformuleerd, waaruit de architecten in september 1950 er een voorleggen aan het stadsbestuur. Maar de stadsdiensten tekenen verzet aan, zodat pas in juni 1951 de opdracht voor het gebouw wordt verstrekt en pas in 1957 staat de definitieve versie van het bouwplan op papier: twee torens, een van 16 verdiepingen hier bij de Lombardenstraat, een tweede lagere nabij de Korte Gasthuisstraat verbonden door een laagbouw van vier verdiepingen. Op 9 oktober 1958 wordt de eerste steen gelegd, eind juli 1960 is de ruwbouw af. Pas najaar 1966 raakt de 76 meter hoge toren voltooid en wordt meteen in gebruik genomen door het stedelijke politiekorps, vandaar dat er over de Politietoren wordt gesproken.
Intussen hebben de architecten niet stilgezeten en hun plannen voor de rest van het administratief centrum aan het stadsbestuur voorgelegd. Maar bij een rondvraag blijkt dat veel stadsdiensten inmiddels al zelf een nieuwe locatie hebben gevonden. En als men zich realiseert dat een kantorencomplex in de binnenstad met het toegenomen verkeer ook niet ideaal is, wordt het hele verdere project afgevoerd en komt op de rest van het grondoppervlak een ondergrondse parking met daarboven een winkelcentrum en woningen, zoals je intussen al hebt gezien.
Nu ook het hoofdkantoor van de politie naar de wijk Berchem is verhuisd met enkel nog een kleiner lokaal kantoor in de Lange Gasthuisstraat, is ook deze hoge toren verkocht aan een projectontwikkelaar. Naar verluidt heeft havenbedrijf Exmar interesse om er zijn hoofdkantoor te vestigen.
Zo kom je bij de Lombardenstraat. Let op je paraplu als het regent en hard waait, het hoge torengebouw zorgt voor onverwachte valwinden.
LOMBARDENSTRAAT
Deze straat is niet spontaan ontstaan, maar in 1546 getrokken op de gronden ‘De Oude Lombaerd’ door Gilbert Van Schoonbeke. Een man waarover een boek geschreven kan worden. En dat is dan ook gebeurd, zelf diverse boeken. Gilbert was een 16de-eeuwse projectontwikkelaar, als hij deze straat laat aanleggen is hij nog bescheiden bezig. Hij koopt gronden om daar straten over te trekken. Vandaag zie je brede trottoirs, maar archeologisch onderzoek bracht fundamenten van huizen aan het licht onder een deel van de rijweg. Aanvankelijk was deze straat eerder smalletjes. Sinds 1964 beheerst het Sint-Lodewijksinstituutde rechterzijde.
Lombarden
Hoe zit het met die Lombarden? Dat waren Italianen uit Lombardije, vaker zelfs uit Piëmonte, die dankzij financiële kennis uit hun vaderland weten hoe internationale geldzaken geregeld kunnen worden. Naast betalingen over grote afstanden zijn ook transacties in verschillende munten belangrijk. Zij duiken eerst op bij de jaarmarkten van de Franse Champagnestreek. Ze zetten hun kramen op die markten neer met op een tafel een weegschaal en zakken munten. Het Italiaanse woord voor een tafel is ‘banca’ en daardoor spreken we nu over een ‘bank’ als het gaat over instellingen met geld als handelsactiviteit.
Wanneer die jaarmarkten eind 13de eeuw steeds minder floreren, trekken de Lombarden naar de grote Europese steden waar handel plaatsvindt. Ze vestigen zich in gebouwen en worden ook kredietinstellingen, waar geld tegen doorgaans hoge rente wordt uitgeleend. Deze Italianen blijven in hun eigen groep leven en sluiten onderling huwelijken. Naast hun kennis en de schaarste op de geldmarkt speelt ook mee, dat christenen geen rente mochten vragen op leningen, dus zelf niet aan de geldhandel konden deelnemen.
Stilaan wordt ook aan minder bemiddelde burgers geld geleend voor kortere termijnen, waarbij een onderpand wordt gevraagd. Bij terugbetaling krijgt de ontlener zijn bezit terug. Wordt de termijn overschreden, dan kan de kredietgever het goed verkopen. Zo gaan de mensen spreken over ‘iets naar de lommerd brengen’.
Die instellingen voor de gewone man duiken in veel steden op, maar de te betalen rentesom is erg hoog. Lenen wordt een dure aangelegenheid, die zich hier aan de Lombardenvest afspeelt.
Bergen van Barmhartigeheid
Nu duikt Wenceslas Coberger op. Hij heeft in Italië gezien dat daar de Staat zelf dergelijke leenbanken heeft opgezet onder de naam Montes de Piétates, lettelijk Bergen van Barmhartigheid. Geldbergen waarbij de leenrentes veel lager liggen en waar geleend wordt tegen het inleveren van een of ander voorwerp – kleding, halsketting, huisraad…
Wij worden in die dagen bestuurd door de aartshertogen Albrecht en Isabella en Cobergher stelt hen voor om ook hier zulke leenbanken op te zetten. Dat gebeurt in heel wat steden, in Antwerpen in een gebouw aan de Venusstraat nabij de Stadswaag.
Enkel in de Brusselse volkswijk de Marollen werkt nog steeds zo’n Berg van Barmhartigheid in de Sint-Gisleinstraat en daar wordt tegenwoordig weer drukker gebruik van gemaakt. Kun je het geleende bedrag niet tijdig aflossen, dan wordt jouw binnengebrachte stuk openbaar verkocht. Van de opbrengst wordt het geleende bedrag met rente en kosten afgetrokken, wat dan eventueel overblijft krijg je uitbetaalt.
Nu verder rechtuit de Everdijstraat door met meteen links:
SACRISTIE SINT-AUGUSTINUSKERK
Everdijstraat.
Hier zie je het achterste gedeelte van de Sint-Augustinuskerk, dat je binnen in de kerk niet ziet. Het ligt achter het kerkkoor. Hier zie je een aparte toegang vanuit de Everdijstraat. Even lezen wat er boven de deur staat:
D.O.M. B. VIRGINI MATRI ET PATRI AVGVSTINO SACRVM
De eerste drie letters staan voor Deo Optimo Maximum – Aan de Opperste God. B(eatus). Virgini Matri – Gelukzalige Moeder Maagd (Maria) en Patri Avgvstino Sacrvm – Heilige Vader Augustinus. Sommige mensen hebben een wat kortere naam op hun deur staan, maar je weet hier tenminste waar je binnenstapt.
Ja, waar zou je hier eigenlijk binnenstappen? In een kloosterkerk, gebouwd tussen 1615 en 1618 als deel van het grote augustijnen-observantenklooster en goeddeels betaald door ons vorstenpaar Albrecht en Isabella. Architect Wenceslas Coeberger zal later voor datzelfde echtpaar nog de basiliek van Scherpenheuvel bouwen, het bekendste bedevaartsoord van Vlaanderen.
Even verderop passeer je links drie huizen.
HIERONYMUS – AUGUSTINUS – GREGORIUS
Everdijstraat 10-12.
Drie huizen, allemaal met een heiligennaam, voorafgegaan door een H. of een S. om hun status voor elkeen duidelijk te maken.
Hieronymus van rond 1582 is hersteld in 1925 en genoemd naar één van de vier kerkvaders van de katholieke Kerk. Thans samengevoegd met nr.8, heeft dit huis in plaats van een achtertuin een dakterras op het huisdeel dat enkel uit een begane grond bestaat.
Augustinus en Gregorius waren oorspronkelijk twee aparte panden, behorend bij de kerk. Via hun namen vullen ze de kerkvaders. Zo’n kerkvader is een geestelijke die tijdens zijn actieve leven veel heeft bijgedragen tot de inhoudelijke vorming van de geloofsleer van de Kerk. Zij dachten en schreven over allerhande onderwerpen en ze gaven hun visie hoe de Kerk daar tegenover moest staan. Elk nieuw geloof roept immers vragen op over hoe het in de dagelijkse praktijk beoefend moet worden, hoe je houding als gelovige tegenover allerlei ideeën, gebeurtenissen en gebruiken dient te zijn.
Hiëronymus van Sidon leeft van 347 tot 420. Geboren in Dalmatië gaat hij studeren in Rome, maar reist dan naar Antiochië, een grote stad in het oosten van het Romeinse Rijk, vandaag Antakya in Turkije. Als Hiëronymus er verblijft is de stad na Rome de grootste van het Rijk en komen er veel handelsroutes samen. Maar Hiëronymus trekt zich terug in een woest gebied buiten de stad, waar hij een tot christen bekeerde jood ontmoet, die hem Hebreeuws leert. De paus geeft hem opdracht een eigentijdse Bijbelvertaling te maken en hij doet dat in alledaags Latijn, zodat ook gewone mensen die kunnen lezen. Uiteindelijk gaat Hiëronymus als kluizenaar in Bethlehem leven, waar hij ook sterft. Het belang van deze kerkvader ligt in het doorgeven van Griekse en Joodse kennis aan het Westen.
Augustinus was bisschop van Hippo in Noord-Afrika en dacht veel na over de Drievuldigheid van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Bij hem hoort dan ook het verhaal van zijn strandwandeling. Hij ontmoet daarbij een jongetje dat met een emmertje water uit de zee schept om dat in een op het strand gegraven putje te kieperen.
Augustinus: “Wat ben je aan het doen?” Jongetje: “Ik wil de zee in dit putje scheppen.”
Augustinus: “Dat kan toch helemaal niet.” Het jongetje antwoordt: “Ik zal eerder de zee in dit putje krijgen dan dat jij het mysterie van de Drie-Eenheid zal doorgronden.”
Gregorius de Grote levend tussen 540 en 604 is aanvankelijk prefect van Rome en daardoor verantwoordelijk voor de ordehandhaving. Van welstellende afkomst treedt hij pas als geestelijke in bij Roomse Kerk als zijn vader sterft.
In die dagen wordt het Romeinse Rijk bedreigd door de Longobarden en de keizers hebben daar geen effectief antwoord op, het Rijk is in verval en er wordt honger geleden. Als paus treedt Gregorius op als een politicus. Hij zorgt met geld uit de pauselijke schatkist voor voedsel en legt politieke contacten. Ook neemt hij het initiatief om het christendom in Engeland bekend te maken door het sturen van missionarissen. Pas in 1295, lang na zijn dood, wordt hij tot kerkvader benoemd. Maar de naam Gregorius doet vooral denken aan de typische kerkmuziek, het gregoriaans. Maar dat is geen vondst van hem, die muziek bestond al veel langer.
Verbouwingen
Al in 1916 laat de kerkfabriek van Sint-Augustinus een restauratie-ontwerp opmaken door architect Jan De Vroey voor deze drie panden. Maar het is nog volop Eerste Wereldoorlog en daardoor volgt uitstel. In 1923 komt er een nieuw ontwerp van de architecten Vincent Cols en Jules De Roeck, maar enkel voor de ‘Heilige Hiëronymus’ en dat wordt dan ook in 1924 en 1925 uitgevoerd.
Datzelfde architectenduo mag in 1928 nog eens aan de slag met een ontwerp voor beide andere panden, de Sinten Gregorius en Augustinus. Maar die huizen blijken inmiddels zo bouwvallig, dat ze worden gesloopt en daarna helemaal opnieuw worden opgebouwd, een werk dat al in 1929 gereed komt. Daarbij is teruggegrepen naar het oude ontwerp van Jan De Vroey. Maar deze ‘oude’ gevels dateren dus uit de 20ste eeuw.
Die manier van restaureren, waarbij gestreefd wordt naar een ideale toestand zoals die ooit geweest kon zijn, was op dat moment nog gebruikelijk. Nu zou zoiets niet meer mogen. Want de trapgevels waren in de 19de eeuw, dus lang vóór de restauratie, al veranderd in puntgevels, de muren waren bepleisterd – dus wit – en de ramen rechthoekig zonder kruiskozijnen. Deze huizen zagen er voor de restauratie uit als wat je nu ziet bij huisnummer 8. Ook de rondboogdeur van nr.10 is gereconstrueerd en heeft bovenaan een zogeheten diamantkop. Dat is een steen met een naar voren wijzende punt, in Antwerpen ook wel karbonkel genoemd.
Bekijk nu de huizen aan de andere straatkant.
DE STAD DUINKERKE
Everdijstraat 13.
Wie wat hogerop naar deze gevel kijkt, ziet een hardstenen plaat waarop je leest “In dit huis woonde Adriaan DE BROUWER Kunstschilder 1606-1638 bij Pauwel DU PONT Plaatsnijder 1603-1658”. Wie zijn dat?
Du Pont, ook wel Pontius genoemd in de zeventiende eeuw, was een etser. Geboren in Antwerpen op 27 mei 1603 begint hij op zijn dertiende eerst schilderlessen te volgen, om vrij snel van idee te veranderen en over te stappen op etsen. Als leermeester had hij wel meteen de beste in dat vak, de etser van Pieter Paul Rubens, Lucas Vorsterman.
Vorsterman was al op zijn 23ste bij Rubens aan de slag kunnen gaan, aanvankelijk tot zeer grote tevredenheid van de schilder, die dacht de jongeman naar zijn hand te kunnen zetten. Dat liep anders af, want als Rubens rond 1620 een soort copyright krijgt op reproductie, dus het afdrukken van zijn etsen, is Vorsterman het daar niet helemaal mee eens. Hij vindt dat de graveur in feite de ets realiseert, terwijl Rubens juist van mening is dat de ontwerper – hijzelf dus – het belangrijkste werk verricht en dus de grootste vergoeding toekomt. Het geschil tussen beiden loopt hoog op en er schijnt zelfs een handgemeen of aanval van Lucas op zijn opdrachtgever te zijn voorgevallen. In elk geval vertrekt Vorsterman in 1624 naar Engeland, waardoor Pauwel Du Pont zijn plaats kan innemen. De relatie met Rubens is zo goed, dat Pauwel bij hem inwoont tot 1631. Intussen is hij in 1627 ook opgenomen in het Sint-Lucasgilde als kopersnijder en in 1634 treedt hij ook toe tot de rederijkerskamer De Violieren. In 1638 wordt hij hier eigenaar van de gebouwen van de oude brouwerij De Lelie in de Everdijstraat.
Pauwel Du Pont vertrekt ook enkele jaren uit Antwerpen, maar keert in 1640 terug naar hier. Dan laat hij de oude brouwerijgebouwen slopen om hier in 1641 ‘De Stad Duinkerke’ neer te laten zetten, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen.
Naast voor Rubens heeft Pontius ook gegraveerd voor de schilders Antoon van Dyck, Jacob Jordaens, Gaspar De Craeyer (de ‘Rubens’ voor wie de grote meester niet kon betalen, dus veel schilderijen voor kleinere kerken), Titiaan en Diego Velázquez, kortom een lijstje dat het goed doet op je curriculum vitae. Maar wellicht was die grote bedrijvigheid voor Pauwel wel een noodzaak. De man is driemaal getrouwd geweest en hield daar drie zonen en vier dochters aan over. Jawel, 55 jaar lang een rijk gevuld leven dat eindigt op 16 januari 1658.
Adriaan (De) Brouwer is in 1606 geboren als zoon van een Oudenaardse tapijtontwerper en komt dus meteen in een kunstzinnig milieu terecht. Maar reeds in zijn jeugdjaren begint de beroemde Oudenaardse wandtapijtproduktie te tanen. De familie besluit naar het Nederlandse Gouda te vertrekken, waar Adriaans vader opnieuw aan de slag kan in de tapijtnijverheid. Brouwers zoon legt contacten in het nabije Haarlem en is in de leer geweest bij Frans Hals, zelf een schilder met Antwerpse roots. Hals maakt een beetje misbruik van Adriaans talent, door hem doeken te laten schilderen die Frans zelf signeert en verkoopt als eigen werk. Brouwer wordt er dus niet rijk van. Hij vertrekt dan ook in 1626 naar Amsterdam, waar hij inwoont en werkt bij de Vlaamse schilder-herbergier Barend Van Someren.
Maar al na enige jaren keert Brouwer terug naar het zuiden, eerst naar geboortestad Oudenaarde, waar hij in 1630 de Schepenzaal (thans Trouwzaal) van het monumentale stadhuis decoreert met “De Vijf Zinnen”. Het jaar daarop naar Antwerpen, waar hij uitgebreide kroegentochten onderneemt en staat ingeschreven bij het Sint-Lucasgilde van de schilders. Maar na een korte reis naar Haarlem wordt Brouwer bij zijn terugkeer naar Antwerpen in 1633 plots gevangen genomen en opgesloten in Het Steen, mogelijk omwille van belastingschulden. Hij zou er naar verluidt zijn cipiers hebben leren schilderen. Ook bakker Joos van Craesbeeck, die brood levert aan de gevangenis, leert hij met penselen omgaan.
Nadat hij door bemiddeling van Rubens weer op vrije voeten is gesteld, gaat hij in het huis van Van Craesbeeck aan de Kloosterstraat wonen. Joos krijgt de smaak van het schilderen zodanig te pakken dat hij zijn ovens dooft en verder met enig succes als schilder de kost zal verdienen. Brouwer wordt lid van de Antwerpse rederijkerskamer ‘De Violieren’, die vandaag nog een lokaal hebben op de Sint-Nicolaasplaats. Bekende Brouwer-werken als De Kaartspelers, De Drinkebroers en Het Herberginterieur stammen uit die periode.
Mocht je de indruk hebben dat de carrière van Adriaan amper van de grond komt, niets is minder waar. Rubens behoort tot zijn fans en klantenkring en koopt zo’n 17 schilderijen van Adriaan. Ook Antoon Van Dyck knoopt banden aan met Brouwer en schildert diens portret. In het noorden bezat Rembrandt van Rijn zes ‘brouwerkens’, zoals zijn werken op tamelijk klein formaat werden aangeduid. En hij koopt later ook Brouwers schetsboek. Maar amper 33 jaar, sterft Adriaan in Antwerpen begin 1638 aan de pest en wordt op 1 februari van dat jaar in de karmelietenkerk aan de Wapper begraven.
Maar hoe zit het nu met dat wonen van Adriaan Brouwer bij Pauwel Du Pont in de Everdijstraat? Dat heeft merkwaardig genoeg nooit plaatsgevonden en was ook onmogelijk omdat ‘De Stad Duinkerke’ pas drie jaar na Adriaans dood gebouwd is.
Natuurlijk heeft ook Pauwel Du Pont deze gevel nooit zo gezien, want die dateert uit de vroege 19de eeuw, wellicht met een oudere kern.
LIVING STONE ART
Everdijstraat 11.
Dit huis springt vooruit in deze straat en heeft dan ook een oude kern, die van voor de straatverbreding in 1921 dateert. Het gelijkvloers is recent ingenomen door kunstgalerij Living Stone Art met zoals de naam al laat vermoeden beeldhouwwerk. Hier uitsluitend hedendaags en van Afrikaanse kunstenaars die nog leven en werken, géén antiek, géén tweedehands.
SOCIALE APPARTEMENTEN WOONHAVEN
Everdijstraat 1-3-5 en Kammenstraat 57-65.
Voor de Eerste Wereldoorlog staan er op deze plek een tiental rijhuizen in verschillende uitvoeringen. In een daarvan, Kammenstraat 65, heeft de 15-jarige Lieven Gevaert gewoond, samen met zijn moeder Maria Bruynseels. In 1883 was daar hun zaak Veuve L(ouis) Gevaert & Fils, waar inlijstingen werden gedaan van schilderijen en spiegels, waarnaast ook gravures werden verkocht.
Er waren plannen om aan de winkel een fotoatelier toe te voegen. Maar al in 1885 is de zaak gestopt en in 1886 en ‘87 is Lieven bij Antwerpse fotografen gaan werken. Moeder en zoon zullen zich toeleggen op het vervaardigen van fotopapier voor de afdrukken en wanneer dat succes kent verhuizen naar de Montignystraat op het Zuid en in 1896 naar de Heilig Kruisstraat in Mortsel, waar Lieven vooral calciumpapier voor het afdrukken produceert. Tussen 1904 en 1906 worden aan de Mortselse Septestraat de eerste gebouwen opgetrokken voor het grote Gevaertbedrijf, dat na de Tweede Wereldoorlog door overname van het Duitse AG Farben bekend wordt als Agfa-Gevaert.
Straks kom je nog langs Lievens geboortehuis.
Eerste Wereldoorlog
Wanneer in de Eerste Wereldoorlog de Duitsers oprukken tot voor Antwerpen stellen ze een ultimatum om de stad over te geven. Aanvankelijk weigert het stadsbestuur daarop in te gaan en daarom volgen er vreselijke Duitse beschietingen van 7 tot 9 oktober 1914.
Daarbij worden monumentale gebouwen evenwel gespaard, want bij de inname van Leuven hadden de Duitsers het rectoraat van de universiteit geraakt, waarbij de bibliotheek met kostbare incunabelen – ingebonden boeken uit het begin van de drukkunst – verloren waren gegaan. Intellectuelen spraken wereldwijd over de barbaarse Duitsers, die onvervangbaar cultuurgoed vernietigden. Keizer Wilhelm wilde herhaling voorkomen en gebood zijn generaals voortaan monumenten te sparen, zodat gewone woonhuizen nu het doelwit werden. Daarbij zijn hier die rijhuizen totaal verwoest, alleen fundamenten en tegels van de kelders zitten nog onder de binnenplaats en de tuin.
Na WO I wordt de Samenwerkende Maatschappij Le Foyer Bourgeois opgericht, die het hele terrein aankoopt. Dit privé-initiatief wil hier een woon- en handelscomplex bouwen en neemt daartoe architect Daniel Rosseels in de arm. Die komt op 15 januari 1921 met een eerste ontwerp, waarbij de buitengevel in een soort art-nouveaustijl is gedacht, met op de afgeronde hoek ornamenten en ook puntgevels. Voor Rosseels echter met de bouw kan starten overlijdt hij plots op 7 januari 1923, 41 jaar oud.
Rosseels wordt opgevolgd door architect Jean-Laurent Hasse, die zal samenwerken met het Bureau Technique du Batiment Teknon. Hij behoudt het idee van vier winkels met woongelegenheid, drieënveertig huurappartementen en een conciërgewoning in twee aaneengesloten blokken in U-vorm rond een binnenplaats.
In oktober 1922 wordt de bouwaanvraag ingediend door Bureau Teknon van de Gentse ingenieur-aannemer Arthur D’Havé, gespecialiseerd in betonbouw. In december van datzelfde jaar volgt de bouwvergunning en kan de aannemer van start gaan. Jean-Laurent heeft intussen de buitengevel aangepast aan een nieuwe bouwstijl, art deco met imitatie natuursteengroeven. In 1925 is het hele gebouw gereed voor bewoning.
Van huurhuizen tot sociale woningen
In 1982 is het woon- en handelscomplex eigendom van de n.v. Habitations Modernes, maar blijkbaar rendeert het niet langer, want er is zichtbare verkrotting aan het optreden. De sociale huisvestingmaatschappij ‘De Goede Woning’ koopt het geheel over en zal tussen 1980 en 1984 een grondige renovatie laten uitvoeren onder leiding van architecten Luc Denies en Frans Ramaekers.
De vroegere conciërgewoning onder de poort is vandaag onderaan fietsenstalling, terwijl de bovenverdieping bij het hoger liggende appartement is gevoegd. Ook het oude toegangshek bleef behouden. Intussen heet de huisvestingsmaatschappij ‘Woonhaven‘.
Laundry Day
In dit gebouw is in 1998 een popfestival geboren. Waar nu ‘Rings and Things‘ in de hoekwinkel huist, had voorheen Luc Carpentier samen met zijn zus Mich de bijzondere tweedehandsboetiek ‘Naughty I‘ . Luc nam in 1998 het initiatief om in de Kammenstraat een straatfeestje te organiseren met een reeks dj-stands onder de naam Laundry Day. Over de straat gespannen waslijnen met allerhande kledingstukken brachten die naam ook in beeld. Vooral het daar ook aan ophangende ondergoed wekte veel enthousiasme bij de kinderen van bewoners van de sociale appartementen, die met hun ouders naar de avondlijke opbouw kwamen kijken.
Top Hat en een oorlogsbruidje
Soms staan er plots mensen op de binnenplaats van dit gebouw, die hier vroeger gewoond hebben. Zo was er een Amerikaans echtpaar, waarvan de vrouw in haar jongere jaren in een van deze appartementen had gewoond. Zij was na de Tweede Wereldoorlog als oorlogsbruidje met een Amerikaanse soldaat naar de USA overgestoken en ze waren nu hun Europese ‘roots’ aan het bezoeken, want zijn familie was ooit uit Zwitserland gekomen.
Het was voor Antwerpse vrouwen niet moeilijk om Amerikaanse soldaten te ontmoeten op het eind van de Tweede Wereldoorlog.
Op Linkeroever was na het oorlogseinde een enorm Amerikaans kamp aangelegd met de naam Top Hat. Dat was nodig omdat de vele Amerikaanse soldaten die in Europa hadden gestreden weer terug naar huis moesten en dat gebeurde per schip. Maar er waren veel te weinig schepen om hen allemaal tegelijk terug te brengen, dus moest hier gewacht worden in ‘Top Hat’. Er waren daar naast slaap- en eetgelegenheden ook cafés, ijssalons, sportterreinen en cinema’s. Maar uiteraard brachten die Amerikanen ook bezoekjes aan het Antwerpen aan de overkant.
Opmerkelijk, nadat het Amerikaanse ‘Top Hat’ was opgeheven hebben de Russen op een klein stukje van datzelfde terrein nog een gebouw gezet, compleet met klein binnenzwembad. Daar konden bemanningen van Russische schepen in de Antwerpse haven verblijven. Zo werd teveel contact met die verfoeilijke westerse beschaving vermeden.
Voor je de Kammenstraat inslaat nog even iets over de straatnaam van de Everdijstraat, een persoonsnaam. We laten die man zelf aan het woord:
“Al sinds 1282 draagt deze straat mijn naam: Everdeius van Lillo. Nee, ik heb hier nooit gewoond, maar heb er een tuin gehad, niet te ver buiten de stadsvesten. Tussen 1286 en 1290 ben ik schout van Antwerpen geweest, jullie zouden dat vandaag hoofd van de politie noemen. Het was geen onaardige functie binnen een stadsbestuur in het Brabantse hertogdom, waarvan Antwerpen een van de vier hoofdsteden was naast Brussel, Leuven en ’s-Hertogenbosch. Tegelijk was ik ook hoofdman van de Jonge Voetboog, een van de schuttersgilden die instonden voor de verdediging van de stad.
Wanneer de Brabantse hertog Jan I in 1288 een gewapend conflict gaat uitvechten om het bezit van het hertogdom Limburg, ben ik daarbij van de partij. Het gaat niet over de huidige provincies Belgisch en Nederlands Limburg, maar over een hertogdom nabij de Voerstreek, deels in het huidige Wallonië met Limbourg als hoofdplaats. Daarvan is nu nog een restant terug te vinden bovenop een heuvel. Hertog Jan werd gesteund door de graaf van Loon (da’s nu een deel van het huidige Belgisch Limburg, toen met Borgloon als hoofdplaats) en burgers van de stad Keulen, die te lijden hadden van verstoring van hun handel door aanhangers van de Keulse bisschop.
Onze tegenstanders bestonden uit troepen van het graafschap Luxemburg, het graafschap Gelre (dat zich toen ook uitstrekte over delen van het huidige Nederlands Limburg) onder leiding van graaf Reinoud I, plus volk van de aartsbisschop van Keulen en troepen van het hertogdom Limburg. Onze hertog Jan wil voorkomen dat Limburg in handen van de Gelderse graven valt, eeuwige rivalen van Brabant, die er via erfopvolging recht op claimen.
Op 5 juni 1288 wordt de strijd beslist in de beroemde Slag bij Woeringen nabij de burcht van de Keulse bisschop in het voordeel van ons, de Brabanders. Het Limburgse hertogdom komt voor vijf eeuwen in bezit van onze Brabantse hertogen en hun nakomelingen. Zoek je de plek van onze veldslag? Worringen is vandaag een noordelijk stadsdeel van Keulen.
Wie onze wandeling enigszins wil verkorten gaat hier links de Kammenstraat in.
Sla rechtsaf, dan ben je in de
KAMMENSTRAAT
De Kammenstraat en omgeving was van oudsher de Antwerpse brouwerswijk. Het oude Vlaamse woord voor brouwerij was Camme. Dat juist hier die brouwerijen kwamen houdt verband met de aanwezigheid van zoet grondwater, dat in putten wordt opgevangen.
Als er wat later gebrek aan zoet water ontstaat, gaan de brouwerijen dat halen bij de Wapper, waar zoet water toestroomt via de Herentalse Vaart. Aan het eind van deze route kom je daar nog langs.
Vanaf midden 16de eeuw gaat deze brouwactiviteit in de Kammenstraat achteruit, wanneer in het noorden van de stad Gilbert van Schoonbeke een modernere brouwerswijk sticht.
Even verder rechts kom je aan een poort met daarop weer een kruisweg.
WITZUSTERKLOOSTER – Sint-Egidiusvereniging
Kammenstraat 51.
Op die poort met calvarie luisteren Johannes en Marie hoe Maria-Magdalena haar orchieën opbiecht. Bij de witzusters hier was zij welkom.
Broeder Geeraert – binnen de kloostermuren Geroldus – sticht hier in 1312 een huis om zondaressen her op te voeden tot goede en godsvruchtige vrouwen. Geen min programma. Hij weet er de witzuster voor te spannen, evenals hertog Jan II van Brabant. Deze laatste hoeft zich niet persoonlijk met die vrouwen in te laten, enkel toe te staan dat in zijn hele hertogdom gebedeld mag worden voor dat goede doel. En … dat niemand een hier gevluchte vrouw onderdak verschaft of er mee omgaat, op straffe van gevangenis.
Dergelijk dames veranderen niet in een handomdraai in zedige kwezels, zo blijkt uit het afzetten in 1527 van moeder-overste en het paal en perk stellen aan het gekrakeel van de zusters, die elkaar verwijten over hun vroegere beroepsbezigheden naar het hoofd slingeren.
HOMELESS JESUS
Kammenstraat 51.
Achtereen ligt op een bank tegen de kapel een dakloze, homeless Jesus. De uit Italië stammende reljigeuze Sint-Egidiusvereniging die hier huist bekommert zich inderdaad om mensen die ergens op hun levensweg uit de boot zijn gevallen. Zij krijgen via Kamiano een gratis maaltijd, een luisterd oor en wat aanwijzingen om weer op de weg te raken in een grootstad.
Het ligbeeld mét bank is in 2013 gemaakt door de Canadese beeldhouwer Timothy Schmalz. Maar dat was niet dit exemplaar, maar het kwam terecht op een Canadese theologische opleiding van de jezuïten. Intussen zijn er heel wat kopieën over een flink aantal steden en landen verspreid.
Sla linksaf de IJzerenwaag in.
SMALSTE HUIS VAN ANTWERPEN ?
IJzerenwaag 7.
Met zijn breedte van 4,10 meter was dit oorspronkelijk een winkelhuis met twee verdiepingen van elk 38m2.
Smal, maar nochtans een realisatie van de bekende Antwerpse architect Jos Bascourt.
Maar voor het echte smalste Antwerpse huis moet je richting stadswaag, waar het sinds 2006 in Huikstraat 47 vier verdiepingen hoog oprijst. Elke verdieping is 2,40m breed, 5,50m lang en 3,00m hoog. Het is volledig opgetrokken uit glas met op elke verdieping een andere kleur. Een idee van de architect, verwijzend naar de rosse buurt uit de omgeving, hoewel het zelf een gewone rijwoning is.
Overigens ontlenen nabije zijstraten van de Kammenstraat, met name de Sleutelstraat en de Zwaardstraat (nu enkel vanuit de Nationalestraat toegankelijk) ook hun naam aan de brouwerijen.
Vanaf dat moment vestigt zich hier een nieuw type bedrijf en wordt de Kammenstraat samen met de Lombardenvest de Antwerpse drukkerswijk.
Vandaag vloeit er slechts bij mondjesmaat bier, zeer recent is deze straat van een wat saaie doodse winkelbuurt ‘omgeturnd’ tot een straat vol hippe winkeltjes.
WITZUSTERKLOOSTER – Sint-Egidiusvereniging
Kammenstraat 51.
Op een opvallende poort met calvarie luisteren Johannes en Maria toe hoe Maria-Magdalena haar orgieën in de mega-dancing opbiecht. Bij de witzusters hier was zij welkom. Broeder Geeraert – binnen de kloostermuren Geroldus genoemd – sticht hier in 1312 een huis om zondaressen een heropvoeding tot goede en godvruchtige vrouwen te bezorgen. Geen min programma. Hij weet er de witzusters voor te spannen, evenals hertog Jan II van Brabant. Deze laatste hoeft zich niet persoonlijk met die vrouwen in te laten, hij moet enkel maar toestaan, dat er in het hele hertogdom gebedeld mag worden voor het goede doel. En … dat niemand een hier gevluchte vrouw onderdak mag verschaffen of er omgang mee mag hebben, op straffe van gevangenis. Dat doet denken aan tegenwoordige sekten, intreden kan probleemloos, weer buitenraken is een andere zaak. Dat dergelijke dames niet in een handomdraai in zedige kwezels te veranderen zijn, blijkt uit het afzetten in 1527 van moeder-overste en het paal en perk stellen aan het onderlinge gekrakeel van de zusters, die elkaar verwijten over hun vroegere beroepsbezigheden naar het hoofd slingeren.
In het middeleeuwse mirakelspel Marieken van Nieumeghen, gaat de hoofdpersoon na haar zeven zondige Antwerpse jaren uiteindelijk ook boete doen in een witzustersklooster, dat van Maastricht.
HOMELESS JESUS
Kammenstraat 51.
Achteraan ligt op een bank tegen de kapel een dakloze, homeless. De uit Italië stammende religieuze geleenschap bekommert zich inderdaad om mensen die ergens op hun levensweg uit de boot zijn gevallen. Zij krijgen via Kamiano gratis een maaltijd, een luisterend oor en wat aanwijzingen om weer op de weg te raken in een grootstad.
Het ligbeeld mét bank is in 2013 gemaakt door de Canadese beeldhouwer Timothy Schmalz. Maar dat was niet dit exemplaar, maar kwam terecht voor de hoofdingang van het Regis College, een theologische opleiding van de jezuïeten, verbonden aan de universiteit van het Canadese Toronto. En in december 2017 maakt Timothy er nog een fiberglas versie van voor het aartsbisdom Baltimore, die is gaan rondreizen langs scholen, parochiekerken en instituten om in 2018 terug te keren naar Schmalz.
Thans huist in deze kapel de Sint-Egidiusvereniging, die gratis maaltijden verschaft aan wie in deze kapitalistische Internet-tijden uit de boot valt. Wie rond etenstijd aan de poort in de Lombardenstraat gaat kijken, stelt vast dat het om tientallen mannen en vrouwen gaat.
Nu linksaf, de IJzerenwaag in.
SMALSTE HUIS VAN ANTWERPEN ?
IJzerenwaag 7.
Met zijn breedte van 4,10 meter was dit oorspronkelijk een winkelhuis met twee verdiepingen erboven van elk 38m₂. Smal, maar nochtans een realisatie van de bekende Antwerpse architect Jos Bascourt
Maar voor het echte smalste Antwerpse huis moet je richting Stadswaag, waar het sinds 2006 in Huikstraat 47 vier verdiepingen hoog oprijst. Elke verdieping is 2,40 m breed, 5,50m lang en 3,00 m hoog. Het is volledig opgetrokken uit glas met op elke verdieping een andere kleur. Een idee van de architect, verwijzend naar de rosse buurt uit de omgeving, hoewel het zelf een gewone rijwoning is.
IJZERENWAAG
Op het pleintje aan het eind van deze straat werd vanaf 1500 ijzer en koper gecontroleerd op de juiste maat en het goede gewicht. Dat was een verplichting waarop een soort belasting werd geheven, de ‘waghetol’. Rond die tijd werd ook het stukje straat tussen de Kammenstraat en die IJzerenwaag aangelegd. Sinds zomer 1978 is dat een verkeersvrije straat.
Voor je zie je een vierkante paal, die herinnert aan de toneelklucht ‘Trijntje Cornelis’ van Constantijn Huygens. Hij was al 57 jaar toen hij die klucht in 1653 schreef.
TRIJNTJE CORNELIS
De Zaanse schipper Klaas Gerrits komt naar Antwerpen. Terwijl hij samen met zijn knecht Kees de lading versleept gaat zijn vrouw Trijn een wandeling door de stad maken. Daarbij komt ze terecht in de Lepelstraat, zich er niet van bewust dat het om een slecht bekende buurt gaat. Ze wordt aangesproken door Maai, een prostitué die zich voorgeeft als verre familie van Trijn en ze nodigt haar binnen uit. Daar laat ze Trijntje enkele glazen sterke wijn drinken, zodat ze half dronken niet meer goed weet wat er met haar gebeurt.
Dan komt net Francesco langs, een van Maais klanten en samen ontdoen ze Trijntje van haar mooie kleren en hullen haar in versleten spullen. Daarna versleept Francesco haar een flink eindje verder en laat Trijn achter op een mestvaalt – die is destijds dus hier bij deze paal. Daar wordt Trijntje door een een nachtwaker gevonden, die haar naar het schip terugbrengt, waar ze opgevangen wordt door knecht Kees.
Als hij hoort wat Trijn is overkomen, wil hij wraak nemen op die twee die haar hebben aangerand. Ze zeggen niets tegen schipper Klaas, maar als ze later die dag Maai en Francisco op de kade zien wandelen lokt Kees hen naar het schip. Daar krijgen ze een geweldig pak slaag van hem en ze verwisselen hun kleren voor de vodden die Trijn moest dragen en een oude plunje van Kees. Een ware ‘boontje komt om zijn loontje’ klucht.
Wandel naar links en ga het pleintje rond. Je passeert zo ook de Zwaardstraat, genoemd naar een van de brouwerijen uit deze wijk. Ga verder naar de voorzijde van dit plein.
THEODOOR VAN RIJSWIJCKPLAATS
Circa 1505 aangelegd, aanvankelijk Plein van de IJzerenwaag. Naar aanleiding van de overbrenging van het beeld van Theodoor Van Rijswijck werd de naam gewijzigd in 1884, eerst kortweg Van Rijswijckplaats geheten. Sinds zomer 1978 de volledige naam en verkeersvrij.
In het midden een omheind plantsoen waarin het standbeeld van de Antwerpse volksdichter Theodoor Van Rijswijck. Een realisatie van Léonard De Cuyper, aanvankelijk onthuld in 1864 in het stadspark, maar in 1884 verplaatst naar hier. Van Rijswijck mag dan geen grote literaire naam zijn, maar al tijdens zijn leven was hij alom bekend bij het Antwerpse volk.
Ga naar links en sla even verderop tegenover het ierse café An Sibhin weer linksaf, zodat je in de Sleutelstraat belandt. Zo zagen vroeger veel Antwerpse straatjes eruit, maar zelfs hier verstoort nieuwbouw dat ietwat nostalgische beeld.
SLEUTELSTRAAT 13
Op de twee poorten van dit huis zie je fraai bewerkte makelaars, deurlatten dus. Er is ook nog een pompzwengel naast de deur bewaard gebleven.
POËTISCHE TEKST
Sleutelstraat 16.
Een idee van theaterman Aad Joachim.
SLEUTELSTRAAT 13
Op de twee poorten van dit huis zie je fraai bewerkte makelaars, deurlatten dus. Er zijn ook nog een pompzwengel en pompmond naast de deur bewaard gebleven.
EENKAMERHUISJE
Sleutelstraat 23.
Oorspronkelijk een éénkamerhuisje zonder verdieping uit de tweede helft van de 16de eeuw. Eigenaar De Lelys laat het in 1962 achteraan verhogen met een dakverdieping. Wie hier woont gaat binnen door een fraai korfboogdeurtje in zandstenen omlijsting. Knus, dat wel.
SLEUTELSTRAAT 29
Traditioneel breedhuis, dat teruggaat tot de 16de en de eerste helft van de 17de. Let even op de gietijzeren sleutel rechts naast de voordeur. Dat is het merkteken van brouwerij De Sleutel, die ooit hop deze plaats was gevestigd. Een van de vele in de Kammenstraatwijk.
Gaat je blik nu even naar het straateinde dan zie je daar hoe boven een klassieke trapgevel dat grote moderne gebouw waar je in de Everdijstraat langs kwam uittorenend.
ONZE-LIEVE-VROUW LICHTMIS
Sleutelstraat 33.
Deze Maria behoorde bij een Buurtschap, een vereniging van bewoners die het beeld verzorgden en het bij Mariafeesten versierde. De gekroonde Onze-Lieve-Vrouw staat op een maansikkel en vertrapt het Kwaad, gesymboliseerd door een slang. Om zeker te zijn dat het duivelse beest geen streken meer kan uithalen doorboort Jezus het ook nog eens met zijn kruisstaf. Samen rusten ze op de wereldbol, die gedragen wordt door vier gevleugelde engelenhoofdjes.
Gemaakt uit eikenhout door beeldhouwer Peeter Overlaet stamt Maria al uit de 18de eeuw, maar dat is niet aan haar te zien dankzij een restauratie door Geneviève Hardy in 2005. Tijdens de Franse periode mochten er geen heiligenbeelden aan de huisgevels hangen. Veel beelden zijn toen stiekem verborgen , ook deze Maria. Na de val van Napoléon doken ze weer op, onze Lichtmis-Maria in 1814, maar toen aan het andere eind van dit straatje, om pas in 1922 naar hier te verhuizen. Intussen had zinkwerker Jean Hulsels in 1883 gezorgd voor de baldakijn, zodat moeder en kind droog blijven.
Maria-Lichtmis is een katholieke feestdag die 39 dagen na Kerstmis valt omdat eerstgeboren joodse jongetjes 40 dagen na hun geboorte in de tempel opgedragen moesten worden aan God, hetgeen Maria dus destijds ook heeft gedaan. Op Maria-Lichtmis worden er kaarsen gewijd, die dan in een processie worden meegedragen. Het is ook gebruikelijk dat er die dag pannenkoeken worden gegeten, want vorm en kleur van een pannenkoek doen denken aan de zon, dus aan licht.
Aan het eind van de Sleutelstraat kom je terug in de Kammenstraat met recht voor je een vroegere kerkingang.
Hier sluit de verkorting van de Kammenstraat weer op onze wandelroute aan.
SINT-AUGUSTINUSKERK – CONCERTZAAL VOOR OUDE MUZIEK
Kammenstraat.
Je ziet hier een vroegere kerk van een augustijner klooster. Vandaar de beelden en bijschriften op de gevel. Naast Augustinus tronen links Apollonia en rechts Nicolaas van Toledo (Sinterklaas). De spreuken die zij patroneren zijn “Mijn huis zal heten een huis van gebed” en “Dit is het huis van God en de poort van de hemel“.
De voormalige Sint-Augustinuskerk is in 2000-2002 verbouwd tot Amuz Centrum voor Oude Muziek.
________________________________________________________________________________
Er waren al vroeg augustijner monniken in Antwerpen, maar zij hadden zich in het Sint-Andrieskwatier gevestigd. Enkele van die paters hadden nog les van Maarten Luther himself gehad. En zij preekten in Antwerpen dan ook vanuit diens ideeën. Juist omdat zij daarmee succes hadden en hun kerkdiensten meer volk trokken dan de missen in de kathedraal, werd dat een probleem. Zeker wanneer je weet dat in die dagen hier keizer Karel V de macht in handen had. Hij had reeds tevergeefs geprobeerd op een rijksdag in het Duitse Reims Luther op andere gedachten te brengen, maar was daarin niet geslaagd en kon Maarten ook niet oppakken in het Duitse Rijk omdat die beschermd werd door enkele keurvorsten.
Maar in zijn Spaanse Nederlanden kon Karel V wél optreden tegen ‘ketters’. Daardoor werden onze augustijner monniken opgepakt en moesten ze Luthers leer afzweren. Twee weigerden dat en zijn dan op de Brusselse Grote Markt als ‘lichtend’ voorbeeld op de brandstapel gezet.
Maar als de commotie over die eerste augustijnen wat geluwd is, keren in 1608 de augustijnen-observanten naar Antwerpen terug. Ze kunnen er een machtig klooster uitbouwen met steun van aartshertogen Albrecht en Isabella, die hun hofarchitect Wenceslas Cobergher deze kerk laten optrekken. Cobergher is niet de eerste de beste. Hij ontwerpt een kerk in sobere barokstijl, waar de renaissance nog niet helemaal uit verdwenen is. Ook het hele interieur, compleet met beeldhouwwerk, is van deze all-round designer. Later zal hij voluit barok gaan in de koepelkerk van Scherpenheuvel, België’s bekendste bedevaartsoord tussen Aarschot en Diest.
_________________________________________________________________________________
Wandel verder door de Kammenstraat waarbij je Amuz aan je linkerhand houdt zodat je na een reeks winkels bij een brede straat links komt, de Oudaan. Op de hoek van de Oudaan en de Kleine Markt zie je café Berlin op de plek waar ooit iemand is geboren wiens naam wereldbekend werd bij fotografen. Je hebt hem als even ontmoet tijdens onze wandeling.
GEBOORTEHUIS LIEVEN GEVAERT
Kleine Markt 1-3.
Waar nu café Berlin de deur openhoudt wordt op 28 mei 1868 Lieven geboren als derde kind van inlijster Ludovicus Gevaert en Maria Theresia Bruynseels. Twee eerder geboren meisjes waren echter al overleden en ook Lievens vader sterft als de jongen amper 3 jaar is. Maar zijn moeder zet het familiebedrijf verder en probeert Lieven een redelijke opleiding te geven door hem van 1879 tot 1882 eerst naar het Klein Seminarie in Hoogstraten te sturen en vervolgens naar het Scheppersinstituut in Mechelen. Echt lang op die schoolbanken zit Lieven niet, op zijn veertiende gaat hij meewerken in de inlijsterij, die naar de Kammenstraat verhuist.
__________________________________________________________________________________
Veel later, als Gevaert een groot concern in Mortsel is geworden, heeft Lieven hier vlakbij in Antwerpen aan sponsering gedaan op onderwijsgebied. Aan de Kasteelpleinstraat vind je het Sint-Lievenscollege met lager middelbaar onderwijs voor jongens en nog dichterbij aan de Maarschalk Gérardstraat de Sint-Lutgardisschool als meisjesschool. Zo’n man verdient een standbeeld en dat heeft Lieven dan ook gekregen in Mortsel op 3 mei 1941.
Wandel nog even verder, dan zie je rechts een zaak die ook al enige tijd meegaat.
MATTHEUS-B
Kleine Markt 8.
Een koffiezaak met traditie. Baptiste Jean Bruyns richt in 1907 zijn eerste koffiebranderij op, maar de winkel is genoemd naar zijn zoon Mattheus. Samen bouwden vader en zoon een netwerk van bijna 100 winkels uit, verspreid over heel België. Maar alleen deze Antwerpse zaak is daarvan overgebleven. Eerst nog niet op deze plek, rond 1973 vond je Matheus-B in de Korte Gasthuisstraat. Aanvankelijk louter als koffiespecialist, maar Baptiste gaat ook een klein assortiment thee aanbieden. Sinds de verhuizing naar hier in 2016 is vooral het theeassortiment uitgebreid tot meer dan 200 soorten, waaronder oolong, zwarte thee en kruiden- en fruitinfusies.
_________________________________________________________________________________
Na het overlijden van de naamgever in 2000 neemt schoondochter Nessy Cazier de speciaalzaak over. Ze wordt inmiddels bijgestaan door dochters Fanny en Naïs. Bij hen kan je terecht als je bijvoorbeeld wilt weten wat het verschil is tussen witte, groene of gele thee. En mocht het antwoord op je vraag niet onmiddellijk gegeven kunnen worden, dan zullen ze het samen met jou opzoeken.
De koffie wordt al sinds het overlijden van stichter Baptist door een vennoot gebrand, waar later de Kruibeekse branderij CoffeRoots uit voortgekomen is, die nog steeds de hier gebruikte bonen levert. Daarmee worden zo’n veertig soorten koffie bereid, keuze genoeg voor wie van een cappuchino houdt of voor liefhebbers van een iced americano.
Jammer genoeg kan je hier niet binnenstappen om al die soorten ook meteen te proeven, maar om ze thuis te zetten kan je er wel een fraaie pot bij kopen.
Zo kom je aan de splitsing van de Kleine Markt in links het Vleminckveld en rechts de Bredestraat. En juist daar zie je hem staan:
STADSPOMP
Kleine Markt
Deze pomp staat op een veel oudere put, die in de 14e eeuw, werd aangelegd als openbare waterbron. Hij maakte deel uit van het dagelijkse leven op en rond de Kleine Markt. In de vroegste fase stond hij bekend als de Gortersput, genoemd naar de gorters, ambachtslui die het water gebruikten voor voedselbereiding. Daartoe werd gerst, een graansoort, met pelmolens tot gort gepeld. Die gort moet dan 12 uur weken en daarna ongeveer een uur worden gekookt. Tot begin 20ste eeuw was gort nog basiseten, vandaag vervangen door rijst en pasta.
Vanaf de 15de à 16de eeuw wordt deze plek steeds meer verbonden met de schutters- of kolveniersgilden, en raakt de naam Schuttersput ingeburgerd. De waterput groeit uit van loutere nutsvoorziening tot herkenningspunt binnen de stad en het sociale leven.
In 1700 krijgt de put zijn monumentale vorm met een arduinen zuil en een Mariabeeld. In 1717 werd de inscriptie Adjutórium contra Turcas toegevoegd. Dat was een tijd waarin religieuze bescherming en spanningen met het Ottomaanse Rijk sterk leefden. Die in de loop van de 19de eeuw geleidelijk verdwenen tekst weerspiegelde hoe wereldgebeurtenissen hun weerslag vonden in het Antwerpse straatbeeld. In de loop van de 19de eeuw verdwijnt de inscriptie geleidelijk.
Hoewel de oorspronkelijke waterfunctie verdween, bleef de Schuttersput een vast ankerpunt in de stad, een plek waar water, ambacht, gilden en geloof eeuwenlang samenkwamen.
Onder de lantaarn zie je op de pompzuil een afbeelding van een schutter achter een barricade. Dat gaat terug op een ooit verzonnen verhaal over de straatnamen Vleminckveld en Oudaan. Soldaten uit het graafschap Vlaanderen (toen reikend tot de linker Scheldeoever) waren binnen in het hertogdom Brabant (waartoe Antwerpen toen behoorde) en stormden via het Vlamingenveld (Vleminckveld) naar het stadscentrum. Maar ze werden door de Antwerpenaren tegengehouden, waarbij die de strijdkreet ‘Houd aen !’ (volhouden) geroepen zouden hebben op de plaats waar vandaag een straat Oudaan heet. Maar zo’n strijd tussen Vlamingen en Brabanders heeft hier nooit plaatsgevonden.
Keer nu terug van de Kleine Markt naar de Oudaan, die je dus rechts inslaat.
Het stadsbestuur wil deze brede straat vergroenen. Jaren geleden luidde dat anders. Toen was hier bij de uitmonding in de Kammenstraat nog een vluchtheuvel met een rechte weg voor wie naar links wilde afslaan, plus een naar rechts buigende doorgang naar de Kammenstraat. Daar stond ook een fraaie grote boom al jarenlang te groeien en bloeien. Plots bleek dat het stadsbestuur een stuk van de rijweg zomaar had verkocht aan de projectontwikkelaar die het huis rechts op de hoek met de Kammenstraat wilde bouwen. Daarom moest ook die fraaie boom verdwijnen. Protest alom, maar de aannemer had zijn vergunning, de straat werd versmald, de boom gekapt.
Bekijk de huisgevels aan je rechterhand.
KAVKA
Oudaan 14.
Een oorspronkelijk barok herenhuis tussen 1844 en 1884 bewoond door kunstschilder Nicaise De Keyser , niemand minder dan de man waar onze De Keyserlei naar genoemd is. Architect Heliodore Leclef heeft zijn best gedaan om er een voorname gevezl van te maken met een bustekop, gevleugelde putti (naakte jongetjes die onschuld en liefde uitbeelden, denk aan Cupido)en adelaars op de hoeken. Wanneer Nicaise daarop uitgekeken is, verkoop hij het huis in 1881 aan het stadsbestuur. Stadsingenieur Gustaaf Royers maakt er dan een kleuterschool van, waarbij de ouders wel moeten betalen als ze hun kinderen daarheen sturen. Royers is een echte scholenspecialist, hij heeft er zo’n twaalf gebouw in heel Antwerpen.
Tot dan was de Oudaan een normale smalle straat, maar die wordt verbreed in 1885 en dat kost dit huis een stukje van de uitstekende zijvleugels. Maar dat wordt gecompenseerd door achteraan een nieuwe schoolvleugel toe te voegen, waarna in 1897 dit een Lagere Hoofdschool voor Jongens wordt. Het zal nog heel wat decennia duren voordat de katholieke Kerk onderwijs aan jongens en meisjes in dezelfde klas zal toelaten.
Als in 1929 de vrije woensdagmiddag wordt ingevoerd gaan de onderwijzers spontaan ontspannende bezigheden organiseren voor hun leerlingen. Daaruit ontstaat in oktober 1937 voor het Stedelijk onderwijs de organisatie Kindervreugd, die gaat zorgen voor openluchtrecreatie: peelpleinen, bos- en zeeklassen. Later komen daar ook binnen festiviteiten bij en kinderfeesten in grote zalen. Hier zal Kindervreugd zijn kantoren vestigen.
Nu wordt die organisatie vaak afgekort tot KV en als hier dan in een vleugel achteraan de binnenplaats een soort jeugdclub het leven ziet, dan wordt die KAVKA genoemd, wat dus niets te maken heeft met de in Praag geboren schrijver Franz Kafka. Als de poort open is, neem je maar eens een kijkje op de binnenplaats.
Oudaan 16-18.
Het lijkt één groot lang gebouw met twee ingangen aan beide uitersten en daartussen veel ramen. Toch zijn het twee aparte woningen, die wel qua gevel elkaars spiegelbeeld vormen. Ze zijn in 1879 gebouwd op grond van de familie Geelhand, die heeft al vroeg door dat deze straat interessant is als belegging en koopt dus een handvol percelen. In nr.18, dat je het eerst passeert, woonde een chirurg en verloskundige Comein, met de fraaie voornaam Polydore, in de Griekse mythologie een koning van Thebe. In het andere huis woonde notaris Antoine de Duve. Hij heeft heel wat geboorteaktes kunnen opstellen, zijn vrouw Clémentine kreeg niet minder dan twaalf kinderen. Die zou ze vandaag even zoet kunnen houden met de boeken van Stad Leest of in het bijbehorende café.
Hoe zit het nu met die straatnaam?
Intussen weet je dat die niets te maken heeft met Houd’aen, maar waarmee dan wel? Splits de naam in tweeën: oud en aan. Het eerste woord heeft de betekenis die je nog terugvindt in het Engelse out – buiten. Onze Vlaamse versie vind je nog terug in de plaatsnaam Oud-Turnhout, een dorp dat op enkele kilometers buiten de stad Turnhout ligt. Aan of aene wijst op nattigheid, denk maar aan de vele kleine riviertjes die Aa heten, waarin het Latijnse aqua nog herkenbaar is. Om welke nattigheid gaat het hier?
Aan de kant van de Kammenstraat was er dicht onder het oppervlak zoet water te vinden, vandaar de vele brouwerijen met hun waterputten. Ook Aert Schoyte, levend tussen 1473 en 1548 als vermogend vastgoedeigenaar, afwisselend ook schepen (wethouder) en burgemeester, had een boomgaard op de plaats waar vandaag het plein voor de jeugdherberg ligt. Die stond hij af aan de stad, maar uiteraard kunnen bomen enkel groeien als er genoeg water in de bodem aanwezig is.
Aan de zijde van de Lange Gasthuisstraat kennen we het Elzenveld. Elzen groeien vooral langs slootkanten, dus waar veel water is. Straks komen we er nog langs. Alleen op de Oudaan hield je het droog op een wat hoger stuk grond, buiten flink wat nattere gebieden aan weerszijden.
Oudaan 20.
Hier laat Raymond Geelhand in 1881 zijn eigen woning bouwen op een stuk familiegrond. Maar hij heeft dan al twee huwelijken achter de rug zonder ooit gescheiden te zijn. In 1868 trouwt hij met Emilie Meyers, maar zij sterft al na enkele jaren in 1872. Ver gaat Raymond het dan niet zoeken, in 1877 trouwt hij opnieuw, nu met Emilie’s jongere zus Fanny. Maar dat tweede huwelijk zal zelfs nog korter duren, want al na enkele maanden overlijdt ook Fanny.
Raymond was een afstammeling van de heren van Merksem, Emile Geelhand en Zoé Moretus. Ook moeders achternaam doet belletjes rinkelen, denk aan Museum Plantijn-Moretus Die ouders laten in 1897 kasteel Dennenburg in Kapellen aan hem na. Daardoor kan Raymond voortaan kiezen naar welk buitenverblijf hij bij mooi zomerweer zal gaan. Hij heeft namelijk al sinds 1884 een kasteel, het Kessselhof in Nijlen. Dat kasteel is recenter nog enige tijd eigendom van modeontwerpster Ann Demeulemeester geweest.<
Oudaan 26-28.
Vandaag is hier Outdoor & Action het parool van A.S. Adventure met spullen voor vele soorten vrijetijd. Maar in 1929 was hier het Antwerpse filiaal van de Bank Lazard Brothers & Co. Dat bedrijf gaat terug tot twee Franse broers Alexandre en Simon Lazard, die in 1848 een handel in kruidenierswaren opzetten in New Orleans. Twee jaar later breiden ze hun bedrijf uit met bankzaken. En in 1876 wordt Lazard & Frères opgericht met hoofdzetel in Parijs en in 1877 een bijhuis in Londen. Dat bijhuis wordt na de Eerste Wereldoorlog in 1919 zelfstandig als Bank Lazard Brothers & Co Ltd en opent hier tien jaar later een Belgisch filiaal op dit adres.
Oudaan 32.
Het hoekhuis is samen met de Lange Gasthuisstraat 8-10 opgetrokken in 1913-1914 in wat Beaux-Artsstijl wordt genoemd. Daarmee behoort het tot de vroegste flatgebouwen die in Antwerpen in het straatbeeld verschenen.
Kijk even recht vooruit naar het fraaie smalle art-nouveau huis in de Lange Gasthuisstraat.
Sla nu rechts de lange Gasthuisstraat in en richt je blik opnieuw naar de overzijde, naar de kledingzaak Verso.
Hier sluit de verkorting vanaf de Korte Gasthuisstraat weer op onze route aan.
QUARTIER LATIN – Stapperlootroute
Wandel verder door de Kammenstraat waarbij je Amuz aan je linkerhand houdt zodat je na een reeks winkels bij een brede straat links komt, de Oudaan. Op de hoek van de Oudaan en de Kleine Markt zie je café Berlin op de plek waar ooit iemand is geboren wiens naam wereldbekend werd bij fotografen.
Wandel verder door de Kammenstraat waarbij je Amuz aan je linkerhand houdt zodat je na een reeks winkels bij een brede straat links komt, de Oudaan. Op de hoek van de Oudaan en de Kleine Markt zie je café Berlin op de plek waar ooit iemand is geboren wiens naam wereldbekend werd bij fotografen.
GEBOORTEHUIS LIEVEN GEVAERT
Kleine
GEBOORTEHUIS LIEVEN GEVAERT
Kleine Markt 1-3.
Waar nu café Berlin de deur openhoudt wordt op 28 mei 1868 Lieven geboren als derde kind van inlijster Ludovicus Gevaert en Maria Theresia Bruynseels. Twee eerder geboren meisjes waren echter al overleden en ook Lievens vader sterft als de jongen amper 3 jaar is. Maar zijn moeder zet het familiebedrijf verder en probeert Lieven een redelijke opleiding te geven door hem van 1879 tot 1882 eerst naar het Klein Seminarie in Hoogstraten te sturen en vervolgens naar het Scheppersinstituut in Mechelen. Echt lang op die schoolbanken zit Lieven niet, op zijn veertiende gaat hij meewerken in de inlijsterij, die naar de Kammenstraat verhuist. Naast spiegels en schilderijen komt er ook al eens een klant om een foto te laten inlijsten, op dat moment nog iets nieuws.
Lieven raakt sterk geïnteresseerd in dat nieuwe medium en volgt enkele jaren een opleiding fotografie in Brugge. Gezien dat de toekomst lijkt, opent hij met zijn moeder een fotoatelier in de Montignystraat in het zuiden van Antwerpen. Daar weet hij na veel experimenteren een heel goed type fotopapier te ontwikkelen. Papier om foto’s af te drukken komt op dat ogenblik nog enkel uit het buitenland, dus Lieven heeft er een Belgische primeur mee.
Na de oprichting in 1894 van ‘Lieven Gevaert & Cie’ verhuist het bedrijf in 1897 naar Mortsel, waar een beekje voor de aanvoer van spoelwater zorgt. Dat stroompje blijkt zoveel restanten van het dan nog voor films gebruikte metaal te bevatten, dat men in Mortsel van de zilverbeek gaat spreken. En het bedrijf breidt zeer snel uit, half Mortsel werkt op den duur bij Gevaert.
Lieven zelf overlijdt op 2 februari 1935 in de Nederlandse stad Den Haag. Zijn bedrijf zal in 1964 een fusie aangaan met het Duitse AG Farben (NV Kleur) tot Agfa-Gevaert. Nu fotografie door de smartphone goeddeels digitaal is geworden, probeert het bedrijf over te schakelen op de productie van membramen.
Maar hier vlakbij in Antwerpen heeft Lieven Gevaert ook aan sponsering gedaan op onderwijsgebied. Aan de Kasteelpleinstraat vind je het Lievenscollege met lager middelbaar voor jongens en nog dichterbij aan de Maarschalk Gérardstraat de Sint-Lutgardisschool als meisjesschool. Zo’n man verdient een standbeeld en dat heeft Lieven dan ook gekregen in Mortsel op 3 mei 1941.
Even verderop zie je een zaak die ook al enige tijd meegaat.
MATTHEUS-B
Kleine Markt 8.
Een koffiezaak met traditie. Baptiste Jean Bruyns richt in 1907 zijn eerste koffiebranderij op, maar de winkel is genoemd naar zijn zoon Mattheus. Samen bouwden vader en zoon een netwerk van bijna 100 winkels uit, verspreid over heel België. Maar alleen deze Antwerpse zaak is daarvan overgebleven. Eerst nog niet op deze plek, rond 1973 vond je Matheus-B in de Korte Gasthuisstraat. Aanvankelijk louter als koffiespecialist, maar Baptiste gaat ook een klein assortiment thee aanbieden.
Na het overlijden van de naamgever in 2000 neemt schoondochter Vanessa de speciaalzaak over. Ze wordt inmiddels bijgestaan door dochter Naïs. Bij hen kan je terecht als je bijvoorbeeld wilt weten wat het verschil is tussen witte, groene of gele thee. En mocht het antwoord op je vraag niet onmiddellijk gegeven kunnen worden, dan zullen ze het samen met jou opzoeken.
Sinds de verhuizing naar de Kleine Markt in 2016 is vooral het theeassortiment uitgebreid tot meer dan 200 soorten, waaronder oolong, zwarte thee en kruiden- en fruitinfusies. Met daarnaast uiteraard koffie, zo’n veertig soorten, keuze genoeg voor wie van een cappuchino houdt of voor liefhebbers van een iced americano. Jammer genoeg kan je hier niet binnenstappen om al die soorten ook meteen te proeven, maar om ze thuis te zetten kan je er wel een fraaie pot bij kopen.
Zo kom je aan de splitsing van de Kleine Markt in links het Vleminckveld en rechts de Bredestraat. En juist daar zie je hem staan:
STADSPOMP
Kleine Markt
Deze pomp staat op een veel oudere put, die in de 14e eeuw, werd aangelegd als openbare waterbron. Hij maakte deel uit van het dagelijkse leven op en rond de Kleine Markt. In de vroegste fase stond hij bekend als de Gortersput, genoemd naar de gorters, ambachtslui die het water gebruikten voor voedselbereiding. Daartoe werd gerst, een graansoort, met pelmolens tot gort gepeld. Die gort moet dan 12 uur weken en daarna ongeveer een uur worden gekookt. Tot begin 20ste eeuw was gort nog basiseten, vandaag vervangen door rijst en pasta.
Vanaf de 15de à 16de eeuw wordt deze plek steeds meer verbonden met de schutters- of kolveniersgilden, en raakt de naam Schuttersput ingeburgerd. De waterput groeit uit van loutere nutsvoorziening tot herkenningspunt binnen de stad en het sociale leven.
In 1700 krijgt de put zijn monumentale vorm met een arduinen zuil en een Mariabeeld. In 1717 werd de inscriptie Adjutórium contra Turcas toegevoegd. Dat was een tijd waarin religieuze bescherming en spanningen met het Ottomaanse Rijk sterk leefden. Die in de loop van de 19de eeuw geleidelijk verdwenen tekst weerspiegelde hoe wereldgebeurtenissen hun weerslag vonden in het Antwerpse straatbeeld. In de loop van de 19de eeuw verdwijnt de inscriptie geleidelijk.
Hoewel de oorspronkelijke waterfunctie verdween, bleef de Schuttersput een vast ankerpunt in de stad, een plek waar water, ambacht, gilden en geloof eeuwenlang samenkwamen.
Onder de lantaarn zie je op de pompzuil een afbeelding van een schutter achter een barricade. Dat gaat terug op een ooit verzonnen verhaal over de straatnamen Vleminckveld en Oudaan. Soldaten uit het graafschap Vlaanderen (toen reikend tot de linker Scheldeoever) waren binnen in het hertogdom Brabant (waartoe Antwerpen toen behoorde) en stormden via het Vlamingenveld (Vleminckveld) naar het stadscentrum. Maar ze werden door de Antwerpenaren tegengehouden, waarbij die de strijdkreet ‘Houd aen !’ (volhouden) geroepen zouden hebben op de plaats waar vandaag een straat Oudaan heet. Maar zo’n strijd tussen Vlamingen en Brabanders heeft hier nooit plaatsgevonden.
Keer nu terug van de Kleine Markt naar de Oudaan, die je dus rechts inslaat.
Het stadsbestuur wil deze brede straat vergroenen. Jaren geleden luidde dat anders. Toen was hier bij de uitmonding in de Kammenstraat nog een vluchtheuvel met een rechte weg voor wie naar links wilde afslaan, plus een naar rechts buigende doorgang naar de Kammenstraat. Daar stond ook een fraaie grote boom al jarenlang te groeien en bloeien. Plots bleek dat het stadsbestuur een stuk van de rijweg zomaar had verkocht aan de projectontwikkelaar die het huis rechts op de hoek met de Kammenstraat wilde bouwen. Daarom moest ook die fraaie boom verdwijnen. Protest alom, maar de aannemer had zijn vergunning, de straat werd versmald, de boom gekapt.
Bekijk de huisgevels aan je rechterhand.
KAVKA
Oudaan 14.
Een oorspronkelijk barok herenhuis tussen 1844 en 1884 bewoond door kunstschilder Nicaise De Keyser , niemand minder dan de man waar onze De Keyserlei naar genoemd is. Architect Heliodore Leclef heeft zijn best gedaan om er een voorname gevezl van te maken met een bustekop, gevleugelde putti (naakte jongetjes die onschuld en liefde uitbeelden, denk aan Cupido)en adelaars op de hoeken. Wanneer Nicaise daarop uitgekeken is, verkoop hij het huis in 1881 aan het stadsbestuur. Stadsingenieur Gustaaf Royers maakt er dan een kleuterschool van, waarbij de ouders wel moeten betalen als ze hun kinderen daarheen sturen. Royers is een echte scholenspecialist, hij heeft er zo’n twaalf gebouw in heel Antwerpen.
Tot dan was de Oudaan een normale smalle straat, maar die wordt verbreed in 1885 en dat kost dit huis een stukje van de uitstekende zijvleugels. Maar dat wordt gecompenseerd door achteraan een nieuwe schoolvleugel toe te voegen, waarna in 1897 dit een Lagere Hoofdschool voor Jongens wordt. Het zal nog heel wat decennia duren voordat de katholieke Kerk onderwijs aan jongens en meisjes in dezelfde klas zal toelaten.
Als in 1929 de vrije woensdagmiddag wordt ingevoerd gaan de onderwijzers spontaan ontspannende bezigheden organiseren voor hun leerlingen. Daaruit ontstaat in oktober 1937 voor het Stedelijk onderwijs de organisatie Kindervreugd, die gaat zorgen voor openluchtrecreatie: peelpleinen, bos- en zeeklassen. Later komen daar ook binnen festiviteiten bij en kinderfeesten in grote zalen. Hier zal Kindervreugd zijn kantoren vestigen.
Nu wordt die organisatie vaak afgekort tot KV en als hier dan in een vleugel achteraan de binnenplaats een soort jeugdclub het leven ziet, dan wordt die KAVKA genoemd, wat dus niets te maken heeft met de in Praag geboren schrijver Franz Kafka. Als de poort open is, neem je maar eens een kijkje op de binnenplaats.
Oudaan 16-18.
Het lijkt één groot lang gebouw met twee ingangen aan beide uitersten en daartussen veel ramen. Toch zijn het twee aparte woningen, die wel qua gevel elkaars spiegelbeeld vormen. Ze zijn in 1879 gebouwd op grond van de familie Geelhand, die heeft al vroeg door dat deze straat interessant is als belegging en koopt dus een handvol percelen. In nr.18, dat je het eerst passeert, woonde een chirurg en verloskundige Comein, met de fraaie voornaam Polydore, in de Griekse mythologie een koning van Thebe. In het andere huis woonde notaris Antoine de Duve. Hij heeft heel wat geboorteaktes kunnen opstellen, zijn vrouw Clémentine kreeg niet minder dan twaalf kinderen. Die zou ze vandaag even zoet kunnen houden met de boeken van Stad Leest of in het bijbehorende café.
Hoe zit het nu met die straatnaam?
Intussen weet je dat die niets te maken heeft met Houd’aen, maar waarmee dan wel? Splits de naam in tweeën: oud en aan. Het eerste woord heeft de betekenis die je nog terugvindt in het Engelse out – buiten. Onze Vlaamse versie vind je nog terug in de plaatsnaam Oud-Turnhout, een dorp dat op enkele kilometers buiten de stad Turnhout ligt. Aan of aene wijst op nattigheid, denk maar aan de vele kleine riviertjes die Aa heten, waarin het Latijnse aqua nog herkenbaar is. Om welke nattigheid gaat het hier?
Aan de kant van de Kammenstraat was er dicht onder het oppervlak zoet water te vinden, vandaar de vele brouwerijen met hun waterputten. Ook Aert Schoyte, levend tussen 1473 en 1548 als vermogend vastgoedeigenaar, afwisselend ook schepen (wethouder) en burgemeester, had een boomgaard op de plaats waar vandaag het plein voor de jeugdherberg ligt. Die stond hij af aan de stad, maar uiteraard kunnen bomen enkel groeien als er genoeg water in de bodem aanwezig is.
Aan de zijde van de Lange Gasthuisstraat kennen we het Elzenveld. Elzen groeien vooral langs slootkanten, dus waar veel water is. Straks komen we er nog langs. Alleen op de Oudaan hield je het droog op een wat hoger stuk grond, buiten flink wat nattere gebieden aan weerszijden.
Oudaan 20.
Hier laat Raymond Geelhand in 1881 zijn eigen woning bouwen op een stuk familiegrond. Maar hij heeft dan al twee huwelijken achter de rug zonder ooit gescheiden te zijn. In 1868 trouwt hij met Emilie Meyers, maar zij sterft al na enkele jaren in 1872. Ver gaat Raymond het dan niet zoeken, in 1877 trouwt hij opnieuw, nu met Emilie’s jongere zus Fanny. Maar dat tweede huwelijk zal zelfs nog korter duren, want al na enkele maanden overlijdt ook Fanny.
Raymond was een afstammeling van de heren van Merksem, Emile Geelhand en Zoé Moretus. Ook moeders achternaam doet belletjes rinkelen, denk aan Museum Plantijn-Moretus Die ouders laten in 1897 kasteel Dennenburg in Kapellen aan hem na. Daardoor kan Raymond voortaan kiezen naar welk buitenverblijf hij bij mooi zomerweer zal gaan. Hij heeft namelijk al sinds 1884 een kasteel, het Kessselhof in Nijlen. Dat kasteel is recenter nog enige tijd eigendom van modeontwerpster Ann Demeulemeester geweest.<
Oudaan 26-28.
Vandaag is hier Outdoor & Action het parool van A.S. Adventure met spullen voor vele soorten vrijetijd. Maar in 1929 was hier het Antwerpse filiaal van de Bank Lazard Brothers & Co. Dat bedrijf gaat terug tot twee Franse broers Alexandre en Simon Lazard, die in 1848 een handel in kruidenierswaren opzetten in New Orleans. Twee jaar later breiden ze hun bedrijf uit met bankzaken. En in 1876 wordt Lazard & Frères opgericht met hoofdzetel in Parijs en in 1877 een bijhuis in Londen. Dat bijhuis wordt na de Eerste Wereldoorlog in 1919 zelfstandig als Bank Lazard Brothers & Co Ltd en opent hier tien jaar later een Belgisch filiaal op dit adres.
Oudaan 32.
Het hoekhuis is samen met de Lange Gasthuisstraat 8-10 opgetrokken in 1913-1914 in wat Beaux-Artsstijl wordt genoemd. Daarmee behoort het tot de vroegste flatgebouwen die in Antwerpen in het straatbeeld verschenen.
Kijk even recht vooruit naar het fraaie smalle art-nouveau huis in de Lange Gasthuisstraat.
Sla nu rechts de lange Gasthuisstraat in en richt je blik opnieuw naar de overzijde, naar de kledingzaak Verso.Hier sluit de verkorting vanaf de Korte Gasthuisstraat weer op onze route aan.
RUITERSTANDBEELD KONING LEOPOLD I
Leopoldplaats.
Op de Leopoldplaats keert de eerste Belgische vorst onze Nationale Bank de rug toe. Aanvankelijk waren we kwaad op hem, hij treuzelde lang om de oude vestingwallen vrij te geven voor afbraak en zoals gezegd, de stad had ruimte nodig. Pas nadat dit geschil was opgelost mocht zijn ruiterbeeld de stad binnen. Het had enkele jaren buiten de stadswallen moeten vertoeven. Op die vroegere wallen liggen nu de drukke boulevards die hier de ‘leien’ heten. Jozef Geefs, een telg uit het beroemde Antwerpse beeldhouwersgeslacht, kreeg Leopold op zijn paard. Daarvoor werd een ros uit een Antwerpse stoeterij als model gebruikt.
Keer je nu om en kijk naar dat torentje schuin links.
ACKERMANS & VAN HAAREN
Hoek Schermerstraat / Begijnenvest..
Het hoekpand met zijn mooie toren is in 1883 gebouwd door architect Edmond Leclef, die er zelf is in gaan wonen. Zoals veel fraaie woonhuizen in die dagen is het in de stijl die we neo-Vlaamse renaissance noemen.
Edmond is overleden in 1902 en na een aantal nieuwe eigenaars vestigt de N.V. Ackermans & van Haaren zich hier in 1926. Nicolaas van Haaren en Hendrik Willem Ackermans zijn twee Antwerpse zakenlui die in 1876 gaan samenwerken voor bouwprojecten. Zo bouwen zij vanaf 1888 de forten langs de Maas in Wallonië, die bij de Eerste Wereldoorlog toch minder lang dan verhoopt standhouden. Maar intussen hebben Nicolaas en Hendrik in 1903 al een eerste internationaal project gerealiseerd, baggerwerken in het Argentijnse Rosario voor de havenuitbreiding van Bahia Bianca. Nicolaas overlijdt het jaar daarop en zal de oprichting van de naamloze vennootschap in 1924 dus niet meer meemaken.
Vandaag is Ackermans & van Haaren sinds 1984 een beursgenoteerde holding waarin het bouwbedrijf nog steeds een grote rol speelt via CFE met Dredging als internationale baggeraar en twee financiële instellingen, de Bank van Breda voor ondernemers in het oude gebouw van het vroegere goederenstation Antwerpen-Zuid aan de Scheldekaaien en de Bank Delen ten dienste van de rijkere belegger. Dat zie je ook aan het eigentijdse nieuwe kantoorgebouw in de Begijnenvest, dat aansluit op het oude pand.
Nu gaan we weer vooruit kijken naar het enorme gebouw aan de overzijde van de Leopoldplaats. Bekijk het met onze beschrijving erbij en wandel via de Bourlastraat naar de Frankrijklei.
NATIONALE BANK VAN BELGIË – FILIAAL ANTWERPEN
Leopoldplaats 8.
Vanaf 6 december 1872 wordt de bouw van dit bankfiliaal bijna anderhalf jaar voorbereid door Hendrik Beyaert in samenwerking met aannemer Dollot, die al aangetrokken was om de fundamenten te leggen. De Raad van Bestuur van de Nationale Bank is enthousiast over het voorgestelde project maar vindt het wel veel te duur, zodat Beyaert de opdracht krijgt de plannen te herzien. Daarop laat de architect alle opsmuk aan het gebouw weg en legt dat nieuwe ontwerp voor. Omdat het contrast met de oorspronkelijke plannen enorm is, gaat de Raad van Bestuur dan toch maar akkoord met Beyaerts eerste ontwerp, op voorwaarde dat het binnen het begrote bedrag van 2 miljoen frank blijft en hij een aannemer vindt die het daarvoor wil doen. Dat laatste lukt Hendrik snel, want in feite heeft hij de kostenrekening gemaakt samen met aannemer Dollot, die dan ook het bouwen op zich zal nemen.
De gevels aan de Bourlastraat en de Mechelsesteenweg zijn naar het stadshart gericht en hebben meer het uitzicht van een kantoorgebouw met op hun raakpunt aan de Leopoldplaats een imposante hoofdingang..
Aan de zijde van de Frankrijklei – destijds nog Kunstlaan geheten – zorgt Hendrik Beyaert voor gevels die passen bij de aan deze boulevard op de voormalige stadsgrachten geplande huizen van de gegoede burgers. Via twee lagere poorten, lijkend op koetspoorten van een deftig herenhuis, wordt de binnenplaats bereikt. Twee kasteeltorens op de hoeken van de Frankrijklei mey enerzijds de Bourlastraat en anderzijds de Mechelsesteenweg markeren de overgang naar de zijgevels.
Voor de afwerking van het gebouw met een passende decoratie doet Hendrik Beyaert een beroep op de Antwerpse beeldhouwers Jules Pécher, Jacques de Braeckeleer ren het duo De Boeck en Van Wint, dat ook aan de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal heeft gewerkt. Pécher zorgt voor het beeld van de Vrede, dat centraal de eerste verdieping siert van de directeurswoning aan de Frankrijklei. Twee figuren die de Handel en de Industrie voorstellen op dezelfde gevel zijn van de Braeckeleer. En van De Boeck en Van Wint zijn verantwoordelijk voor de allegorieën van de Dag en de Nacht.
Achter die gevels gaat een binnenplaats schuil, die het karakter heeft van een middeleeuws marktplein. Op een van de torentjes op de binnenplaats laat Beyaert zijn eigen hoofd uit een klein raampje steken, een naar middeleeuwse bouwmeesters verwijzend attribuut dat hij vaker bij zijn grote realisaties heeft aangebracht.
Vandaag kan je hier niet meer terecht voor cash of het inwisselen van oude bankbiljetten van 100 frank waarop Hendrik met de plattegrond van deze schepping stond afgebeeld. Zelfs een Nationale Bank moet vandaag bezuinigen en in een digitale wereld zijn bankfilialen in diverse grote Belgische steden niet langer noodzakelijk, dus kan je nu nog enkel in Brussel terecht. In dit gebouw huizen thans woninginrichting Donum en de kantoren van onder meer de Vihe Group (consulting en It’ers) en projectontwikkelaar Groep L, die hier kantoorruimten verhuurd. Ze zijn allemaal via de hoofdingang bereikbaar.
Steek de Frankrijklei even over naar de ingang van de parkeergarage op de middenberm van de Maria Henrietteleid en daal met de trap of de lift af naar drie niveaus lager om daar de restanten te zien van een deels heropgebouwd bastion.
BASTION KEIZERSPOORT
Parking Nationale Bank, Frankrijklei.
Een van de negen bastions van de zogeheten Spaanse omwalling, opgetrokken in de 16de eeuw uit baksteen en bekleed met kalkzandsteen uit Lede. Tijdens een archeologisch onderzoek in 2003 zijn deze resten opgegraven, verzaagd en opnieuw, maar dieper heropgebouwd in deze parkeergarage.
In 1542 blijkt dat de Antwerpse stadswallen nauwelijks voldoende stevig zijn om een aanval te kunnen weerstaan van de Gelderse krijgsheer Maarten van Rossum, hier bekend als Swerten Merten, omdat hij in de wijde omgeving veel grote verblijven platbrandt. Keizer Karel V neemt de Italiaanse vestingbouwer Donato di Boni in de arm om een nieuwe omwalling te ontwerpen volgens het moderne bastiontype. Die wordt grotendeels door de Antwerpse projectontwikkelaar Gilbert van Schoonbeke gebouwd tussen 1545 en 1553. Daarvoor laat hij voor zijn kalkovers turf afgraven in Nederland, waarbij later de stad Venendaal zal ontstaan.
Een bastion is een vijfhoekig uitspringend bolwerk, dat hier de nu verdwenen Keizerspoort moest verdedigen, de belangrijkste stadspoort aan de weg naar Mechelen. Daar was Karel V doorheen gekomen bij zijn eerste bezoek aan Antwerpen, vandaar die naam Keizerspoort.
In 1850 wordt verder van de stadskern de nieuwe Brialmontomwalling aangelegd, waarna de oude omwalling eerder een hinderpaal vormt voor verdere stadsuitbreiding. Bovengronds wordt die daarom afgebroken, ondergronds blijven veel restanten zitten, zoals dit bastion en een stuk stadsmuur plus brug over de gracht bij metrostation Opera en het Kipdorp. Bij de restanten van dit bastion zie je ook enkele mammoettanden in een vitrine liggen, die ook zijn opgegraven.
Weer naar boven en de Frankrijklei oversteken naar de Nationale Bank. Ga de hoek om van de Mechelsesteenweg om weer uit te komen op de Leopoldplaats. Ga daar rechtdoor de Leopoldstraat in. Even verderop zie je links een doorgang met tegen een muur;
START MONUMENT DE HAND
Meir, ter hoogte van de Diesel Store.
Kom je met de trein dan kun je een tram nemen in premetrostation ‘Diamant’. Kies het perron voor richting Linkeroever en neem daar de tramlijnen 2 of 15 richting Linkeroever. Reeds bij de tweede halte ‘Meir’ stap je uit en neem je de roltrap naar boven. Aan de overzijde van de Meir zie je dan een standbeeld, of noem het maar een ligbeeld.
Kom je met een streekbus van De Lijn, dan stopt die op de Franklin Rooseveltplaats. Dan ga je te voet eerst linksaf tot je aan je rechterhand de Frankrijklei op. Zodra je aan je rechterhand het standbeeld van David Teniers ziet, ga je daar rechtsaf via de Teniersstraat, die overloopt in de Meir. Wandel deze winkelstraat verder af tot je bij het beeld van de Hand komt.
Wie met de auto komt gaat vanaf de leien rond de oude stad naar de parking onder de stadsschouwburg op het Theaterplein. Vandaar linksaf via de Meistraat en de Kolveniersstraat naar de Meir en die naar links volgen tot aan de Hand
DE HAND
Meir.
Daar ligt hij dan, die grote hand als een zitbank voor wie moe is en klauterstek voor kinderen. Hét stadssymbool, omdat Antwerpen volgens de legende afgeleid is van ‘handwerpen’. Reus Druwon Antigoon zou aan de Schelde hebben gewoond en van iedere passerende schipper tolgeld hebben gevraagd. Van wie weigerde kapte hij een hand af en wierp die in de rivier, waardoor de Schelde een visrijke waterloop werd. Aan die praktijk maakt een soldaat van een Romeins legioen, Silvius Brabo een eind door de reus zelf een hand af te hakken en door hem meteen een kopje kleiner te maken was elk gevaar volledig geweken. En de plek waar dat gebeurde ging dus de geschiedenis in als handwerpen, latere bewoners vertelden dat zij in Antwerpen woonden.
Een 15de-eeuwse kroniek beweert bovendien dat Brabant ook zijn naam aan Brabo te danken heeft en dat onze held een arend schoot die in het arendsheem zijn nest had – vandaar de steden Aatschot en Arnhem. Maar daarvoor steken wij onze hand niet in het vuur.
Nu is deze Hand niet speciaal voor Antwerpen gemaakt. Die is een onderdeel van het grotere monument L’Écoute van Henri de Miller, dat in Parijs naast de Saint-Eustachekerk ligt in de wijk Les Halles. Voor een groepsfoto is onze Hand wel een topper geworden.
Speciaal voor Nederlandse wandelaars:
De straatnaam wordt niet uitgesproken als Meijer, maar als Mèèr, een wat lang aangehouden Franse zee … Niet als een korte ei dus.
Wandel richting wolkenkrabber maar blijf dichtbij het midden van de Meir om wat afstand te houden van enkele gevels aan je linkerhand, zodat je die beter in hun geheel ziet.
GENERAL BUILDINGS + EAGLE STAR
Meir 14 (JBC/Torfs) + Meir 12 (Springfield)
Nabij de middeleeuwse Handelsbeurs – die diep weg aan de overzijde in het smalle straatje ligt – ontwikkelt zich reeds vroeg het verzekeringswezen. Die traditie heeft zich voortgezet tot in de 20ste eeuw, zoals je ziet aan deze gebouwen uit 1920 en 1923/’24 voor verzekeringsmaatschappijen ‘General Accident Fire and Life Assurance Corporation Limited’ en ’Eagle Star’. Architect A. Portielje tekende de bouwaanvraag van het linker pand. Schrijver Willem Elsschot laat het in zijn boek Lijmen/Het Been figureren als de ‘Compagnie Continentale d’Assurances Générales sur la Vie et de Rentes Viagères’ – in Vlaanderen was het Frans nog de voertaal van de betere klasse.
Het hoekpand is ontworpen door het architectenduo Jan Van Riel en Eduard Ceurvorst in een soort Beaux-Artsstijl. Als sierstuk is er een koepel op de afgeronde hoek, waarop een bronzen arend neerstrijkt dankzij beeldhouwer Arthur Pierre. In de deurwaaiers de initialen ‘E S’ van de Eagle Star.
Waar nu het verkeer zich in een knoop wurmt, begint de Meirbrug.
MEIRBRUG
Een eeuw geleden was het hier veel rustiger. Begin 16de eeuw is er nog een echte gracht met een brug met in het midden daarvan een ijzeren kruis. Dat kruis wordt door de Beeldenstormers vernield en later vervangen door een houten exemplaar. Dat wordt op zijn beurt nogmaals vervangen door een koperen kruis in 1633, dat het tot eind 18de eeuw uithoudt. Er wordt gezegd dat het nu in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal hangt, maar daarover bestaat twijfel. Maar ter herinnering aan dit kruis zie je voor je op die-wolkenkrabber, rechts op de zevende verdieping tegen de middentoren, een groot kruisbeeld met een Mariabeeld van de Fransman Rogier de Villiers. Meteen het grootste en hoogste van heel Antwerpen
BOERENTOREN
Meirbrug – Eiermarkt – Schoenmarkt 3.
Een bombardement aan het begin van de Eerste Wereldoorlog veroorzaakt hier een lege plek in het stadslandschap. Die wordt heel wat jaren later, in 1928, gekocht van het Antwerpse stadsbestuur door de Algemene Bankvereniging uit Leuven. In volle crisistijd laat die hier tussen 1929 en 1932 de eerste wolkenkrabber waarin gewoond wordt optrekken rond een stalen geraamte door het architectenduo Jan Van Hoenacker en Emile Van Averbeke. Foto’s tegen de gelijkvloerse gevels geven nog een indruk van die bouw. De oorspronkelijke Belgische aannemer had weliswaar ervaring met grote projecten, maar dat waren vooral sluizen op grote kanalen. Daardoor moest voor de staalconstructie een beroep worden gedaan op een Duits bedrijf.
De Leuvense bankvereniging gebruikte slechts een klein deel van het toen 87 meter hoge gebouw. De rest wordt verhuurd als kantoor of woning. Boven de hoofdingang was een tearoom en het platte dak aan de lagere linkerzijde van de toren werd gebruikt als terras. Helemaal bovenin gaf een panoramazaal uitzicht op de stad.
Omdat de bank eigendom was van de Belgische Boerenbond wordt al snel dit gebouw aangeduid als de Boerentoren en die naam draagt het nog steeds. Een tijdlang is dit de hoofdzetel van de KBC-bank geweest en in 1976 laat die de toren nog wat verhogen tot 97 meter, terwijl er onderin winkels komen.
Na het vertrek van de KBC is het hele bouwblok verkocht aan de Antwerpse ondernemer Fernand Huts, die er grootse plannen mee heeft. Zo wil hij een museum in onderbrengen om er een deel van zijn eigen kunstcollectie te tonen, die onder meer een dinosaurusskelet omvat. Ook het vroegere openlucht terras op de zijkant zou hersteld worden. Intussen is een grote operatie om het asbest dat in de toren gebruikt was te verwijderen afgerond en kan het interne skelet soms worden bezocht. Maar dat houdt heel wat trappen lopen in, want de oude liften zijn reeds verwijderd.
Ga op de Meirbrug linksaf, zo kom je op de Schoenmarkt.
Als je nog even de reliëfs bekijkt op halve hoogte op de Boerentoren zie je dat die allemaal over landbouw en veeteelt gaan, je ontwaart dieren en gewassen, alles verwijzend naar die bank voor de boeren.
Blijf aan de linkerzijde wandelen totdat je ook links de Schrijnwerkersstraat tegenkomt. Sla die in en wandel rustig verder langs dit winkelstraatje. Rechts kom je langs een wafelhuis.
DÉSIRÉ DE LILLE
Schrijnwerkersstraat 16.
Hier wordt een speciale stroopwafel geserveerd, de lacquemant. Het is een uitvinding van de op 12 februari 1885 in Luik geboren Désiré Smidts. Hij gaat in Parijs in een patisserie werken, maar komt later naar Antwerpen in de hoop daar een baan te vinden in de zeehandel. Als dat niet lukt wordt hij kelner bij Lacquemant, een Lillese kermisfrituur die op de Antwerpse Sinksenfoor (Pinksterkermis) staat. Daar bedenkt hij zelf in 1903 een in de lengte doorgesneden wafel, gevuld met door hem zelf samengestelde stroop en noemt zich voortaan Désiré de Lille, naar de kermisattractie waar hij werkt.
Hij blijft zijn wafels verkopen op de kermissen van Brussel en Lille, maar vooral op de Oktoberkermis van Luik kennen ze een reusachtig succes. Nadat hij met de kermisfamilie verder is gereisd naar Parijs en San Malo, waar hij zijn vrouw Louise leert kennen, gaat Désiré uiteindelijk zijn eigen zaak openen in Luik. Zijn speciale stroopwafels noemt hij naar zijn vroegere werkgever: lacquemants. Zijn nazaten staan nog steeds op kermissen, maar hebben ook vaste wafelhuizen in grotere steden, zoals hier in Antwerpen. Omdat je zo’n wafel op een kermis onderweg wilt opeten, worden ze daar in een papieren hoorntje geserveerd.
Aan het eind van de straat kom je langs een
CALVARIEBERG
Schrijnwerkersstraat.
Deze calvarieberg uit 1710 – tel de Romeinse cijfers maar op – vervangt een alleenstaande kruisbeeld met lantaarn op een brug die hier over de vestinggracht van de tweede stadswal lag. Dat water stroomt er nu via buizen onderdoor, maar is niet langer zichtbaar.
In 1710 (= MDCCX) wordt deze calvarieberg al opgericht en met een onderbreken in de Franse tijd opnieuw geplaatst in 1814. Christus en zijn kruis zijn polyester kopieën van de originelen beeldhouwwerken, Maria links en evangelist Johannes rechts zijn wel origineel, net als beide knielende engelen. Zo’n calvarieberg werd onderhouden door de buurtbewoners, die ook zorgden dat in de lantaarn op de brug een olielamp brandde.
Naar verluidt is op een donkere avond op die brug de Fransman Christoffel Plantijn overvallen, waardoor hij gewond raakte aan zijn hand en niet langer het vak van boekbinder kon uitoefenen en daarom maar drukker is geworden met als nalatenschap het beroemde Plantijn-Moretusmuseum aan de Vrijdagmarkt.
Neem nu even een kijkje aan de achterzijde van deze calvarieberg.
DE WILDE ZEE
Zo wordt deze winkelwandelwijk genoemd en hier zie je waar die naam vandaan komt. Een waterloop van links naar rechts duidt aan hoe hier de stadsgracht vanaf links naar de Schelde rechts liep. Bij het gele kruisje links sta je nu zelf en zie je dat de stadsgracht een stompje knik naar boven maakt, in feite dus naar links richting Wiegstraat. Wanneer het vloed was stroomde het water van de Schelde de gracht in, om er met eb weer deels uit te stromen. Bij het instromen zorgde die knik in de stadsgracht dat het water hier nogal wild klotste en zo ontstond dus de naam Wilde Zee.
Ga even terug naar het pleintje waar vier straten samenkomen. Op de hoek van de Groendalstraat en de Korte Gasthuisstraat zie je de Neuhaus-pralinewinkel.
Voor Nederlanders: er wordt in België niet over bonbons gesproken, zeg dus pralines.
NEUHAUS – DE UITVINDER VAN DE PRALINE
Korte Gasthuisstraat 1.
Een Zwitserse apotheker Jean Neuhaus vestigt zich in 1857 in de Brusselse Koninginnegalerij. Omdat medicijnen vaak niet zo lekker smaken, gaat hij die omhullen met chocolade, want hij is zich al gaan toeleggen om naast medicijnen ook fijne confiserie te maken. Jean geeft in 1912 zijn passie voor confiserie door aan zijn kleinzoon Jean junior. Die vervangt de medicijnen door een lekkere vulling en creëert daarmee de eerste Belgische praline. Die lekkernij verkoopt hij aanvankelijk in een puntzak, maar daardoor worden de pralines enigszins samengedrukt en het presenteert niet echt smakelijk. Zijn vrouw Louise Agostini bedenkt daar een oplossing voor: het enigszins langwerpige pralinedoosje, ballotin genoemd, dat nu nog steeds wordt gebruikt door chocolatiers.
De naam praline is dan weer het idee van een kok Clément Jaluzot, die in suiker gebrande amandelen serveert aan zijn baas, de Franse maarschalk Du Plessis-Praslin, die tussen 1598 en 1675 heeft geleefd. En diens tweede naamdeel gebruikt Clément als naam voor zijn lekkernij.
Wandel verder de Korte Gasthuisstraat, een verkeersvrije winkelstraat.
IITTALA
Korte Gasthuisstraat 24.
Hier was ooit de chique interieurzaak van François en Charles Franck gevestigd. François heeft de schilders- en behangerszaak uit de Kuipersstraat die in de tweede helft van de 19de eeuw en zal die samen met zijn twee jaar oudere broer Charles uitbouwen tot een meubel- en decoratiezaak voor de rijkere burgerij. Bijgestaan door de Mechelaar Frans Bruylants maken ze onder meer eigen stoelen in een beperkte oplage van twee à drie stuks, steeds voorzien van een fabricagenummer Bovendien beschikt François over een grote overredingskracht waarmee hij klanten kan overtuigen hun hele woning te laten inrichten in Frack-stijl, d.w.z. met zijdebehang, Japanse lak en parelmoer, of een aantal exclusieve meubels aan te schaffen. De rekeningen daarvoor zijn dus navenant behoorlijk hoog, maar volgens Franck steeds in verhouding tot de geleverde prestatie. Dat leidt tot volgende anekdote. Na een nieuw gebouwde woning volledig te hebben gestoffeerd vraagt François aan de eigenaar of die misschien nog een brandkast wenst te hebben. De zeer rijke heer antwoordt glimlachend: “Meneer Franck, als ik al uw rekeningen zal hebben betaald, heb ik geen brandkast meer nodig.”
Gezien het winkelhuis doorloopt tot in de Everdijstraat komen we nog terug op deze bijzondere Antwerpenaar, want hij heeft ook veel gedan voor kunstenaars.
GEBOORTEHUIS MATTHIAS SCHOENAERTS
Korte Gasthuisstraat 30.
Hier op de tweede verdieping heeft Mathias Schoenaerts zijn eerste kinderjaren doorgebracht met zijn moeder Dominique Wiche, terwijl zijn vader Julien daar ook regelmatig langskwam. Samen met zijn vader zou hij op iets latere leeftijd op de theaterplanken staan in de titelrol van ‘De Kleine Prins’ naar het boek van Antoine de Saint-Exupéry. Matthias’ filmdebuut als acteur vindt plaats in 1992 als Wannes Scholliers in de film Daens van Stijn Coninx, het begin van een hele reeks rolprenten. Daarnaast is Schoenaerts bekend als graffitikunstenaar onder het pseudoniem Zenith. Werk van hem is te zien in Oostende, met name Thinks Outside The Box (2017 – de titel in grote kleurrijke letters) en Fallen Power (2020 – een onthoofde koning Leopold II op een paard). Een zelfportret van Mathias is te zien in Charleroi op een schutting in de Chemin de Halage naast de Sambre.
Waar rechts de Everdijstraat uitkomt in de Korte Gasthuisstraat zie je meteen links:
BAKKERIJ GOOSSENS
Korte Gasthuisstraat 31.
Een zeer klein winkeltje, maar ongetwijfeld de bekendste bakker van Antwerpen. Verbaas je dus niet wanneer je een hele rij klanten buiten voor de winkeldeur ziet aanschuiven, behalve op zondag, dan is de zaak gesloten – heel opmerkelijk voor Belgische bakkers.
Ook hier een anekdote: er zouden vroeger vaak fotografen van de Russische krant de Pravda hier gesignaleerd zijn. Hun foto’s moesten bewijzen dat ook in het Westen de mensen in rijen voor de winkels stonden.
Maar nog bekender is een speciaal rozijnenbroodje dat hier wordt verkocht, het roggeverdoemeke. Dat heeft alles te maken met de in 1375 geboren Nederlandse koopman Pieter Pot. Hij verkent een flinke brok van de wereld aan boord van een schip en belandt daarbij ook in Syrië. Hij vergaart in de wolhandel met dat land een fabelachtig fortuin. Voor u kan het verbazen, maar voor Antwerpenaren spreekt het vanzelf dat als zo’n bereisd man in 1415 Antwerpen ontdekt, hij meteen tot de conclusie komt dat deze stad het beste plekje s om zich te vestigen. Samen met zijn vrouw Maria Terrebroodts doet hij dat in 1418 in wat nu de Grote Pieter Potstraat heet.
In 1433 richten ze bij hun woning een bidkapel op, waaraan een eigen kapelaan wordt verbonden, die elke woensdag aan de armen een brooduitdeling mag doen. Pieter stelt daarvoor graag zijn graanschuren beschikbaar, want graan heeft hij ruimschoots. Pieter bezit heel wat grond in de omgeving van Antwerpen en verder weg in Zeeland. Hij is zelf intussen verhuisd naar en wat ruimer optrekje in Edegem.
Voor bajesklanten die opgesloten zijn in het Steen – een bescheiden burcht aan de Schelde – wordt hun strafregime wat verlicht doordat hen op tijd en stond een roggebroodje via Pieter wordt aangereikt. En dat is dus ons roggeverdoemeke. Je kan het zelf bij deze bakker kopen, nu zitten er zelfs krenten in.
Nog enkele stappen verder zie je aan de rechterzijde een beeldje.
Den DEUGNIET Dit bronzen beeldje is zowat de tegenhanger van het Brusselse ‘Manneken Pis’. Eronder staat een liedjestekst van de Antwerpse volksliedzanger John Lundström. Onze Deugniet heeft duidelijk schijt aan de burgerlijke Sinjoor, zoals de bijnaam van de Antwerpenaren luidt. Maar zijn gatje glanst van het erover wrijven, want dat brengt geluk.
Het beeldje is in 1976 gemaakt door Luc Verbeke en hier op 2 juli 1997 geplaatst. Een vereniging ‘Den Deugniet’ zorgde ervoor dat het ventje regelmatig een nieuw op maat gemaakt kostuumpje kreeg, in navolging van zijn Brusselse broertje, maar daar lijkt toch wat de klad in gekomen. Nog dit: treft u een lege sokkel aan, dan is Den Deugniet weer eens voor korte of langere tijd ontvoerd.
Zet enige stappen terug in de Korte Gasthuisstraat en sla tegenover bakker Goossens links de Everdijstraat in. Aan je rechterzijde zie je vlak naast huisnummer 49 een fraaie poort. Dat is de vroegere toegang tot de binnenplaats achter de IITTALA-winkel waar voorheen de interieurzaak van de gebroeders Franck was gevestigd. Het volgende huis was zijn woning.
WOONHUIS FRANÇOIS FRANCK
Everdijstraat 43.
Er hangt hier een koperen plaat aan de gevel met de tekst: “In dit pand woonde en werkte verzamelaar en mecenas François Franck (1872-1932) bezieler van de vereniging “Kunst van Heden”. Want inderdaad, François beperkte zich niet tot luxueuze huisinrichting, hij deed ook heel wat voor kunstenaars. Zo huurt hij in de Falconrui (nabij het Bonapartedok) de kapel van het Godshuis Lantschot, eerst als meubelopslagplaats, maar al spoedig krijgt het idee om daar iets met kunst te gaan doen. Hij richt samen met anderen de vereniging De Kapel op. Het wordt een ontmoetingscentrum voor schrijvers, schilders, politici waar van gedachten wordt gewisseld over artistieke, filosofische en politieke ideeën, vaak met een anarchistisch inslag. Heel wat bekende personen komen er lezingen geven: schrijvers Emilie Verhaeren, Stijn Streuvels en Frederik van Eeden, architect Henry van de Velde. Op donderdagavonden kwamen ze daar samen, zowel intellectuelen als handarbeiders. Naast die samenkomsten waren er ook tentoonstellingen van schilderijen.
Maar François doet meer. In 1905 weet hij een aantal vermogende Antwerpse zakenlui rond zich te verzamelen: Grisar, Kreglinger, Fester, Serigiers … Hij ziet kans om van elk een bedrag van 100.000 Belgische frank los te krijgen en richt daarmee op 1 maart 1905 de vereniging Kunst van Heden op. Doel is het stimuleren van eigentijdse kunstenaars en het aankopen van hun werken. En in 1925 is hij mede-initiatiefnemer van een fonds De Vrienden van de Moderne Kunst, dat ervoor zorgt dat het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten een grote verzameling eigentijdse kunst verwerven kan, gefinancierd door mecenassen, zeg maar de rijke kennissen van François Franck.
Als in 1930 voor de derde maal een Wereldtentoonstelling in Abntwerpen plaatsvindt heeft Kunst van Heden daar een eigen paviljoen. En het is opnieuw François Franck die ervoor zorgt dat het Antwerpse museum een afgietsel krijgt van Auguste Rodins bronzen beeld van de Franse schrijver Honoré de Balzac, vandaag te bewonderen in het Middelheim Beeldenpark.
Wanneer François Franck in 1903 in 1903 James Ensor ontmoet, leidt dat tot een grote bewondering voor diens werk en François zal dan ook zijn hele leven een van de belangrijkste sponsors van James Ensor blijven.
Helaas is François einde niet enkel onverwacht, maar ook weinig spectaculair. Tijdens een wandeling in Oostende over de zeedijk met zijn kleinkinderen op 23 maart 1932 stapt François achteruit om een groepsfoto te maken, valt en komt met zijn hoofd ongelukkig op de dijkhelling terecht. Na een zeer druk bijgewoonde mis wordt hij bijgezet in het familiegraf op het Schoonselhof, het bekendste Antwerpse kerkhof vol bijzondere graven en monumenten.
Meteen door naar het volgende huis met de witte ramen en deurlijsten.
WOONHUIS Dr. JAN MANIEWSKI
Everdijstraat 41.
Janos Maniewski was de kleinzoon van schrijver Willem Elsschot, wiens dochter met deze Pool was gehuwd. Als grootvader Elsschot op een dag met de kleine Janos in de tuin aan het wandelen is, ziet hij enkele mussen op het gazon hippen. Vanaf dat moment noemt hij zijn kleinzoon Tsjip en dat zal ook de titel van het boek worden waarin hij deze familiegebeurtenissen beschrijft. Na de Tweede Wereldoorlog komt daarop nog het vervolg De Leeuwentemmer, dat doorgaans samen met Tsjip wordt gebundeld.
VOORMALIG KINDERZIEKENHUIS LOUISE-MARIA
Everdijstraat 35 – rechts (Monar)
Hier komt een vrouw het verhaal binnenwandelen, ongehuwd, maar niet onbemiddeld en vooral met een stevig doorzetters karakter. Constance Teichmann wordt op 16 juni 1824 gebore, als derde dochter uit het tweede huwelijk van vader Theodoor met Mimi Cooppal. Haar moeder is directe familie van Pieter Frans Cooppal, die in het Oost-Vlaamse Wetteren een familiale buskruitfabriek leidt, die tot de top van de Europese wapenindustrie behoort. Het bedrijf levert buskruit en lonten aan diverse Europese regeringen, vanaf 1815 ook aan de Nederlandse overheid en na het ontstaan van België in 1830 ook aan dit land. Dat buskruit en die lonten zijn noodzakelijk om kogels uit kanonnen te kunnen schieten.
Maar Constance’s moeder houdt zich vooral met liefdadigheid bezig, zoals het stichten van een weeshuis voor alleenstaande jonge meisjes die verkeerd terecht dreigen te komen. En zij haalt ook de Zusterkens der Armen naar Antwerpen
Ook dochter Constance Teichmann gaat van zorg voor de zwakkere medemens haar volledige levensvulling maken. Dat krijgt vorm in 1844 met de oprichting van de Société des dames de la Charité – bij de Teichmanns wordt thuis Frans gesproken – een groep vrijwilligsters die zieken en armen thuis bezoekt. Om geld binnen te krijgen voor daadwerkelijke hulp organiseren deze dames uit de betere kringen vanaf 1845 concerten. Bij het eerste op 28 maart treedt Constance zelf op als zangeres, want zij beschikt over een uitstekende sopraanstem.
Door haar vele activiteiten wordt Constance beperkt wat haar huisbezoeken aan zieken en armen aangaat. Daarvoor bedenkt ze als oplossing de oprichting van een specifiek kinderziekenhuis. Ze koop met pa’s geld een huis aan de toenmalige Sint-Jorisvest – vandaag Tabaksvest – waar 30 kinderen opgevangen kunnen worden, die door vier gasthuiszusters en 29 vrijwilligers verzorgd worden. Constance is zelf dan 22 jaar. De verzorging in haar gasthuis is gratis, met dokter Claude-Louis Sommé als eerste arts. Op dat moment bestaan er in heel Antwerpen slechts twee grote ziekenhuizen, het nabije Sint-Elisabethgasthuis en het Militaire Hospitaal op het terrein waar nu het Groen Kwartier is.
Snel wordt duidelijk dat de dames van die Société des Dames de la Charité niet de juiste kennis hebben om zieke kinderen te verzorgen. Daarom wordt er een beroep gedaan op enkele gasthuiszusters, terwijl de dames zich bezighouden met waar zij wél goed in zijn, het organiseren van feesten. Zo staan zij borg voor de financiering van het kinderziekenhuis. Op 6 augustus 1851 krijgt dat een eigen naam wanneer koning Leopold I de goedkeuring geeft om het te noemen naar zijn vrouw Louise-Maria.
Het succes doet kinderziekenhuis Louise-Maria snel uit zijn voegen groeien en er wordt een ruimer pand gevonden op de plaats waar je nu staat. Hier krijgen tussen 1851 en 1877 zo’n 30 kinderen verzorging van vier zusters, bijgestaan door dertig vrijwilligers. Achter het gebouw is zelfs een tuin beschikbaar. Later zal het kinderziekenhuis nog enkele keren naar telkens weer grotere en modernere gebouwen verhuizen.
Bijna een halve eeuw later komt hier drie jaar lang het Anna Bijnsgesticht voor oudere mensen – genoemd naar een 16de-eeuwse dichteres -om dan een gemengde kleuter- en lagere school te worden van het Sint-Lodewijksinstituut, dat even verder nog als middelbare school bestaat. Je ziet daarvan nog achteraan een kleine met glas overdekte speelplaats. Maar als in 2004 blijkt dat de gebouwen niet langer veilig genoeg zijn om er les in te geven, sluit die school op 30 juni 2004. Tien jaar later wordt het geheel gerenoveerd tot winkels, vier studio’s en acht appartementen.
SINT-JORIS
Everdijstraat 35 – rechts Monar
Wie kent hem niet, de bouwer van het Antwerpse stadhuis? Cornelis Floris de Vriendt koopt dit pand in 1549 om er zowel zelf te gaan wonen in het linter gedeelte, als er rechts zijn werkplaats van te maken. Achter de drie raampartijen links wordt er gewoond. Op de plaats van het middelste en het rechter raam was er tot 1877. Pas in een grote poort onder een rondboog als voordeur. Maar de woning krijgt pas een derde verdieping in de tweede helft van de 18de eeuw. De gevel is mooi bewerkt met vensterlijsten in blauwe hardsteen. Die dragen steenhouwersmerken van Anthoine Hanicq en Grégoire Boule, die eveneens voorkomen op de poorten van het Hessenhuis nabij de Stadswaag. En de merktekens staan ook op de 16de-eeuwse delen van het Brugse belfort. Blauwe hardsteen kwam uit Wallonië, met name uit de groeven in Feluy, Arquennes en Ecaaussines. Zulke merktekens zijn niet de handtekening van de steenkapper die hier ter plaatse werkte, maar van de exploitant van een deel van zo’n steengroev die het materiaal leverde. Aan deze gevel hangt ook een gekroonde Maria met Jezus op haar rechterarm. Antwerpen telt veel Mariabeelden en dat is geen toeval. Al tijdens de Spaanse tijd worden er Mariabeelden opgehangen aan gevels, vaak op straathoeken en zoals ook hier voorzien van een lichtarm.als straatverlichting.
Als in 1566 de Beeldenstorm opsteekt tegen de macht van de Roomse Kerk worden heel wat Mariabeelden vernield. Maar vanaf 1585 voert de katholieke Kerk een politiek van herkerstening, de Contrareformatie, daarin gesteund door het Spaanse vorstenpaar Albrecht en Isabella. Veel aanhangers van Luther of Calvijn verlaten Antwerpen en er worden nieuwe beelden gebeiteld.
Maar als in 1795 revolutionaire Fransen dit land anexeren, vaardigen zij op 25 september 1797 een verordening uit dat alle beelden afgebroken moeten worden. Opnieuw verdwijnen talrijke beelden van de gevels, dikwijls weggehaald door de huiseigenaar en in huis verborgen. In 1814, na de nederlaag van Napoleon bij Waterloo, komen ze opnieuw tevoorschijn. Vandaag probeert de vereniging ‘Voor Kruis en Beeld” de resterende exemplaren in stand te houden door ze officieel te beschermen en zo mogelijk te restaureren.
HERENHUIS HAGELSTEEN
Everdijstraat 31.
In 1621 verkoopt de familie Van Eeden dit huis aan Cornelis II Lantschot, een van oorsprong Nederlandse familie, die in de 16de eeuw naar Antwerpen komt. Maar ze wijken uit voor wat uiteindelijk een Tachtigjarige Oorlog blijkt te worden naar het hertogdom Gulik, waar Cornelis op 10 februari 1572 het levenslicht ziet in Steyl, nabij de huidige Nederlands Limburgse stad Venlo. Cornelis stort zich als koopman en financier in zaken, gaat eerst in het nu in Frans-Vlaanderen geleden Atrecht (Arras) wonen om van daaruit zijn belangen in Antwerpen te behartigen. Maar rond 1640 is hij al rijk gevworden en settelt hij zich in Antwerpen. Hij woont niet hier in Hagelsteen – dat dan nog één verdieping minder telt – maar aan de Meir in Huis Roose, waar zich vandaag het Paleis-op-de-Meir verhefr. Wanneer Cornelis op 26 april 1656 overlijdt, blijkt hij bij testament geld te hebben voorzien voor de oprichting van een godshuis, een instelling voor opvang en verzorging van minder bedeelde burgers, te vergelijken met hedendaagse zorgcentra. Zijn Godshuis Cornelis Lantschot verrijst aan de Falconrui in de havenwijk. Twaalf éénkamer woningen met zolder voor evenveel gebrekkige oude mannen, ‘die met goede naam en faam geleefd hebben’ zoals Corneel uitdrukkelijk stipuleert. Zijn godshuis omvat ook een binnenplaats en een kapel, gewijd aan de Helige Rosalia van Palermo, destijds aangeroepen als bescherming tegen de pest. Over die kapel weet je intussen dat daar dankzij François Franck later een vereniging van schilders, schrijvers en beeldhouwers samenkwam tijdens voordrachten en discussies.
Cornelis Ii Lantschot heeft een grafmonument gekregen in de Sint-Jacobskerk (Universiteitswijk) nabij de kapel van de Zoete Naam Jezus met een opmerkelijk grafschrift, waarvan de laatste twee regels de meest gelezen zijn in deze kerk: ” Men wint den hemel met gewelt / of is te koop met kracht van geldt”. Klinkt vandaag zeer bezitterig, maar Corneel was iemand die vooral zijn geld uitgaf aan goed doelen. Van hem kan beweerd worden dat hij zich heeft ‘doodgedeeld’, een ware weldoener.
Een nazaat en naamgenoot van Cornelis Lantschot sticht in 1737 in het Nederlandse ‘s-Hertogenbosch een handel in koloniale waren, zeg maar koffie, thee, suiker, rijst, die hij aankoopt bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie, een zaak die je als voorloper kan zien van onze supermarkten. Nazaten van hem richten in 1799 de Nederlandse Bank Van Lanschot op, vandaag actief als beleggingsbank voor een welstellend publiek. Graag verwijst die bank naar onze rijke Cornelis als min of meer hun stichter, al bestaat er beslist geen rechtstreekse band met hem.
Huis Hagelsteen is intussen meermaals gerestaureerd en heeft in 1880 zijn derde verdieping gekregen. Achter de houten poort naar een binnenplaats ligt een rondboogarcade met Toscaanse zuilen. Binnenin zijn er restanten van 18de-eeuwse rococoplafonds, versierd met schelpen, druivenranken en -trossen.
Intussen heb je volop zich op twee sterk uiteenlopend bouwwerken: een hoog oprijzend rechttoe-rechtaan bouwblok en de slanke torenspits van de vroegere Sint-Augustinuskerk.
GEWEZEN ADMINISTRATIEF CENTRUM EN POLITIETOREN
Oudaan 15.
Eigenlijk is deze toren het restant van een mislukt project, hoewel hij zelf volledig voltooid is. Dat zat zo: in 1949 stelt burgemeester Lode Craeybeckx een driejarenplan op voor openbare werken als aanzet voor de heropleving van Antwerpen na de Tweede Wereldoorlog. Een van die grote bouwprojecten is een administratief centrum waarin alle ambtenaren van de stad gehuisvest zullen worden. Want op dat moment zijn allerlei stadsdiensten heel verspreid op allerhande adressen gevestigd, zodat bewoners nogal eens van de ene straat naar de andere worden gestuurd als ze iets van het stadsbestuur nodig hebben. Interne efficiëntie in combinatie met betere bereikbaarheid wordt het doel van een nieuwbouw. Die zal komen op het terrein tussen de Oudaan en de Everdijstraat, waar voorheen sinds 1840 onder de naam Cité een overdekte vleesmarkt met nog enkele andere winkels actief was geweest. Omdat het stadsbestuur al eigenaar van het terrein was, hoefde er amper iets onteigend te worden, dus het bouwen zou vlot kunnen starten.
De keuze van de architect valt op twee jonge docenten Stedebouw Renaat Braam en Maxime Wijnants.
Renaat Braem heeft internationale ervaring, met name een stage bij de Frans-Zwitserse architect Charles–Edouard Jeanneret-Gris, algemeen bekend als Le Corbusier, de achternaam van zijn vrouw. Le Corbusier is een van de drijvende krachten achter de grote internationale architectuurgroep Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM)
Braem publiceert in 1968 zijn ophef makende boek ‘Het lelijkste land ter wereld’ over het gebrek aan stedenbouwkunde in België.
e architecten leggen in september 1950 een voorstel voor aan het stadsbestuur, maar allerlei stadsdiensten verzetten zich, waardoor pas in 1957 de definitieve versie van het bouwplan op papier staat. Het hele gebouw zou bestaan uit twee torens, één hoge van zestien verdiepingen aan de Lombardenstraat en een lagere bij de Korte Gasthuisstraat. Beide torens verbonden door een laagbouw van vier verdiepingen. Omdat door het uitstel een toelage van het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw wegvalt, moet het stadsbestuur zelf het eerste torengebouw financieren. Daarom wordt het ontwerp afgeslankt en vindt de eerste steenlegging op 9 oktober 1958 plaats. De ruwbouw van de huidige toren is eind juli 1960 af, maar dan wordt de werf vier jaar stilgelegd. Bij de hervatting in november 1964 blijkt de constructie al enige schade te hebben geleden, waardoor herstel nodig is met extra kosten. Najaar 1966 wordt de eerste toren voltooid en meteen in gebruik genomen door het stedelijk politiekorps, de 76 meter hoge Politietoren is daarmee een feit. Intussen hebben de architecten al in maart 1961 hub plannen voor de rest van het Administratief Centrum voorgelegd aan het stadsbestuur. Maar dat richt nog een commissie op die de huisvestingsnoden van de diverse stadsdiensten in kaart moet brengen. Wat blijkt? Door de groei van het ambtelijk apparaat heeft het stadsbestuur al afgezien van de beoogde concentratie op één locatie. Bovendien hebben veel stadsdiensten intussen al zelf nieuwe locaties gevonden, onder meer aan de beter voor auto’s bereikbare Desguinlei nabij de Grote Ring. En gezien een kantorencomplex door het toegenomen verkeer in de binnenstad niet meer opportuun wordt geacht, wordt het hele project definitief afgevoerd.
Bouwpromotor Marc Peeters krijgt dan toelating voor de aanleg van een ondergrondse parking en een winkelcentrum met studios op het niet meer gebruikte terrein en dat wordt dus de Bijenkorf, zoals de laagbouw langs de Everdijstraat tegenwoordig wel wordt aangeduid. Maar door het ontbreken van een supermarkt die volk trekt, is ook dat amper geslaagd. Met name het binnengebied maakt een lege indruk met amper passage en weinig winkels. En wanneer recent ook de stedelijke politie naar een ander onderkomen is verhuisd, wacht deze toren op een nieuwe invulling, waarover wordt onderhandeld.
Intussn passeer je rechts de
LOMBARDENSTRAAT
Geen spontaan ontstane straat, maar door een 16de-eeuwse projectontwikkelaar in 1546 getrokken op gronden van ‘De Oude Lombaerd’. Over Gilbert Van Schoonbeke, die projectontwikkelaar, kan een heel boek geschreven worden. En dat is dan ook gebeurd, zelfs diverse boeken. Als hij deze straat laat aanleggen is hij nog bescheiden bezig met het opkopen van afzonderlijke gebouwen en gronden om daar straten over te trekken. Maar niet veel later legt Gilbert hele pleinen aan met daarrond gebouwen en laat hij drie vlieten uitgraven haaks op de Schelde als oplossing voor een tekort aan ankerplaatsen langs de Scheldekaaien. Hij bouwt ook een gedeelte van de Antwerpse vestingwallen, de zogeheten Spaanse Vesten, waar in een halve cirkel van leien over die oude stadsgrachten loopt: Amerikalei, Frankrijklei, Italiëlei. En hij richt nabij zijn vlieten een hele reeks brouwerijen op met een apart Waterhuis om hen via pijpleidingen van goed brouwwater te voorzien. Bij al die bouwprojecten gebruik Van Schoonbeke eigen kalk- en steenovens, die gestookt worden met turf die hij helemaal uit Nederland laat aanvoeren van de plek waar je vandaag dankzij Gilbert de stad Veenendaal aantreft in de provincie Utrecht. Archeologisch onderzoeheeft bovendien aangetoond dat de Lombardenstraat aanvankelijk eerder smalletjes was, want bij heraanleg bleken zich onder de rijweg fundamenten van huizen te bevinden.
Lombarden
Hoe zit het met die Lombarden? Het gaat om Italianen uit Lombardije en vaker nog uit Piëmonte, die dankzij de financiële kennis uit hun vaderland weten hoe internationale geldzaken geregeld kunnen worden. Naast betalingen over grote afstanden zijn ook transacties in verschillende munten belangrijk. Aanvankelijk duiken die Lombarden op bij de jaarmarkten van de Franse Champagnestreek, waar veel wol en de daamee gemaakte lakense producten worden verhandeld. Ze zetten dan hun kramen op, waar op een tafel een weegschaal en zakken munten de attributen vormen. Het Italiaanse woord ‘banca’ voor zo’n tafel wordt later een algemene term als het gaat om instellingen met geld als handelsactiviteit, banken dus.
Steek de Lombardenstraat over naar het andere delel van de Everdijstraat
SACRISTIE SINT-AUGUSTINUSKERK
Everdijstraat.
Je staat hier voor de ingang van de sacristie van een kerk die zijn grote ingang aan de Kammenstraat heeft. Doordat die straat de Everdijstraat schuin snijdt is het gevolg dat alle huizen die hier aan de linkerzijde van de Everdijstraat staan – de pare nummers – steeds minder diep worden totdat de kerk hier zelf aan de straat paalt. In de kerk zelf zie je deze sacristie niet, want die ligt achter het kerkkoor. Je ziet ook een oprit naar de andere kant van het gebouw lopen, waar thans een eigentijdse ‘artiesteningang’ is gemaakt. Er worden geen kerkdiensten meer gehouden, het gebouw is nu het Augustijner Muziekcentrum (AMUZ).
D.O.M. B. VIRGINI MATRI ET PATRI AVGVSTINO SACRVM lees je boven deze toegangsdeur. De eerste drie letters staan voor Deo Optimo Maximum – Aan de Opperste God. B(earus) Virgini Matri – Gelukzalige Moeder Maagd (Maria) en Patri Avgystino Sacrum – Heilige Vader Augustinus. Sommige mensen hebben een wat kortere naam op hun deur staan, maar je weet hier tenminste waar je binnenstapt.
Ja, waar stap je eigenlijk binnen? In een kloosterkerk, hier gebouwd tussen 1615 en 1618 als deel van het grote augustijnen-observantenklooster, goeddeels betaald door ons toenmalige vorstenpaar Albrecht en Isabella. Architect Wenceslas Coeberger zou later voor datzelfde echtpaar nog de basiliek van Scherpenheuvel bouwen, het bekendste bedevaartoord van Vlaanderen.
Die augustijnen beperkten zich niet tot een klooster en een kerk, er was ook een school waar deze orde leerlingen van de betere burgerij een middelbare opleiding gaf. De woorden onderwijs en Augustijnen zijn vaak met elkaar verbonden, Augustinus van Hippo (354-430) is een van de westerse kerkvaders, personen die veel hebben bijgedragen aan de geloofsleer van de katholieke Kerk, hoe de houding als gelovige tegenover allerlei ideeën, gebeurtenissen en gebruiken dient te zijn . We komen later tijdens de wandeling nog op deze kerk terug.
Wandel verder door de Everdijstraat, we kijken links en rechts.
GREGORIUS – AUGUSTINUS-HIËRONYMUS
Everdijstraat 12-10.
Drie huizen, allemaal een heiligennaam dragend, voorafgegaan door een H. of een S. om hun status voor iedereen duidelijk te maken. Gregorius en Augustinus waren oorspronkelijk twee aparte panden, behorend bij de Sint-Augustinuskerk en via hun namen verwijzend naar kerkvaders. Hiëronymus dateert van 1582, maar is in 1924-’25 gerestaureerd door de architecten Vincent Cols en Jules De Roeck. Reeds in 1916 laat de kerkfabriek een restauratie-ontwerp opmaken door architect Jan De Vroey voor alle drie de panden. Maar het is dan nog volop Eerste Wereldoorlog en daardoor volgt uitstel.
In 1928 mag het duo Cols-De Roeck nog eens aan de slag voor de Sinten Gregorius en Augustinus, maar die huizen blijken inmiddels zo bouwvallig dat er niets anders opzit dan ze te slopen. Maar meteen daarna zijn ze helemaal opnieuw opgebouwd, een werk dat al in 1929 gereed komt. Die herbouw is niet slinks gebeurd, maar met goedkeuring van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Daarbij wordt teruggegrepen naar het eerdere ontwerp van Jan De Vroey. Maar deze ‘oude’ gevels dateren dus uit de 20ste eeuw.
In Everdijstraat 12 was enige tijd het Vredescentrum van de Provincie en Stad Antwerpen gevestigd. Dat houdt zich bezig met projecten voor scholen en organisaties rond vredesopvoeding en herinneringseducatie, twee monden vol dus. Een nevenactiviteit was het verzamelen van informatie over de inslagen van V1 en V2’s op Antwerps grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. De eerste waren vliegende bommen met een afgesteld motor die moest blijven draaien tot het doelwit was bereikt en dan stilviel, waardoor de bom op het doelwit terecht kwam. Veel V1’s zijn door de luchtverdediging in de vlucht onschadelijk gemaakt, maar er zijn niettemin heel wat inslagen in Antwerpen en omgeving geweest. Een V2 was een echte raket die gelanceerd werd en dan met een grote boog een doelwit moest treffen. Nabij het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten is de eerste V2 in Antwerpen op 13 oktober 1944 ingeslagen op een gebouw op de hoek van de Schildersstraat en de Leopold De Waelplaats om kwart voor 10 ’s morgens. Daarbij zijn 12 doden en 46 gewonden gevallen, naast een enorme ravage. De raket was afgeschoten vanuit Nederland, dat in tegenstelling tot België toen nog maar gedeeltelijk bevrijd was. Doel van al die V1 en V2’s was de haven van Antwerpen om het aanleggen van schepen met Amerikaanse soldaten en materieel te verhinderen.
DE STAD DUINKERKE
Everdijstraat 13.
Wie wat hogerop naar deze gevel kijkt, ziet een hardstenen plaat waarop je leest “In dit huis woonde Adriaan DE BROUWER Kunstschilder 1606-1638 bij PAUWEL DU PONT Plaatsniijder 1603-1658”. Wie zijn dat?
Du Pont, ook wel Pontius genoemd in de 17de eeuw, was een etser. Geboren in Antwerpen op 27 mei 1603 begint hij op zijn dertiende eerst schilderlessen te volgen, om vrij snel van idee te veranderen en over te stappen op etsen. Als leermeester had hij meteen de beste in dat vak, Lucas Vorsterman, de etser van Pieter Paul Rubens. Vorsterman was al op zijn 21ste bij Rubens aan de slag, aanvankelijk tot grote tevredenheid van de schilder, die dacht de jongeman naar zijn hand te kunnen zetten. Dat liep anders af, want als Rubens rond 1620 een soort copyright krijgt op reproductie, dus het afdrukken van zijn etsen, is Vorsterman het daar niet helemaal mee eens. Hij vindt dat de graveur in feite de ets realiseert, terwijl Rubens juist van mening is dat de ontwerper – hijzelf dus – het belangrijkste werk verricht en dus de grootste vergoeding toe komt. Het geschil tussen beiden loopt hoog op en er schijnt zelfs een handgemeen of aanval van Lucas op zijn opdrachtgever te zijn voor gevallen. In elk geval vertrekt Vorsterman in 1624 naar Engeland, waardoor Pauwel du Pont diens plaats kan innemen. Zijn relatie met Rubens is zo goed, dat Pauwel bij hem inwoont tot 1631. Intussen is hij in 1627 ook opgenomen in het Sint-Lucasgilde als kopersnijder en in 1634 treedt hij ook toe tot de rederijkerskamer De Violieren. In 1638 wordt hij eigenaar van de gebouwen van de oude brouwerij De Lelie hier in de Everdijstraat.
Pauwel vertrekt ook enkele jaren uit Antwerpen, maar keert in 1640 terug naar hier. En dan laat hij de oude brouwerijgebouwen slopen om hier in 1641 ‘De Stad Duinkerke’ neer te laten zetten, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen.
Pontius heeft niet enkel voor Rubens gegraveerd, maar ook voor Antoon van Dyck, Jacob Jordaens, Gaspar De Craeyer (de ‘Rubens’ voor wie de grote meester niet kon betalen, dus veel werken voor kleinere kerken), Titiaan en Diego Velazquez, kortom een lijstje dat het goed doet op je curriculum vitae. Maar wellicht was die grote bedrijvigheid voor Pauwel wel een noodzaak. De man is driemaal getrouwd geweest en hield daar drie zonen en vier dochters aan over. Jawel, 55 jaar lang een rijk gevuld leven dat eindigt op 16 januari 1658.
Adriaan (De) Brouwer is in 1606 geboren als zoon van een Oudenaardse tapijtontwerper en komt dus meteen in een kunstzinnig milieu terecht. Maar reeds in zijn jeugdjaren begint de beroemde Oudenaardse wandtapijtproductie te tanen. De familie besluit naar het Nederlandse Gouda te vertrekken, waar Adriaans vader opnieuw aan de slag kan in de tapijtnijverheid. Brouwers zoon legt contacten in het nabije Haarlem en is in de leer geweest bij Frans Hals, zelf een schilder met Antwerpse roots. Hals maakt een beetje misbruik van Adriaans talent, door hem doeken te laten schilderen die Frans zelf signeert en verkoopt als eigen werk. Brouwer wordt er dus niet rijk van. Hij vertrekt dan ook in 1626 naar Amsterdam, waar hij inwoont en werkt bij de Vlaamse schilder-herbergier Barend Van Someren.
Maar al na enige jaren keert Brouwer terug naar het zuiden, eerst naar zijn geboortestad Oudenaarde, waar hij in 1630 de Schepenzaal (nu Trouwzaal) van het monumentale stadhuis decoreert met ‘De Vijf Zinnen’. Het jaar daarop gaat hij naar Antwerpen, waar hij uitgebreide kroegentochten onderneemt en staat ingeschreven bij het Sint-Lucasgilde van de schilders. Maar na een korte reis naar Haarlem wordt Brouwer bij zijn terugkeer in 1633 plots gevangen genomen en opgesloten in Het Steen, mogelijk wegens belastingschulden. Ook bakker Joos van Craesbeeck, die brood levert aan de gevangenis, leert hij met penselen omgaan.
Nadat Adriaan door bemiddeling van Rubens weer op vrije voeten is gesteld, gaat hij in het huis van Van Craesbeeck aan de Kloosterstraat wonen. Joost krijgt de smaak van het schilderen zodanig te pakken, dat hij zijn ovens dooft en verder met enig succes als schilder de kost zal verdienen.
Brouwer wordt lid van de Antwerpse rederijkerskamer ‘De Violieren(, die vandaag nog een lokaal heeft aan de Sint-Nicolaasplaats. Bekende Brouwer-werkken als ‘De Kaartspelers’, ‘De Drinkebroers’ en ‘Her Herberginterieur’ stammen uit die periode.
Mocht je de indruk hebben dat de carrière van Adriaan amper van de grond komt, niets is minder waar. Rubens behoort tot zijn fans en klantenkring en koopt zo’n 17 schilderijen van Adriaan. Ook Antoon Van Dijck knoopt banden aan met Brouwer en schildert diens portret. In het noorden bezit Rembrandt van Rijn zes ‘brouwerkens’, zoals zijn werken op tamelijk klein formaat werden aangeduid. En hij koopt later ook Brouwers schetsboek. Maar amper 33 jaar sterft Adriaan in Antwerpen begin 1638 aan de pest en wordt op 1 februari van dat jaar in de Karmelietenkerk aan de Wapper begraven.
Maar hoe zit het nu met dat wonen van Adriaan Brouwer bij Pauwel du Pont in de Everdijstraat? Dat heeft merkwaardig genoeg nooit plaatsgevonden en was ook onmogelijk omdat ‘De Stad Duinkerke’ pas drie jaar na Adriaans dood gebouwd is.
Natuurlijk heeft ook Pauwel Du Pont deze gevel nooit gezien, want die dateert uit de vroege 19de eeuw, wellicht met een oudere kern. Midden van die eeuw is hier Maison Segers & Van Thielen gevestigd en Stan Segers laat in 1871 het venster boven de deur verlagen tot deurvenster en intussen alweer verwijderde uitspringende gietijzeren daklijsten en een balkonborstwering aanbrengen. Veel later, in de tweede helft van de 20ste eeuw, is hier klasse-restaurant Manoir met op de verdieping een Vlaamse eerkamer met kunstig houtwerk. Die kamer is na de sluiting van het restaurant aanwezig gebleven.
LIVING STONE ART
Everdijstraat 11.
Dit huis spring vooruit in deze straat om dan aan te sluiten bij nr.13. Beide panden hebben een oudere kern, die dateert van voor de straatverbreding in 1 921. Het gelijkvloers is ingenomen door kunstgalerij ‘Living Stone Art’ met zoals de naam al laat vermoeden beeldhouwwerk. Hier uitsluitend werk van Afrikaanse kunstenaars uit Zimbabwe dat recent isgemaakt. Het is niet zo’n diep huis omdat een deel van de woning van de buurman op nr.13 achter deze woning doorloopt.
Keer je om voor een doorgang.
HUIS MET POORTDOORGANG
Everdijstraat 8.
Op de hoek van de Everdijstraat met de Kammenstraat stond ooit brouwerij De Ketel. Wanneer die leeg komt te staan rond 1607 vinden de in dat jaar naar Antwerpen gekomren augustijner paters daar onderdak. Maar al snel starten ze met de bouw van een eigen klooster en een bijbehorende school voor lessen in de ‘humaniteit’ en uiteraard godsdienstonderricht. Ze zullen tot 1676 blijven bouwen aan een complex dat zich uitstrekt tussen de Everdijstraat, Kammenstraat en Oudaan. Daar rest vandaag vrijwel enkel de kerk nog van, school en klooster zijn in de eerste helft van de 19de eeuw gesloopt, met uitzondering van één detail, de kloosetrpoort die vandaag in Everdijstraat 8 is opgenomen. Oorsponkelijk deel van een 17de-eeuws huis, maar sindddien regelmatig verbouwd, waardoor de gevel in niets meer lijkt op een trapgevel.
Achter die merkwaardige poort ligt een hellende doorgang naar de vroegere augustijner kloosterkerk, vandaag muziekcentrum Amuz. Op die poort zie je het jaartal 1610 staan op de makelaar – de lat tussen beide poorthelften. Je ziet er ook een Christusbeeldje en siermotieven op. Bovenaan in steen gebeitelde engelen die er wat nieuwer uitzien. Mara dat komt doordat de eigenaar van huis nr.8 bij de restauratie van zijn woning ook die poortdoorgang mee heeft laten schoonmaker. Dat mocht wel niet, want de poort is een beschermd monument waardoor zo’n ingreep aangevraagd had moeten worden aan een monumentencommissie. “Tja, die Polen hadden dat al gedaan voor ik het zag”, was het excuus van de eigenaar.
Keer je opnieuw om naar de rechterzijde, waarbij ook al een deel van de Kammenstraat (rechtsaf) betrokken wordt.
SOCIALE APPARTEMENTEN WOONHAVEN
Everdijstraat 1-3-5 en Kammenstraat 57-59-61-63-65.
Voor de Eerste Wereldoorlog staan er op deze plek een tiental rijhuizen in verschillende uitvoeringen. Wanneer in de Eerste Wereldoorlog de Duitsers oprukken tot voor Antwerpen stellen ze een ultimatum om de stad over te geven. Aanvankelijk weigert het stadsbestuur daarop in te gaan. Van 7 tot 9 oktober 1914 volgen er daarom vreselijke Duitse beschietingen. Daarbij worden evenwel grote kerken, stadhuizen en andere opmerkelijke gebouwen ontzien. Want biju hun inname van Leuven hadden de Duitsers het rectoraat van de universiteit geraakt, waarbij de bibliotheek met kostbare incunabelen – ingebonden boeken uit het begin van de drukkunst – verloren waren gegaan. Intellectuelen spraken wereldwijd over die barbaarse Duitsers, die onvervangbaar cultuurgoed vernietigden. Keizer Wilhelm wilde herhaling voorkomen en gebood zijn generaals voortaan monumenten te sparen, zodat gewone woonhuizen nu het doelwit werden. Daarbij zijn hier die rijhuizen totaal verwoest, alleen fundamenten en tegels van de kelders zitten nog onder de binnenplaats en de tuin.
Na W.O. I wordt de Samenwerkende Maatschappij Le Foyer Bourgois opgericht, die het hele terrein aankoopt. Dit privé-initiatief wil hier een woon- en handelscomplex bouwen en neemt daartoe architect Daniel Rosseels in de arm. Die komt op 15 januari 1921 met een eerste ontwerp, waarbij de buitengevel in een soort art-nouveaustijl is gedacht, met op de afgeronde hoek ornamenten en ook pintgevels. Voor Rosseels echter met de bouw kan starten overlijdt hij plots op 7 januari 1923, 41 jaar oud.
Rosseels wordt opgevolgd door architect Jean-Laurent Hasse, die zal samenwerken met het Bureau Technique du Batiment Teknon. Hij behoudt het idee van vier winkels met woongelegenheid, drieënveertig huurappartementen en een conciërgewoning onder de poort in twee aaneengesloten blokken in U-vorm rond een binnenplaats. Aanvankelijk lag het in de bedoeling om uit te breiden op aanpalende percelen in de Everdijstraat, maar dat is er nooit van gekomen. Jean-Laurent heeft intussen dr buitengevel aangepast aan een nieuwe bouwstijl, art deco met imitatie natuursteengroeven. In 1925 is het gebouw gereed voor bewoning.
IBegin jaren 1980 koopt sociale huisvestingsmaatschappij De Goede Woning het gebouw. Bij een grondige renovatie wordt de indeling van alle appartementen gewijzigd. Daarbij is het een belangrijk voordeel dat het gebouw een zelfdragende structuur van betonnen kolommen en horizontale balken heeft, waardoor interne ingrepen mogelijk zijn zonder de buitengevels te veranderen. Doordat drie woonblokken hun voordeur op of nabij een binnenplaats hebben, is er ook contact tussen de bewoners. Dat missen beide appartementsgroepe,n aan de Kammenstraat, wier ingangen rechtstreeks op die straat uitgeven.
De naam Everdijstraat zal weinigen iets zeggen, hoewel die naaml reeds vanaf 1282 meegaat. Het is de eigennaam van Everdeius van Lillo, die hier nooit zelf heeft gewoond, maar hier wel een tuin had buiten de wallen van de eerste stadsvergroting, waarbij de muur nog aan de binnenzijde van de Lombaardvest stond en hier dus velden en tuinen. Everdeius wa tussen 1268 en 1290 schout van Antwerpen en was ook hoofdman van de Jonge Vietboog, een schuttersgilde dat mee instond voor de verdediging van de stad. Hij heeft ook nog meegevochten in de beroemde Slag bij Woeringen, die beslist over het Limburg – niet de huidige provincies Nederlands en Belgisch Limburg, maar een hertogdom in het huidige Wallonië met Limbourg als hoofdplaats op een hoge heuvel. Hertog Jan van Brabant wil voorkomen dat dit hertogdom in handen van de Gelderse graven valt en dat lukt. Vandaag is Worringen een noordelijk stadsdeel van Keulen.
Hoog tijd om rechts de hoek om te gaan en zo in de Kammenstraat te belanden.
Verwacht geen kappers in de Kammenstraat, de naam heeft niets te maken met haarkammen. Een kamme was een brouwerij en die zaten er een aantal in deze buurt, want er was zuiver water. Niet uit de Schelde, uit dat water kan je geen bier brouwen, het is teveel met zeewater vermengd en er is eeuwenlang veel afvalwater in geloosd. Midden 16de eeuw verplaatst die brouwersactiviteit zich naar het noorden van het centrum, waar ondernemer Gilbert Van Schoonbeke het Brouwershuis opricht van waaruit die brouwerijen zuiver water krijgen aangevoerd via buizen. Vandaag zul je hier amper een café bespeuren, want het is een winkelstraat geworden met aanvankelijk op maat gemaakte meubels voor binnenhuisinrichting, maar intussen ligt de nadruk op kleding voor de jongere vrouw én man.
Aanvankelijk is deze straat een flink stuk langer. Hij loopt vanaf de Hoogstraat – nabij de Grote Markt – helemaal via de in 1520 gesloopte Cammerpoort met een brug over de daarachter lopende gracht en zo tot een stukje verder dan waar je nu staat. Pas rond 1890 wordt het deel tussen de Hoogstraat en de Groenkerkhofstraat officieel Oude Koornmarkt genoemd, wat de straatlengte omzeggend halveert.
LIEVEN GEVAERT O ja, ook nog dit, naast brouwerijen en drukkerijen is de Kammenstraat 57 (House of Bones) in feite ook de bakermat van het Agfa-Gevaertconcern, want Lieven Gevaert heeft daar met zijn moeder een korte tijd een zaak in inlijstingen gehad en is zo vermoedelijk met fotografie in contact gekomen, waarvoor hij fotopapier is gaan maken. Later zal Paule Pia bijna op dezelfde plek de eerste Antwerpse fotogalerie beginnen.
LIEVEN GEVAERT – de geboorte van een fotografieconcern
Voor de Eerste Wereldoorlog staan er op deze plek een tiental rijhuizen in verschillende uitvoeringen. In een daarvan, Kammenstraat 65, heeft de 15-jarige Lieven Gevaert gewoond, samen met zijn moeder Maria Bruynseels. In 1883 was daar hun zaak Veuve L(ouis) Gevaert & Fils, waar inlijstingen werden gedaan van schilderijen en spiegels, waarnaast ook gravures werden verkocht. Vader Louis was dus al overleden, Lieven is geboren aan de Kleine Markt, ongeveer waar vandaag café Berlin huist. Er waren plannen om aan de winkel een fotoatelier toe te voegen. Maar al in 1885 is de zaak gestopt en in 1886 en ‘87 is Lieven bij Antwerpse fotografen gaan werken. Moeder en zoon zullen zich toeleggen op het vervaardigen van fotopapier voor de afdrukken en wanneer dat succes kent verhuizen naar de Montignystraat op het Zuid en in 1896 naar de Heilig Kruisstraat in Mortsel, waar Lieven vooral calciumpapier voor het afdrukken produceert. Tussen 1904 en 1906 worden aan de Mortselse Septestraat de eerste gebouwen opgetrokken voor het grote Gevaertbedrijf, dat na de Tweede Wereldoorlog door overname van het Duitse AG Farben bekend wordt als Agfa-Gevaert.
Veel later zal fotografie nog op deze plek aan bod komen, wanneer Paule Pia – pseudoniem van Paule Colfs – begin jaren 1970 in Kammenstraat 57 de eerste Antwerpse fotogalerie opent. Zelf heeft ze in de jaren 1960 naam gemaakt als portretfotografe en wordt een van de eerste modefotografen in Vlaanderen. Zij fotografeert bekende beeldende kunstenaars, auteurs en musici, waarbij ze hun portretten op een eigenzinnige en mysterieuze wijze interpreteert. Daarbij overschildert ze eigen zwart-witfoto’s en met die ‘painted images’ verkent ze de grens tussen fotografie en figuratieve kunst. Haar archief is opgenomen in de collectie van het Antwerpse FoMu-fotomuseum.In haar Galerie Paule Pia laat ze het publiek kennismaken met zowel Belgische als ook vooral buitenlandse fotografen met internationale faam.
Wanneer in de Eerste Wereldoorlog de Duitsers oprukken tot voor Antwerpen stellen ze een ultimatum om de stad over te geven. Aanvankelijk weigert het stadsbestuur daarop in te gaan en daarom volgen er vreselijke Duitse beschietingen van 7 tot 9 oktober 1914. Daarbij worden monumentale gebouwen evenwel gespaard, want bij de inname van Leuven hadden de Duitsers het rectoraat van de universiteit geraakt, waarbij de bibliotheek met kostbare incunabelen – ingebonden boeken uit het begin van de drukkunst – verloren waren gegaan. Intellectuelen spraken wereldwijd over de barbaarse Duitsers, die onvervangbaar cultuurgoed vernietigden. Keizer Wilhelm wilde herhaling voorkomen en gebood zijn generaals voortaan monumenten te sparen, zodat gewone woonhuizen nu het doelwit werden. Daarbij zijn hier die rijhuizen totaal verwoest, alleen fundamenten en tegels van de kelders zitten nog onder de binnenplaats en de tuin.
WITZUSTERKLOOSTER – Sint-Egidiusvereniging
Kammenstraat 51.
Op een opvallende poort met calvarie luisteren Johannes en Maria toe hoe Maria-Magdalena haar orgieën in de mega-dancing opbiecht. Bij de witzusters hier was zij welkom. Broeder Geeraert – binnen de kloostermuren Geroldus genoemd – sticht hier in 1312 een huis om zondaressen een heropvoeding tot goede en godvruchtige vrouwen te bezorgen. Geen min programma. Hij weet er de witzusters voor te spannen, evenals hertog Jan II van Brabant. Deze laatste hoeft zich niet persoonlijk met die vrouwen in te laten, hij moet enkel maar toestaan, dat er in het hele hertogdom gebedeld mag worden voor het goede doel. En … dat niemand een hier gevluchte vrouw onderdak mag verschaffen of er omgang mee mag hebben, op straffe van gevangenis. Dat doet denken aan tegenwoordige sekten, intreden kan probleemloos, weer buitenraken is een andere zaak. Dat dergelijke dames niet in een handomdraai in zedige kwezels te veranderen zijn, blijkt uit het afzetten in 1527 van moeder-overste en het paal en perk stellen aan het onderlinge gekrakeel van de zusters, die elkaar verwijten over hun vroegere beroepsbezigheden naar het hoofd slingeren. Wie zich het middeleeuwse mirakelspel Marieken van Nieumeghen, herinnert, weet de hoofdpersoon na haar zeven zondige Antwerpse jaren uiteindelijk ook boete moet doen in het witzustersklooster van Maastricht.
Thans huist in deze kapel de Sint-Egidiusvereniging, die gratis maaltijden verschaft aan wie in deze kapitalistische Internet-tijden uit de boot valt. Wie rond etenstijd aan hun achterpoort in de Lombardenstraat gaat kijken, stelt vast dat het om tientallen mannen en vrouwen gaat.
Loop gerust even deze poort binnen om hem helemaal achteraan op een bank te zien liggen:
HOMELESS JESUS
Achteraan ligt op een bank tegen de kapel een dakloze, homeless. De uit Italië stammende religieuze geleenschap bekommert zich inderdaad om mensen die ergens op hun levensweg uit de boot zijn gevallen. Zij krijgen via Kamiano gratis een maaltijd, een luisterend oor en wat aanwijzingen om weer op de weg te raken in een grootstad.
Het ligbeeld mét bank is in 2013 gemaakt door de Canadese beeldhouwer Timothy Schmalz. Maar dat was niet dit exemplaar, maar kwam terecht voor de hoofdingang van het Regis College, een theologische opleiding van de jezuïeten, verbonden aan de universiteit van het Canadese Toronto. En in december 2017 maakt Timothy er nog een fiberglas versie van voor het aartsbisdom Baltimore, die is gaan rondreizen langs scholen, parochiekerken en instituten om in 2018 terug te keren naar Schmalz.
Wie wil kan vandaag een wereldreis maken langs Homeless Jesussen, want intussen zijn er zo’n vijftig kopieën verspreid over talloze steden, waar de Verenigde Staten er een flink deel van voor rekening nemen. Maar tijdens je homeless trip kom je ook terecht in Mexico, Brazilië, Argentinië, Australië, de Filipijnen, Singapore, Israël, Italië, Spanje, Ierland, Engeland, de Moses en Aäronkerk in Amsterdam om weer thuis te komen via de Maria Magdalenakerk in Brugge.
Steek over naar de IJzerenwaag.
IJZERENWAAG
Rond 1500 wordt het wegen van ijzer en koper van de Driehoek bij de Huidevettersstraat verplaatst naar hier. Partijen worden gewogen en gekeurd en dat gebeurt niet gratis, er moet een waghetol worden betaald, een weegbelasting. Maar zo heb je als koper zekerheid over de kwaliteit. Waar de straat uitloopt op een plein stond er tot circa 1865 ook nog een kalandermolen. Geen molen met wieken, de aandrijving gebeurde door een paard binnen de molen rond te laten lopen. Kalanderen is het tussen twee zware rollen te leiden van grote lappen textiel. Daardoor verandert dat van aanvoelen en uitzicht. Er stond hier ook tot 1884 een wijkpomp met een Mariabeeld erop. Die is in dat jaar vervangen door een sokkel met een standbeeld. Voordat we daar meer over vertellen kijk je eerst nog even naar een van de smalste huizen van Antwerpen op IJzerenwaag 7, zo’n 4,10 m breed. Niettemin een schepping van een van onze bekendste. architecten, Jos Bascourt, die het in 1895 ontwierp met een oppervlakte van 26 m2. Maar daarmee is het niet het kleinste Antwerpse woonhuis. Dat staat in de Huikstraat – Stadswaagkwartier – en is slechts 2 meter en 23 cm breed. Uiteraard met een vooral glazen gevel om toch wat daglicht binnen te krijgen. Wel vier bouwlagen met een bad op het dak.
TRIJNTJE CORNELIS
IJzerenwaag / Theodoor Van Rijswijckplaats
Een plaat op een stenen paal vertelt je dat hier de mesthoop was waarop Trijntje Cornelis neer werd gelegd. Wie was zij en war deed ze hier?
Het gaat hier over een toneelklucht uit 1653 van de Nederlandse auteur Cornelis Huygens, die bekender is van eerder godsdienstige werken en adellijke theaterspelen. Het is dus een uitzondering op zijn oeuvre, maar niettemin ook zijn bekendste stuk, dat zich afspeelt in het Antwerpen van de 17de eeuw.
Trijntje Cornelisdochter is een schippersvrouw uit het Nederlandse Zaandam, die met het schip van haar man mee naar Antwerpen is gekomen. En zij gaat alleen op sightseeing in de haar onbekende stad. Zo belandt zij in de Lepelstraat, een ietwat ongure straat in het Sint-Andrieskwartier, waar prostitués actief zijn. Eén van hen is Maai, die Trijntje uitnodigt om bij haar een glas wijn te komen drinken. Dat ziet Trijn wel zitten, ze heeft totaal niet door wat voor iemand Maai is. Haar gastvrouw is uit op Trijntjes mooie kleren en voert haar das dronken. Net dan komt ene Francisco bij Maai langs, in feite als klant van de prostitué. Hij helpt haar om Trijntje uit te kleden, maar maakt meteen zelf gebruik van de situatie door haar te verkrachten. Daarna sleept hij de volledig bedwelmde Trijntje een eind weg van de Lepelstraat om haar hier op een mesthoop achter te laten. Het is intussen al avond geworden en een nachtwaker die Trijntje hier vindt brengt de vrouw terug naar haar schip. Haar man Klaas is al blij dat zijn vrouw terug is en vraagt niet teveel details.
Maar Trijntje zelf wil het daar niet bij laten en samen met de schippersknecht neemt ze wraak op Maai en Francisco. De schippersknecht lokt het tweetal onder voorwendsel naar hun schip en daar worden ze flink aangepakt door de sterke knecht. ‘Boontje komt om zijn loontje’ is de moraal van deze klucht.
Sla meteen linksaf en wandel rond het plein naar de voorzijde langs de Nationalestraat.
Je komt daarbij langs twee energiekasten met schilderingen die verwijzen naar het nabije ModeMuseum. Een doodlopend zijstraatje links heet Zwaardstraat. Dat was de naam van een van de brouwerijen uit de Kammenstraat, die hier een achteruitgang had.
Loop verder rond naar de voorzijde van het plein, zodat je het standbeeld van de voorzijde ziet.
STANDBEELD THEODOOR VAN RYSWYCK
Theodoor Van Rijswijckplaats.
Je zal hem niet in de Vlaamse literatuurgeschiedenis tegenkomen, hij was een dichter voor het gewone volk van het Sint-Andrieskwartier. Hij geeft met zijn verzen commentaar op wat hen overkomt met politieke en maatschappelijke gebeurtenissen. En dat doet de op 8 juli 1811 geboren Theo in hùn taal, vaak doorspekt met humor. Hij weet ook Hendrik Conscience ervan te overtuigen zijn bekendste boek ‘De Leeuw van Vlaanderen’ in het Vlaams te schrijven en niet in het Frans, dat de meeste auteurs toen bezigden. Hoewel die volksmensen zelf niet konden lezen, was het daardoor mogelijk om hen dat populaire verhaal voor te lezen. Ja, Theo was een gelegenheidsdichter, maar daardoor juist ook erg populair. Hij verdiende de kost ook niet met die verzen, hij werkte als kopiist bij de Berg van Barmhartigheid, waar mensen in armoede terecht konden voor levensonderhoud. Zelf leefde Van Rijswijck nogal onbezorgd, al had hij een vrouw en drie kinderen. Drank en seks behoorden tot zijn dagelijkse bestaan, maar dat leventje loopt slechts af, stilaan wordt Theo krankzinnig.
In mei 1848 wordt hij opgenomen in een instelling in Lier, maar al vrij snel wordt hij teruggebracht naar Antwerpen, waar hij op 7 mei 1849 zijn laatste adem uitblaast, net geen 38 jaar geworden. Hij wordt begraven op het toenmalige Antwerpse Stuivenbergkerkhof, in het oosten van de stad waar vandaag het Stuivenbergplein lig. Hendrik Conscience spreekt de grafrede uit en er worden vanaf 1851 bedevaarten naar zijn graf gehouden. Maar dat graf verhuist enkele keren. Wanneer het Stuivenbergkerkhof wordt opgeheven wordt het graf verplaatst naar de nieuwe Kielbegraafplaats waar vandaag het Kielpark ligt. Maar ook daar volgt geen eeuwige rust, want ook dat kerkhof wordt in 1936 opgeheven, waarbij Theo weer mee verhuist naar de nieuwe begraafplaats Schoonselhof op de grens van Wilrijk en Hemiksem.
Een even onrustig bestaan kent het Van Ryswycks standbeeld, gemaakt door beeldhouwer Leonard De Cuyper, dat in 1864 verrijst in het Stadspark tussen de Rubens, Moretus en Quinten Matsijsleien. In 1884 wordt het overgebracht naar het IJzerenwaagplein, dat bij die gelegenheid wordt omgedoopt tot Theodoor Van Rijswijckplaats, met meteen een aanpassing van Theo’s achternaam aan een nieuwe spelling.
Sla bij het plein linksaf de Nationalestraat in om even verder opnieuw naar links te gaan in de Sleutelstraat.
SLEUTELSTRAAT
De naam komt ook weer van zo’n brouwerij. Rechts op nr.16 lees je een gedicht Als de woede van de nacht geweken is van acteur/kunstenaar Axel Daeseleire.
Links op nr.13 zie je garagedeuren met fraaie makelaars – middenstijlen – en bij de voordeur een pomp. Even verder op nr.23 een eenkamerhuisje en op de plaats van het grote pand op nr.29 was ooit de naamgevende brouwerij De Sleutel. Inrussen zie je aan het eind van dit straatje het enorme gebouw van het vroegere administratief centrum nog eens oprijzen.
ONZE-LIEVE-VROUW LICHTMIS
Sleutelstraat 33.
Een Mariabeeld dat onderhouden werd door een buurtschap waarvan het buurtschapsboek uit 1814 in het museum van de Sint-Andrieskerk wordt bewaard. Op feestdagen van Maria werd het beeld extra mooi aangekleed met een kroon en een scepter. Zoals je ziet staat Maria op een maansikkel en vertrapt ze het symbool van het kwaad, een slang met een appel in zijn bek. Ook Jezus steekt een handje toe met zijn kruisstaf. Beiden staan ze op een wereldbol, waarop een band de evenaar aanduidt en die wordt omringd door gevleugelde engelenkopjes. De vermoedelijke maker van dit 18de-eeuwse eikenhouten beeld is Peeter Overlaet, waarover amper iets bekend is. In 2005 heeft Geneviève Hardy het beeld gerestaureerd. Ook is dit beeld al eens verhuist, het stond oorspronkelijk aan het andere eind van de Sleutelstraat, maar is in 1922 naar hier gekomen.
Op het eind van de Sleutelstraat sta je bijna recht tegenover een kerk, die nu concertzaal is.
SINT-AUGUSTINUSKERK – CONCERTZAAL VOOR OUDE MUZIEK
Kammenstraat
In 1608 komen de paters augustijnen voor de tweede keer zich in Antwerpen vestigen. Hun voorgangers zijn elders uit de stad verjaagd toen duidelijk werd dat zij de leer een het verkondigen waren van Maarten Luther, die enkele van hen persoonlijk hadden gekend. Vooral omdat zij daarmee veel gelovigen trokken kon dat niet blijven duren een gebied dat onder het keizerrijk van de zeer katholieke Karel V viel. Dus werden ze verjaagd, waarbij wie niet Luthers leer wilde afzweren gevangen werd genomen, waarbij er twee zelfs op de Brusselse Grote Markt op een brandstapel zijn omgebracht.
Maar dat was lang genoeg geleden en de augustijnen zijn altijd een orde geweest die uitstekend onderwijs gaf en dan ben je welkom in een handelsstad waar behoefte is aan mathematische kennis en taalonderwijs. Ze vertrekken uit een klein klooster, maar bouwen hier met steun van het toenmalige vorstenpaar, de aartshertogen Albrecht eb Isabella een school uit. Die zijn zo enthousiast dat hun hofarchitect Wensceslas Cobergher opdracht krijgt om er deze kerk aan toe te voegen in sobere barokstijl waaruit de renaissance nog niet helemaal verdwenen is.. Cobergher is ook niet de eerste de beste, hij zal later voluit barok gaan in de koepelkerk van Scherpenheuvel, België’s bekendste bedevaartsoord tussen Aarschot en Diest.
Op de voorgevel tronen links Apollonia en rechts Nicolaas van Tolentino op de gevel. De spreuken die zij patroneren zijn ‘Mijn huis zal heten een huis van gebed’ en ‘Dit is het huis van God en de poort van de hemel’. Vandaag is deze Augustinuskerk onder de naam Amuz een centrum voor Oude Muziek, al komen er ook wel andere stijlen aan bod. De toegang is wat verderop via Kammenstraat 81. Die toegang leid je naar de vroegere winterkapel, destijds nodig omdat zo’n grote kerk niet te verwarmen was in de koude maanden. Nu is dat de foyer van Amuz. Mocht je daar toegang krijgen, dan zie je nog dat die winterkapel veel muurschildringen had, waaronder een hele kruisweg rondom. Er is ook een enorm glasraam waarop de namen staan van rijke, deels adellijke, Antwerpse families die deze augustijnen financieel hebben gesteund. Middenin het wapenschild van de eerste katholieke ridderorde, de Orde van het Heilig Kruis, opgericht in Jeruzalem tijdens de eerste Kruistocht onder leiding van Godfried van Bouillon. Hij wilde geen koning van het Heilige Land worden, maar wel beschermheer, vandaar een rideerorde. Die bestaat nog steeds en telt wereldwijd duizenden leden, waaronder ook de Belgische koninklijke familie.
Raak je de kerk binnen, dan zie je daar drie eigentijdse werken van Jan Fabre, gerealiseerd met zijn bekende goudkeverschildjes. Zij vervangen de vroegere werken van Rubens, Van Dyck en Jordaens, jawel, de augustijnen wisten hun kerk in te richten.Toen de kerk een gewone parochiekerk werd, zijn deze meesterwerken naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten overgebracht en vervangen door schilderijen van mindere meesters. Maar ook die zijn weggehaald toen de kerk volledig werd gesloten. Fabre is een fraaie vervanger.
Ga rechtsaf – linksaf als je uit Amuz komt – en wandel verder de Kammenstraat door. Steek recht de Oudaan over en je staat voor een belangrijk geboortehuis.
GEBOORTEHUIS LIEVEN GEVAERT
Kleine Markt 1-3.
Waar nu café Berlin de deur openhoudt wordt op 28 mei 1868 Lieven geboren als derde kind van inlijster Ludovicus Gevaert en Maria Theresia Bruynseels. Twee eerder geboren meisjes waren echter al overleden en ook Lievens vader sterft als de jongen amper 3 jaar is. Maar zijn moeder zet het familiebedrijf verder en probeert Lieven een redelijke opleiding te geven door hem van 1879 tot 1882 eerst naar het Klein Seminarie in Hoogstraten te sturen en vervolgens naar het Scheppersinstituut in Mechelen. Echt lang op die schoolbanken zit Lieven niet, op zijn veertiende gaat hij meewerken in de inlijsterij, die naar de Kammenstraat verhuist. Naast spiegels en schilderijen komt er ook al eens een klant om een foto te laten inlijsten, op dat moment nog iets nieuws.
Lieven raakt sterk geïnteresseerd in dat nieuwe medium en volgt enkele jaren een opleiding fotografie in Brugge. Gezien dat de toekomst lijkt, opent hij met zijn moeder een fotoatelier in de Montignystraat in het zuiden van Antwerpen. Daar weet hij na veel experimenteren een heel goed type fotopapier te ontwikkelen. Papier om foto’s af te drukken komt op dat ogenblik nog enkel uit het buitenland, dus Lieven heeft er een Belgische primeur mee.
Na de oprichting in 1894 van ‘Lieven Gevaert & Cie’ verhuist het bedrijf in 1897 naar Mortsel, waar een beekje voor de aanvoer van spoelwater zorgt. Dat stroompje blijkt zoveel restanten van het dan nog voor films gebruikte metaal te bevatten, dat men in Mortsel van de zilverbeek gaat spreken. En het bedrijf breidt zeer snel uit, half Mortsel werkt op den duur bij Gevaert.
Lieven zelf overlijdt op 2 februari 1935 in de Nederlandse stad Den Haag. Zijn bedrijf zal in 1964 een fusie aangaan met het Duitse AG Farben (NV Kleur) tot Agfa-Gevaert. Nu fotografie door de smartphone goeddeels digitaal is geworden, probeert het bedrijf over te schakelen op de productie van membramen.
Maar hier vlakbij in Antwerpen heeft Lieven Gevaert ook aan sponsering gedaan op onderwijsgebied. Aan de Kasteelpleinstraat vind je het Lievenscollege met lager middelbaar voor jongens en nog dichterbij aan de Maarschalk Gérardstraat de Sint-Lutgardisschool als meisjesschool. Zo’n man verdient een standbeeld en dat heeft Lieven dan ook gekregen in Mortsel op 3 mei 1941.
Wandel nog rechtdoor naar het pleintje met pompzuil dat je wat verderop ziet.
Even verderop zie je een zaak die ook al enige tijd meegaat.
MATTHEUS-B
Kleine Markt 8.
Een koffiezaak met traditie. Baptiste Jean Bruyns richt in 1907 zijn eerste koffiebranderij op, maar de winkel is genoemd naar zijn zoon Mattheus. Samen bouwden vader en zoon een netwerk van bijna 100 winkels uit, verspreid over heel België. Maar alleen deze Antwerpse zaak is daarvan overgebleven. Eerst nog niet op deze plek, rond 1973 vond je Matheus-B in de Korte Gasthuisstraat. Aanvankelijk louter als koffiespecialist, maar Baptiste gaat ook een klein assortiment thee aanbieden.
Na het overlijden van de naamgever in 2000 neemt schoondochter Vanessa de speciaalzaak over. Ze wordt inmiddels bijgestaan door dochter Naïs. Bij hen kan je terecht als je bijvoorbeeld wilt weten wat het verschil is tussen witte, groene of gele thee. En mocht het antwoord op je vraag niet onmiddellijk gegeven kunnen worden, dan zullen ze het samen met jou opzoeken.
Sinds de verhuizing naar de Kleine Markt in 2016 is vooral het theeassortiment uitgebreid tot meer dan 200 soorten, waaronder oolong, zwarte thee en kruiden- en fruitinfusies. Met daarnaast uiteraard koffie, zo’n veertig soorten, keuze genoeg voor wie van een cappuchino houdt of voor liefhebbers van een iced americano. Jammer genoeg kan je hier niet binnenstappen om al die soorten ook meteen te proeven, maar om ze thuis te zetten kan je er wel een fraaie pot bij kopen.
Zo kom je aan de splitsing van de Kleine Markt in links het Vleminckveld en rechts de Bredestraat. En juist daar zie je hem staan:
STADSPOMP
Kleine Markt
Deze pomp staat op een veel oudere put, die in de 14e eeuw, werd aangelegd als openbare waterbron. Hij maakte deel uit van het dagelijkse leven op en rond de Kleine Markt. In de vroegste fase stond hij bekend als de Gortersput, genoemd naar de gorters, ambachtslui die het water gebruikten voor voedselbereiding. Daartoe werd gerst, een graansoort, met pelmolens tot gort gepeld. Die gort moet dan 12 uur weken en daarna ongeveer een uur worden gekookt. Tot begin 20ste eeuw was gort nog basiseten, vandaag vervangen door rijst en pasta.
Vanaf de 15de à 16de eeuw wordt deze plek steeds meer verbonden met de schutters- of kolveniersgilden, en raakt de naam Schuttersput ingeburgerd. De waterput groeit uit van loutere nutsvoorziening tot herkenningspunt binnen de stad en het sociale leven. In 1700 krijgt de put zijn monumentale vorm met een arduinen zuil en een Mariabeeld. In 1717 werd de inscriptie Adjutórium contra Turcas toegevoegd. Dat was een tijd waarin religieuze bescherming en spanningen met het Ottomaanse Rijk sterk leefden. Die in de loop van de 19de eeuw geleidelijk verdwenen tekst weerspiegelde hoe wereldgebeurtenissen hun weerslag vonden in het Antwerpse straatbeeld. In de loop van de 19de eeuw verdwijnt de inscriptie geleidelijk.
Hoewel de oorspronkelijke waterfunctie verdween, bleef de Schuttersput een vast ankerpunt in de stad, een plek waar water, ambacht, gilden en geloof eeuwenlang samenkwamen.
Onder de lantaarn zie je op de pompzuil een afbeelding van een schutter achter een barricade. Dat gaat terug op een ooit verzonnen verhaal over de straatnamen Vleminckveld en Oudaan. Soldaten uit het graafschap Vlaanderen (toen reikend tot de linker Scheldeoever) waren binnen in het hertogdom Brabant (waartoe Antwerpen toen behoorde) en stormden via het Vlamingenveld (Vleminckveld) naar het stadscentrum. Maar ze werden door de Antwerpenaren tegengehouden, waarbij die de strijdkreet ‘Houd aen !’ (volhouden) geroepen zouden hebben op de plaats waar vandaag een straat Oudaan heet. Maar zo’n strijd tussen Vlamingen en Brabanders heeft hier nooit plaatsgevonden.
Keer nu terug van de Kleine Markt naar de Oudaan, die je dus rechts inslaat.
Het stadsbestuur wil deze brede straat vergroenen. Jaren geleden luidde dat anders. Toen was hier bij de uitmonding in de Kammenstraat nog een vluchtheuvel met een rechte weg voor wie naar links wilde afslaan, plus een naar rechts buigende doorgang naar de Kammenstraat. Daar stond ook een fraaie grote boom al jarenlang te groeien en bloeien. Plots bleek dat het stadsbestuur een stuk van de rijweg zomaar had verkocht aan de projectontwikkelaar die het huis rechts op de hoek met de Kammenstraat wilde bouwen. Daarom moest ook die fraaie boom verdwijnen. Protest alom, maar de aannemer had zijn vergunning, de straat werd versmald, de boom gekapt.
Bekijk de huisgevels aan je rechterhand.
KAVKA
Oudaan 14.
Een oorspronkelijk barok herenhuis tussen 1844 en 1884 bewoond door kunstschilder Nicaise De Keyser , niemand minder dan de man waar onze De Keyserlei naar genoemd is. Architect Heliodore Leclef heeft zijn best gedaan om er een voorname gevezl van te maken met een bustekop, gevleugelde putti (naakte jongetjes die onschuld en liefde uitbeelden, denk aan Cupido)en adelaars op de hoeken. Wanneer Nicaise daarop uitgekeken is, verkoop hij het huis in 1881 aan het stadsbestuur. Stadsingenieur Gustaaf Royers maakt er dan een kleuterschool van, waarbij de ouders wel moeten betalen als ze hun kinderen daarheen sturen. Royers is een echte scholenspecialist, hij heeft er zo’n twaalf gebouw in heel Antwerpen.
Tot dan was de Oudaan een normale smalle straat, maar die wordt verbreed in 1885 en dat kost dit huis een stukje van de uitstekende zijvleugels. Maar dat wordt gecompenseerd door achteraan een nieuwe schoolvleugel toe te voegen, waarna in 1897 dit een Lagere Hoofdschool voor Jongens wordt. Het zal nog heel wat decennia duren voordat de katholieke Kerk onderwijs aan jongens en meisjes in dezelfde klas zal toelaten.
Als in 1929 de vrije woensdagmiddag wordt ingevoerd gaan de onderwijzers spontaan ontspannende bezigheden organiseren voor hun leerlingen. Daaruit ontstaat in oktober 1937 voor het Stedelijk onderwijs de organisatie Kindervreugd, die gaat zorgen voor openluchtrecreatie: peelpleinen, bos- en zeeklassen. Later komen daar ook binnen festiviteiten bij en kinderfeesten in grote zalen. Hier zal Kindervreugd zijn kantoren vestigen.
Nu wordt die organisatie vaak afgekort tot KV en als hier dan in een vleugel achteraan de binnenplaats een soort jeugdclub het leven ziet, dan wordt die KAVKA genoemd, wat dus niets te maken heeft met de in Praag geboren schrijver Franz Kafka. Als de poort open is, neem je maar eens een kijkje op de binnenplaats.
Oudaan 16-18.
Het lijkt één groot lang gebouw met twee ingangen aan beide uitersten en daartussen veel ramen. Toch zijn het twee aparte woningen, die wel qua gevel elkaars spiegelbeeld vormen. Ze zijn in 1879 gebouwd op grond van de familie Geelhand, die heeft al vroeg door dat deze straat interessant is als belegging en koopt dus een handvol percelen. In nr.18, dat je het eerst passeert, woonde een chirurg en verloskundige Comein, met de fraaie voornaam Polydore, in de Griekse mythologie een koning van Thebe. In het andere huis woonde notaris Antoine de Duve. Hij heeft heel wat geboorteaktes kunnen opstellen, zijn vrouw Clémentine kreeg niet minder dan twaalf kinderen. Die zou ze vandaag even zoet kunnen houden met de boeken van Stad Leest of in het bijbehorende café.
Hoe zit het nu met die straatnaam?
Intussen weet je dat die niets te maken heeft met Houd’aen, maar waarmee dan wel? Splits de naam in tweeën: oud en aan. Het eerste woord heeft de betekenis die je nog terugvindt in het Engelse out – buiten. Onze Vlaamse versie vind je nog terug in de plaatsnaam Oud-Turnhout, een dorp dat op enkele kilometers buiten de stad Turnhout ligt. Aan of aene wijst op nattigheid, denk maar aan de vele kleine riviertjes die Aa heten, waarin het Latijnse aqua nog herkenbaar is. Om welke nattigheid gaat het hier?
Aan de kant van de Kammenstraat was er dicht onder het oppervlak zoet water te vinden, vandaar de vele brouwerijen met hun waterputten. Ook Aert Schoyte, levend tussen 1473 en 1548 als vermogend vastgoedeigenaar, afwisselend ook schepen (wethouder) en burgemeester, had een boomgaard op de plaats waar vandaag het plein voor de jeugdherberg ligt. Die stond hij af aan de stad, maar uiteraard kunnen bomen enkel groeien als er genoeg water in de bodem aanwezig is.
Aan de zijde van de Lange Gasthuisstraat kennen we het Elzenveld. Elzen groeien vooral langs slootkanten, dus waar veel water is. Straks komen we er nog langs. Alleen op de Oudaan hield je het droog op een wat hoger stuk grond, buiten flink wat nattere gebieden aan weerszijden.
Oudaan 20.
Hier laat Raymond Geelhand in 1881 zijn eigen woning bouwen op een stuk familiegrond. Maar hij heeft dan al twee huwelijken achter de rug zonder ooit gescheiden te zijn. In 1868 trouwt hij met Emilie Meyers, maar zij sterft al na enkele jaren in 1872. Ver gaat Raymond het dan niet zoeken, in 1877 trouwt hij opnieuw, nu met Emilie’s jongere zus Fanny. Maar dat tweede huwelijk zal zelfs nog korter duren, want al na enkele maanden overlijdt ook Fanny.
Raymond was een afstammeling van de heren van Merksem, Emile Geelhand en Zoé Moretus. Ook moeders achternaam doet belletjes rinkelen, denk aan Museum Plantijn-Moretus Die ouders laten in 1897 kasteel Dennenburg in Kapellen aan hem na. Daardoor kan Raymond voortaan kiezen naar welk buitenverblijf hij bij mooi zomerweer zal gaan. Hij heeft namelijk al sinds 1884 een kasteel, het Kessselhof in Nijlen. Dat kasteel is recenter nog enige tijd eigendom van modeontwerpster Ann Demeulemeester geweest.<
Oudaan 26-28.
Vandaag is hier Outdoor & Action het parool van A.S. Adventure met spullen voor vele soorten vrijetijd. Maar in 1929 was hier het Antwerpse filiaal van de Bank Lazard Brothers & Co. Dat bedrijf gaat terug tot twee Franse broers Alexandre en Simon Lazard, die in 1848 een handel in kruidenierswaren opzetten in New Orleans. Twee jaar later breiden ze hun bedrijf uit met bankzaken. En in 1876 wordt Lazard & Frères opgericht met hoofdzetel in Parijs en in 1877 een bijhuis in Londen. Dat bijhuis wordt na de Eerste Wereldoorlog in 1919 zelfstandig als Bank Lazard Brothers & Co Ltd en opent hier tien jaar later een Belgisch filiaal op dit adres.
Oudaan 32.
Het hoekhuis is samen met de Lange Gasthuisstraat 8-10 opgetrokken in 1913-1914 in wat Beaux-Artsstijl wordt genoemd. Daarmee behoort het tot de vroegste flatgebouwen die in Antwerpen in het straatbeeld verschenen.
Kijk even recht vooruit naar het fraaie smalle neorococo huis in de Lange Gasthuisstraat.
BEL-ETAGE WONING
Lange Gasthuisstraat 5.
In 1898 laat weduwe H. Vander Wyngaert deze fraaie woning bouwen door de samenwerkende broers Blomme. Zij kiezen hier voor de rococostijl in vernieuwde vorm, maar Léonard en Henri bouwen elders ook in andere neostijlen, zoals neo-Vlaamse renaissance, neoclassicistisch, neo-traditioneel, Louis-Philippestijl en als het een mengeling van stijlen was, wordt het eclectisch genoemd. Zij bouwen dus wat de klant verkiest en dat leverde veel opdrachten op.
Sla nu rechts de lange Gasthuisstraat in en richt je blik opnieuw naar de overzijde, naar de kledingzaak Verso.
Hier sluit de verkorting vanaf de Korte Gasthuisstraat weer op onze route aan.
POSTMEESTERHUIS
Lange Gasthuisstraat 9 (linker deel Verso).
Hier huisde sinds 1544 het Antwerpse filiaal van de Keizerlijke Post, die in handen was van de familie de Tassis. De posthoorn tussen de twee wapenschilden midden in de driehoek wijst daar nog op. Maar de wapenschilden zelf komen van de huidenvetters en de boogschutters van de Oude Voetbooggilde. De eersten hadden hun leerlooierijen hier en om de linkerhoek aan de Huidevettersstraat, de schutters oefenden op terreinen langs de nabije Schuttershofstraat. Boogschutters waren een van de verdedigingsgilden van de stad, samen met de kruisboogschutters, de kolveniers en de schermers.
HERENHUIS GRISAR
Lange Gasthuisstraat 11 (rechter deel Verso).
In 1534 laat de Italiaanse koopman J.B. Graffini drie woningen en een oude leerlooierij slopen om er een fraaie grote woning voor in de plaats te laten zetten. Die is in 1653 herbouwd, later voorzien van een nieuwe gevel en begin 20ste eeuw door architect Jos Hertogs gerestaureerd. Op dat moment woont er de familie Grisar, een van de belangrijkste Antwerpse zakenfamilies van de 19de en begin 20ste eeuw. Die familie heeft haar roots in het Franstalige Luik, zoals de naam laat vermoeden, maar is daar in 1680 weggetrokken naar Duitsland. Wanneer Jean-Martin en Charles Grisar zich rond 1800 in Antwerpen vestigen, behoren ze dan ook in de eerste plaats tot de Duitse kolonie, die heel wat meer beroemde Antwerpse namen omvat.
Via de scheepsmakelaardij krijgt de familie Grisar de handel in huiden, wol en leer stevig in handen, samen met de ook al Duitse familie Osterrieth. De eerste Antwerpse telefoonlijn liep in 1879 tussen de kantoren van Osterrieth en Grisar. De Grisars waren dan ook niet toevallig medeoprichters van The Antwerp International Bell Telephone Company, vandaag Alcatel Lucent.
Alfred Grisar sticht in 1900 de Beerschot Athletic Club op een stuk grond dat grootvader Ernest op het Kiel heeft gekocht. En omdat die kort tevoren overleden is worden de clubkleuren aangepast aan de rouw, daarom paars-wit. Nog altijd het kenteken van deze Antwerpse voetbalclub.
In 1923 zijn beide panden samengevoegd en wordt de linkergevel aan de rechter aangepast. Het smeedwerk van het balkon is waarschijnlijk gemaakt door J.B. Lamour, de Fransman die ook de beroemde hekken van de Place Stanislas in Nancy heeft vervaardigd. Wie even binnenstapt ziet een enorme lichtkoepel met daarop de dierenriem en nog wat ‘comptoirs’ van de vorige bewoner, het Crédit Lyonnais, later opgeslorpt door de Deutsche Bank. Vandaag dus chique kleren, plus café en terras bij Verso.
Wandel een stuk verder deze Lange Gasthuisstraat in en je ziet aan wat verderop een ogenschijnlijk middeleeuwse gevel.
MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH
Lange Gasthuisstraat 19.
Hier heeft een moeder een heel museum laten bouwen voor haar zoon Frits, een verzamelaar van gotische kunst. Het topstuk is Dulle Griet, een schilderij van Pieter Breugel de Oude. Momenteel is het museum in restauratie, een deel van de collectie is even verderop te bezichtigen in het Maagdenhuis.
Na de onderbreking door de Arenbergstraat sta je daar dus een eindje verder voor.
MAAGDENHUIS
Lange Gasthuisstraat 33.
Een weeshuis voor meisjes (‘maagdekens’), gesticht in 1552 en nu als kleinste museum van Antwerpen de thuis van een kunstcollectie van het Antwerpse Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Werk (OCMW), de zorginstelling voor hulp aan de minder bedeelde medeburger. Naast de vaste collectie van 15de-17de-eeuwse schilderijen en 16de-eeuwse papkommen vinden er ook tijdelijke tentoonstellingen plaats.
Steek over naar het Mechelse Plein met tussen wat groen een stand- of nee, zitbeeld.
WILLEM ELSSCHOT
Mechelseplein.
“Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.” Op 7 mei 1882 wordt aan de Antwerpse De Keyserlei ‘Fonne van den bakker’ geboren, zoon van banketbakker Christiaan De Ridder. Met een diploma handels- en consulaire wetenschappen op zak richt Alfons in 1912 de Revue Continental Illustrée op, een reclameblad voor de zakenwereld. Of het ooit verschenen is blijft onduidelijk, maar het tekent de ondernemingsgeest van de jongeman. Het jaar nadien debuteert hij met een literair product, de roman Villa des Roses, al heeft hij reeds eerder enkele gedichten geschreven. Vanaf dat moment bewonen twee personen hetzelfde lichaam: reclameman De Ridder en literator Willem Elsschot – een pseudoniem dat wellicht tijdens een vakantie in het gehucht Helschot tussen Westerlo en Laakdal is ontstaan.
Zijn latere ervaringen in de reclamewereld leveren Elsschot de stof voor romans als Lijmen (1924) en Het Been (1938). In 1933 verschijnt de roman Kaas, superieur werk dat de aanloop zou worden tot een nieuwe creatieve periode, die afsluit met Het Dwaallicht (1946). Laermans en Boorman zijn de bekendste figuren uit zijn literaire oeuvre.
Op 31 mei 1960 is deze populaire schrijver in zijn geboortestad overleden. Postuum wordt hem datzelfde jaar de staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan toegekend. Alfons De Ridder is begraven op Ereperk N van het Schoonselhof, het Père Lachaisse van Antwerpen. Onze beroemde beginzin komt uit Willems gedicht Het Huwelijk.
Dit beeld uit 1994 is van de Antwerpenaar Wilfried Pas, stilaan zowat de eigentijdse stadsbeeldhouwer met naast Elsschot ook een bronzen Paul Van Ostaijen (Pottenbrug), Koning Boudewijn (Voetgangerstunnel Linkeroever) en even buiten ons gezichtsveld Gerard Walschap (zie verder).
Kijk nog even naar de witte muur van het O.C.M.W.-gebouw naast je.
Hier beslaat het gedicht Een Minimum bijna de volledige hoogte. Ramsey Nasr heeft het geschreven in 2005, het jaar waarin hij stadsdichter van Antwerpen was.
Steek het plein diagonaal over naar de zijde van het Vleminckveld, de Maarschalk Gérardstraat.
DE STUDIO – Podium voor jong publiek
Maarschalk Gérardstraat 4.
Rond 1780 laat bankier Frans Jozef van Ertborn zijn eigendom aan het Mechelseplein verbouwen tot een prachtig herenhuis. Vanaf 1970 huist er het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst Studio Herman Teirlinck. Heel wat Vlaams talent, zowel op toneel- als musicalplanken of in het kleinkunst- en cabaretgenre hebben dit gebouw en de omliggende cafés aan het Mechelseplein van binnen leren kennen. Wat ‘namedropping’: Els De Schepper, Kurt Van Eeghem, Stef Bos …
Sinds augustus 2011 is Villanella eigenaar en worden hier kinder- en jeugdvoorstellingen gegeven door een heel aantal gezelschappen, terwijl Villanella daarnaast jong talent tussen 20 en 30 jaar kansen wil geven via workshops en coaching.
Steek vanaf het Mechelse Plein over naar de poort van het vroegere Sint-Elisabethgasthuis, vandaag hotel Botanic Sanctuary Antwerp.
Begonnen als een boerderij van het Mariagasthuis wordt hier door de zusters augustinessen vanaf de 13de eeuw een hospitaal uitgebouwd, met naast hun klooster een ziekenzaal en uiteraard ook een kapel. Vandaag staat hier geen ziekenhuis meer, maar het meest luxueuze hotel van Antwerpen.
Achter deze ingangspoort zie je op een grasveldje voor je twee aparte beelden.
De Kreupele en de Blinde
Deze uitgeholde polyester gestalten zijn het werk van Albert Szukalski. Het zijn verstarde personages, niet in staat tot echt contact of een gesprek, enkel tot holle frasen. Hier geeft hij het gebrek aan communicatie in onze samenleving vorm.
__________________________________________________________________________________
Rechts van hen is de – vaak afgesloten – toegang tot de zogenoemde Aalmoezenierstuin. Daar kan je nog een beeld zien van de Antwerpse auteur Maurice Gilliams. Tussen eind 1938 en medio 1943 wordt hij zes keer voor langere tijd in het Stuivenberggasthuis opgenomen, waar hij verpleegster Maria de Raeymaeckers ontmoet, die in 1976 zijn tweede vrouw wordt. Ze heeft dus geduld moeten hebben! Wanneer zijzelf dan in 1982 wegens een ziekte hier in het toenmalige Sint-Elisabethgasthuis wordt opgenomen, krijgt Maurice tijdens een bezoek aan haar op 18 oktober een hartaanval en overlijdt ter plaatse. Vandaar zijn beeld van Rik Poot op deze nu erg verborgen plek als eerbetoon.
__________________________________________________________________________________
Intussen sta je voor de vroegere
ONZE-LIEVE-VROUWEKAPEL
De diensten in deze 15de-eeuwse kloosterkapel konden zowel door de kloosterzusters als door de patiënten in de ziekenzaal worden bijgewoond. In het schip van de kapel namen de nonnen plaats, maar het altaar kon ook vanuit de grote ziekenzaal worden gezien, zodat wie daar verpleegd werd vanuit bed ook de mis kon bijwonen. Nu wordt die zaal gebruikt door het hotel.
Je kan hier de route verkorten door verder langs hotel Botanic Sanctuary Antwerp te wandelen tot in de Leopoldstraat en daar linksaf te slaan bij de Botanische tuin.
Terug door de poort naar de Lange Gasthuisstraat, waar je links onze route vervolgt. Voor je zie je al meteen twee spitsen van een kerk de hoogte in priemen. Maar nog even tevoren kom je langs een apart doktershuis.
WAFELHUIS
Mechelseplein 18
Doordat de voorgevel met boven elkaar negen lagen van telkens zeven vierkante ramen je doet denken aan die typische Belgische wafels, kreeg deze woning zijn bijnaam. Maar het gaat om het huis van huisarts Jozef Takx, die zijn praktijk met twee wachtkamers achter de drie ‘patrijspoorten’ op het gelijkvloers had. Daarboven zijn er drie verdiepingen van telkens drie rijen ramen. Architect Walter Van den Broeck realiseerde dit ontwerp in een synthese van expressionisme en nieuwe zakelijkheid qua bouwstijl. Hoewel de woning erg modern oogt, dateert hij al van 1937 en waren er destijds op de tweede en derde verdieping twee meidenkamers voor de inwonende dienstmeisjes. Dat was toen heel gewoon.
Enkele passen verder ben je bij die kerk.
SINT-JORISKERK
Mechelseplein 20, Antwerpen.
Open voor bezoek: do.vr.za. 14-16u., soms ook op zondagmiddag.
Een van de weinige katholieke kerken die hun neogotische interieur hebben bewaard. Dat houdt hier muurschilderingen, glasramen, beelden en een reliekschrijn in.
_________________________________________________________________________________
Dit is ook de tweede Sint-Joriskerk op deze plaats, want een oudere kerk uit 1304 is in 1779 geheel verwoest toen de Fransen onze gebieden bezet hielden. Wat van die kerk overbleef is gebruikt als steengroeve en op het terrein werden nieuwe huizen gebouwd. Maar in 1846 kan pastoor Jan Van Cauwenbergh het terrein mét de nieuwe gebouwen terugkopen. Hij laat alles afbreken en architect Léon Suys kan beginnen aan een nieuwe kerk in de voor Antwerpen zeer vernieuwende neogotische stijl. Maar het is toen ook een ‘omgekeerde’ kerk geworden. Niet zoals katholieke kerken west-oost gericht, maar juist oost-west, torens en ingang aan de oostzijde. Die nieuwe averechtse Sint-Joriskerk kan in 1853 al worden ingewijd.
_______________________________________________________________________________
Bisschoppen en apostelen
Buiten zie je in een driehoekig fronton boven de hoofdingang tussen beide 50 meter hoge torens in het midden het beeld van Sint-Joris, met links van hem de bisschoppen Amandus en Eligius, rechts Norbertus en Willibrordus. Onderaan links en rechts naast de toegangsdeuren de twaalf apostelen. Vanaf de linker ingang: Judas Taddeus, Thomas, Mattheus / hoofdingang: Johannes, Jacobus de Meerdere, Petrus + Paulus, Andreas, Filippus / rechter ingang: Bartholomeus, Jacobus de Mindere, terzijde Simon Zelotes.
Wie even binnengaat, krijgt heel wat te zien:
Godfried Guffens en Jan Swerts zorgen voor twee reeksen muurschilderingen, links zeven taferelen van de strijdende Kerk met een lerende Christus tijdens zijn openbare optreden, rechts zeven taferelen van de lijdende Kerk en Christus die gevangen genomen en veroordeeld wordt. Overal staan er ook onderschriften bij. Links staat het enorme reliekschrijn van de veertig beschermheiligen van verguld messing. Oorspronkelijk enkel opgericht voor Sint-Rochus van Montpellier, de heilige die je tegen de pest beschermt, maar na de cholera-epidemie van 1850 met op één jaar 1500 Antwerpse doden zijn er nog 34 andere pestheiligen aan toegevoegd. Je kan maar beter zeker zijn, nietwaar?
Jean-Baptiste Capronnier werkt van 1871 tot 1875 aan de glasramen met links Norbertus die zegeviert over ketter Tanchelm – die in Zeeland en Antwerpen nogal aanhang had gekregen – en rechts Willibrordus die afgoden verbrijzelt. Hij bracht het christendom naar onze gebieden, vandaar ook heel wat Sint-Willibrorduskerken in België en Nederland.
Nog een bekende kunstenaar die heeft meegewerkt aan deze kerk is kopersmid Lambrecht van Rijswijck jr., die naast een beeld van Rochus ook de kruisweg in gedreven koper heeft gerealiseerd tussen 1888 en 1892. In het Altaar van Onze-Lieve-Vrouw uit 1906 staat een veel ouder Mariabeeld uit 1592, dat ooit boven de ingang van het kasteel binnen de citadel van Alva stond, op de plek waar nu een groot park is in de Zuidwijk.
__________________________________________________________________________________
Ga nu even terug en sla rechtsaf de Sint-Jorispoort in.
Een straat met een verscheidenheid aan winkels en een gedecoreerde tramdraadpaal aan de overzijde en een stoeptegel van Legosteentjes. Van die kant heb je ook een behoorlijk zicht op de gevel van:
Voormalig JUWELENHUIS RUYS
Sint-Jorispoort 26.
Een juweel van een art nouveauhuis, in 1902 ontworpen door Ferdinand Truyman voor Albert Ruys-Ramboux. Die familie zat vijf generaties ofwel zo’n 178 jaar in glitter en sier. Jacques Ruys begint na een opleiding aan de Antwerpse academie in 1839 thuis met een atelier en opent in 1854 samen met zijn vrouw deze juwelierswinkel, dan nog een stuk kleiner dan vandaag. Zoon Albert trouwt in 1885 met Josephine Ramboux, dochter uit een andere Antwerpse juwelenfamilie. Zij breiden de familiezaak uit tot de parel die hij vandaag is. Het interieur is nog steeds intact met de originele vitrinekasten en mozaïekvloer. Alleen het plafond is aangepast, want daar hing aanvankelijk gasverlichting aan.
_________________________________________________________________________________
Een succesontwerp van stichter Jacques was de zilveren doopschelp waarmee kinderen nog steeds gedoopt worden in de Antwerpse kathedraal. Raymond, zoon van Albert en Josephine, excelleerde in art deco juwelen en zilverwerk.
_________________________________________________________________________________
Weer iets verderop:
SNOEPWINKEL
Sint-Jorispoort 30.
Nee, snoepjes ga je hier niet langer zien, nu zijn het bloemen. Maar oorspronkelijk was dit een lekkernijenshop met een al even aantrekkelijke winkelpui.
Wandel door tot je op de Leopoldplaats staat. Eind 19de eeuw puilt Antwerpen uit van het volk en er is dringend meer ‘stad’ nodig om iedereen te kunnen huisvesten. Maar de Spaanse wallen beletten elke uitbreiding en het duurt tot 8 september 1864 voordat Antwerpen die gordel kan overkopen van de Belgische Staat. Maar dan vlot het ook snel met de afbraak, te beginnen bij de Sint-Jorispoort, de stadspoort waardoor altijd de belangrijke gasten de stad binnenkwamen, van Karel V tot Napoleon Bonaparte. Al in 1868 kunnen op de nieuw aangelegde boulevards tussen Kasteelpleinstraat en Paardenmarkt de eerste rijen bomen worden aangeplant.
Wandel door tot je op de Leopoldplaats staat.
Eind 19de eeuw puilt Antwerpen uit van het volk en er is dringend meer ‘stad’ nodig om iedereen te kunnen huisvesten. Maar de Spaanse wallen beletten elke uitbreiding en het duurt tot 8 september 1864 voordat Antwerpen die gordel kan overkopen van de Belgische Staat. Maar dan vlot het ook snel met de afbraak, te beginnen bij de Sint-Jorispoort, de stadspoort waardoor altijd de belangrijke gasten de stad binnenkwamen, van Karel V tot Napoleon Bonaparte. Al in 1868 kunnen op de nieuw aangelegde boulevards tussen Kasteelpleinstraat en Paardenmarkt de eerste rijen bomen worden aangeplant.
RUITERSTANDBEELD KONING LEOPOLD I
Leopoldplaats.
Op de Leopoldplaats keert de eerste Belgische vorst onze Nationale Bank de rug toe. Aanvankelijk waren we kwaad op hem, hij treuzelde lang om de oude vestingwallen vrij te geven voor afbraak en zoals gezegd, de stad had ruimte nodig. Pas nadat dit geschil was opgelost mocht zijn ruiterbeeld de stad binnen. Het had enkele jaren buiten de stadswallen moeten vertoeven. Op die vroegere wallen liggen nu de drukke boulevards die hier de ‘leien’ heten. Jozef Geefs, een telg uit het beroemde Antwerpse beeldhouwersgeslacht, kreeg Leopold op zijn paard. Daarvoor werd een ros uit een Antwerpse stoeterij als model gebruikt.
Keer je nu om en kijk naar dat torentje schuin links.
ACKERMANS & VAN HAAREN
Hoek Schermerstraat / Begijnenvest..
Het hoekpand met zijn mooie toren is in 1883 gebouwd door architect Edmond Leclef, die er zelf is in gaan wonen. Zoals veel fraaie woonhuizen in die dagen is het in de stijl die we neo-Vlaamse renaissance noemen.
Edmond is overleden in 1902 en na een aantal nieuwe eigenaars vestigt de N.V. Ackermans & van Haaren zich hier in 1926. Nicolaas van Haaren en Hendrik Willem Ackermans zijn twee Antwerpse zakenlui die in 1876 gaan samenwerken voor bouwprojecten. Zo bouwen zij vanaf 1888 de forten langs de Maas in Wallonië, die bij de Eerste Wereldoorlog toch minder lang dan verhoopt standhouden. Maar intussen hebben Nicolaas en Hendrik in 1903 al een eerste internationaal project gerealiseerd, baggerwerken in het Argentijnse Rosario voor de havenuitbreiding van Bahia Bianca. Nicolaas overlijdt het jaar daarop en zal de oprichting van de naamloze vennootschap in 1924 dus niet meer meemaken.
Vandaag is Ackermans & van Haaren sinds 1984 een beursgenoteerde holding waarin het bouwbedrijf nog steeds een grote rol speelt via CFE met Dredging als internationale baggeraar en twee financiële instellingen, de Bank van Breda voor ondernemers in het oude gebouw van het vroegere goederenstation Antwerpen-Zuid aan de Scheldekaaien en de Bank Delen ten dienste van de rijkere belegger. Dat zie je ook aan het eigentijdse nieuwe kantoorgebouw in de Begijnenvest, dat aansluit op het oude pand.
Nu gaan we weer vooruit kijken naar het enorme gebouw aan de overzijde van de Leopoldplaats. Bekijk het met onze beschrijving erbij en wandel via de Bourlastraat naar de Frankrijklei.
NATIONALE BANK VAN BELGIË – FILIAAL ANTWERPEN
Leopoldplaats 8.
Vanaf 6 december 1872 wordt de bouw van dit bankfiliaal bijna anderhalf jaar voorbereid door Hendrik Beyaert in samenwerking met aannemer Dollot, die al aangetrokken was om de fundamenten te leggen. De Raad van Bestuur van de Nationale Bank is enthousiast over het voorgestelde project maar vindt het wel veel te duur, zodat Beyaert de opdracht krijgt de plannen te herzien. Daarop laat de architect alle opsmuk aan het gebouw weg en legt dat nieuwe ontwerp voor. Omdat het contrast met de oorspronkelijke plannen enorm is, gaat de Raad van Bestuur dan toch maar akkoord met Beyaerts eerste ontwerp, op voorwaarde dat het binnen het begrote bedrag van 2 miljoen frank blijft en hij een aannemer vindt die het daarvoor wil doen. Dat laatste lukt Hendrik snel, want in feite heeft hij de kostenrekening gemaakt samen met aannemer Dollot, die dan ook het bouwen op zich zal nemen.
De gevels aan de Bourlastraat en de Mechelsesteenweg zijn naar het stadshart gericht en hebben meer het uitzicht van een kantoorgebouw met op hun raakpunt aan de Leopoldplaats een imposante hoofdingang..
Aan de zijde van de Frankrijklei – destijds nog Kunstlaan geheten – zorgt Hendrik Beyaert voor gevels die passen bij de aan deze boulevard op de voormalige stadsgrachten geplande huizen van de gegoede burgers. Via twee lagere poorten, lijkend op koetspoorten van een deftig herenhuis, wordt de binnenplaats bereikt. Twee kasteeltorens op de hoeken van de Frankrijklei mey enerzijds de Bourlastraat en anderzijds de Mechelsesteenweg markeren de overgang naar de zijgevels.
Voor de afwerking van het gebouw met een passende decoratie doet Hendrik Beyaert een beroep op de Antwerpse beeldhouwers Jules Pécher, Jacques de Braeckeleer ren het duo De Boeck en Van Wint, dat ook aan de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal heeft gewerkt. Pécher zorgt voor het beeld van de Vrede, dat centraal de eerste verdieping siert van de directeurswoning aan de Frankrijklei. Twee figuren die de Handel en de Industrie voorstellen op dezelfde gevel zijn van de Braeckeleer. En van De Boeck en Van Wint zijn verantwoordelijk voor de allegorieën van de Dag en de Nacht.
Achter die gevels gaat een binnenplaats schuil, die het karakter heeft van een middeleeuws marktplein. Op een van de torentjes op de binnenplaats laat Beyaert zijn eigen hoofd uit een klein raampje steken, een naar middeleeuwse bouwmeesters verwijzend attribuut dat hij vaker bij zijn grote realisaties heeft aangebracht.
Vandaag kan je hier niet meer terecht voor cash of het inwisselen van oude bankbiljetten van 100 frank waarop Hendrik met de plattegrond van deze schepping stond afgebeeld. Zelfs een Nationale Bank moet vandaag bezuinigen en in een digitale wereld zijn bankfilialen in diverse grote Belgische steden niet langer noodzakelijk, dus kan je nu nog enkel in Brussel terecht. In dit gebouw huizen thans woninginrichting Donum en de kantoren van onder meer de Vihe Group (consulting en It’ers) en projectontwikkelaar Groep L, die hier kantoorruimten verhuurd. Ze zijn allemaal via de hoofdingang bereikbaar.
Steek de Frankrijklei even over naar de ingang van de parkeergarage op de middenberm van de Maria Henrietteleid en daal met de trap of de lift af naar drie niveaus lager om daar de restanten te zien van een deels heropgebouwd bastion.
BASTION KEIZERSPOORT
Parking Nationale Bank, Frankrijklei.
Een van de negen bastions van de zogeheten Spaanse omwalling, opgetrokken in de 16de eeuw uit baksteen en bekleed met kalkzandsteen uit Lede. Tijdens een archeologisch onderzoek in 2003 zijn deze resten opgegraven, verzaagd en opnieuw, maar dieper heropgebouwd in deze parkeergarage.
In 1542 blijkt dat de Antwerpse stadswallen nauwelijks voldoende stevig zijn om een aanval te kunnen weerstaan van de Gelderse krijgsheer Maarten van Rossum, hier bekend als Swerten Merten, omdat hij in de wijde omgeving veel grote verblijven platbrandt. Keizer Karel V neemt de Italiaanse vestingbouwer Donato di Boni in de arm om een nieuwe omwalling te ontwerpen volgens het moderne bastiontype. Die wordt grotendeels door de Antwerpse projectontwikkelaar Gilbert van Schoonbeke gebouwd tussen 1545 en 1553. Daarvoor laat hij voor zijn kalkovers turf afgraven in Nederland, waarbij later de stad Venendaal zal ontstaan.
Een bastion is een vijfhoekig uitspringend bolwerk, dat hier de nu verdwenen Keizerspoort moest verdedigen, de belangrijkste stadspoort aan de weg naar Mechelen. Daar was Karel V doorheen gekomen bij zijn eerste bezoek aan Antwerpen, vandaar die naam Keizerspoort.
In 1850 wordt verder van de stadskern de nieuwe Brialmontomwalling aangelegd, waarna de oude omwalling eerder een hinderpaal vormt voor verdere stadsuitbreiding. Bovengronds wordt die daarom afgebroken, ondergronds blijven veel restanten zitten, zoals dit bastion en een stuk stadsmuur plus brug over de gracht bij metrostation Opera en het Kipdorp. Bij de restanten van dit bastion zie je ook enkele mammoettanden in een vitrine liggen, die ook zijn opgegraven.
Weer naar boven en de Frankrijklei oversteken naar de Nationale Bank. Ga de hoek om van de Mechelsesteenweg om weer uit te komen op de Leopoldplaats. Ga daar rechtdoor de Leopoldstraat in. Even verderop zie je links een doorgang met tegen een muur.
HET TEKEN AAN DE WAND
Leopoldstraat, ingang parking Sint-Elisabethgasthuis.
Een bronzen reliëf van Octave Landuyt waarin je een pelikaan ziet, het symbool van het OCMW (Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Werk). Het past hier dus wel.
Even verder passeer je rechts de doodlopende Willem Tellstraat en daar zie je helemaal achterin:
ZIJGEVEL ARENBERGSCHOUWBURG
Willem Tellstraat.
Op deze zijgevel zie je het wapenschild van de Stad Antwerpen met de handjes (‘handwerpen’) en een lauwerkrans met het jaartal 1852 boven de ingangsbogen. Dat is het jaar dat de Cercle artistique, littéraire et scientifique d’Anvers wordt opgericht. Maar die krijgt pas heel wat later zijn feestzaal, na een verbouwing in 1864 van het huis ‘De stadt Sevillien’ in de Arenbergstraat door Eugeen Gife. De plechtige inhuldiging op 18 augustus 1873 wordt bijgewoond door koning Leopold II en koningin Maria Hendrika. Pas in 1929 wordt die feestzaal omgebouwd tot de huidige theaterzaal.
Willem Tell was de Zwitser die met zijn kruisboog een appel op het hoofd van zijn zoontje doorschoot. Hij had landvoogd Herman Gessler beledigd. Die had in 1307 zijn hoed op een staak op het dorpsplein gezet als symbool van zijn macht en iedereen moest die hoed groeten. Willem weigert dat en moet als straf die appel op zijn zoontjes hoofd wegschieten.
De straatnaam is geen toeval, we naderen stilaan de schuttershoven, waarover zo meteen meer.
Hier sluit je opnieuw aan bij de wandeling als je de verkorting nam bij Hotel Botanic Sanctuary Antwerp.
Even verder zie je links een grote poort waardoor je binnengaat in de
BOTANIEK – de Plantentuin
Leopoldstraat 24.
Eertijds diende deze groenzone voor de voedselvoorziening van de zusters die het Sint-Elisabethziekenhuis draaiend hielden. Er was een moestuin, een boomgaard en een kruidentuintje. Dat blijft zo tot de komst van Claude Louis Sommé.
Sommé wordt in 1772 in Parijs geboren. Na een artsenopleiding doet hij enige jaren dienst als legerarts in het Franse legeren komt in het kielzog van de revolutionaire Franse troepen in België terecht. Vanaf 1806 wordt hij dokter-chirurg in het Sint-Elisabethziekenhuis en de daaraan verbonden medische opleiding. Als fervent amateur-botanist begint hij nog datzelfde jaar een plantenverzameling aan te leggen op wetenschappelijke basis volgens het classificatiestelsel van Carl von Linne (Linnaeus).
Bij de verbouwingen van het ziekenhuis in 1825 wordt de oude moes- en fruittuin opgeruimd om plaats te maken voor een Hortus Botanicus, een Plantentuin, die meteen begrensd wordt door de in die tijd nieuw aangelegde Leopoldstraat. Op 16 augustus 1825 wordt Sommé tot directeur van deze Plantentuin benoemd. Hij laat stadsarchitect Pierre Bruno Bourla het jaar daarop een poort en een afsluitende muur optrekken langs de Leopoldstraat.
__________________________________________________________________________________
In 1828 trekt Bourla ook een eerste, inmiddels gesloopte, orangerie op, die als een paviljoen midden in de tuin oprijst en als plantenserre dienst doet. Sommé wil ook een grote vijver in de tuin aanleggen, maar dat project raakt niet verder dan de graafwerken, waarvan de heuvel in de tuin het restant is. In 1891 is alsnog een bescheiden waterpartij gerealiseerd. Als griezelverhaal wordt dan graag verteld, dat hierin voor het ziekenhuis bloedzuigers werden gekweekt voor aderlatingen, in vroeger eeuwen een gangbare praktijk om bepaalde ziekten te genezen. Die bloedzuigers moesten dan het besmette bloed uit je lichaam zuigen, waar ze zich op vastkleefden totdat ze er boordevol vanaf vielen. En dan te bedenken dat sommige mensen al bang zijn van een prik met een injectienaald.
Claude Louis Sommé wisselt al zaden uit met diverse andere botanische tuinen, zoals de Parijse Jardin des Plantes, en laat zaden meebrengen door kooplui en scheepskapiteins, waardoor de tuin wordt verrijkt met kruiden en planten uit Batavia, Suriname, Brazilië, de Verenigde Staten en zo meer. Uit een Haarlemse collectie komen vetplanten over.
Sommés opvolger F.J. Rigouts voert vanaf 8 februari 1851 een vernieuwend beleid en gaat zadenlijsten toezenden naar allerlei Belgische en buitenlandse tuinen om tot uitwisseling te komen.
HOVENIERSCHALET
In de Botaniek.
In 1866 bouwt stadsbouwmeester Peter Dens een hovenietswoning in Zwitserse chaletstijl, waarin de lunch-lounge Het Gebaar is gevestigd. Geen avondrestaurant, want de chef-kok is vandaag een van de keukenchefs van hotel Botanic Sanctuary Antwerp.
STANDBEELD PEETER VAN COUDENBERGHE
In de Botaniek.
Sinds 24 oktober 1996 staat nabij de vroegere woning van de hovenier dit drie meter hoge en ongeveer 300.000 kilo wegende beeld, gemaakt door Pieter Jozef De Cuyper in 1861 ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Société de Pharmacie d’Anvers. Het stond toen op het glacis – het schootsveld – van het lunet Herentals, een klein fort voor de Spaanse stadswallen van Antwerpen, waarop vandaag ons Stadspark is aangelegd. Al in 1869 komt het naar hier, maar de inslag van een Duitse granaat vernielt dit beeld in oktober 1918, amper een maand voor het eind van de Eerste Wereldoorlog. De brokstukken worden evenwel keurig bewaard. Die zijn medio 1995 door professor Peter Sanders en kunstenaars Frans Herbaut en Geneviève Hardy in zes maanden geheel gerestaureerd en hersteld in opdracht van Koninklijke Apothekersvereniging van Antwerpen (KAVA), de Stichting Floris Jespers en de Naamse firma Assurances du Crédit. Al die apothekers waren niet toevallig zo bekommerd om het herstel van deze stenen patiënt, want Peeter van Coudenberghe is bij leven en welzijn – voor hem de 16de eeuw – zelf apotheker-botanicus geweest.
Op het perk naast de vijver zie je vier hoofden uit het gras steken. Dit is Greening II, een werk van Monique Donckers, beeldhouwster/schilderes uit Antwerpen-Berchem. “Greening” is een manier om de omgeving waarin je leeft, of je eigen levensstijl, te veranderen in een aangenamere versie van die omgeving of stijl.
Als nieuw directeur kan Henri Van Heurck de tuin vanaf 1877 weer wat opkalefateren. In hetzelfde jaar wordt Bourla’s muur vervangen door een fraaiere stenen balustrade met koperen gaslantaarns van Van Aarschot, dit alles ter gelegenheid van de Rubensfeesten dat jaar. Nu werken die lampen natuurlijk op elektriciteit.
Bourla’s orangerie-serre wordt in 1884 vervangen door een nieuwe kas naar ontwerp van Ernest Dieltiens. De huidige plantenserre vervangt op haar beurt sinds 1971 Dieltiens constructie en is ontworpen door E. Dick, goeddeels met behoud van Dieltiens vorm, maar nu in aluminium uitgevoerd.
In 1885 is achteraan een nieuwe orangerie gebouwd die vandaag nog te zien valt, met de borstbeelden van Linnaeus en De Jussieu, plus de namen van vijf andere plantkundigen: Charles de l’Escluse (Clusius), Mathias de Lobel – gespeld als l’Obel (Lobelius), Frans Van Sterbeeck, Rembert Dodoens (Dodonaeus) en B. du Mortier.
Naast de orangerie is in 1912 een 17de-eeuwse schuttersgalerij heropgericht, die voordien achter een huis aan de Arenbergstraat bleef bewaard. Het gaat om de galerij uit 1620 à 1660 van de kruisboogschutters – of Oude Voetbooggilde – van Sint-Joris, die hun oefenterreinen aan de toen nog onbestaande Arenbergstraat hadden, op de raamhoven waar de volders hun linnen opspanden.
Verlaat de Plantentuin via het pad nabij de serre en sla de Leopoldstraat links in. Even verder zie je links op een hoek een winkel met een historische naam.
AMBIORIX
Leopoldstraat 14.
Bekende naam uit de Belgische geschiedenis, hij was de aanvoerder van de Eburonen, de volksstam die in onze contreien leefde toen Julius Caesar hier op trektocht langskwam. Wel even geleden, 54 jaar voor Christus. Maar hier heeft men een recentere Bekende Belg binnengehaald, zoals je zal zien als je even binnen kijkt. Denk aan tv ….
We hebben intussen de Arenbergstraat gekruist en de Leopoldstraat passeert even verder de Komedieplaats. Daar staat een echt monument:
BOURLASCHOUWBURG
Komedieplaats 18.
Op de plaats van een 16de-eeuwse verkoophal van tapijten is hier tussen 1827 en 1834 een prachtige schouwburg verrezen, genoemd naar zijn ontwerper Pierre Bruno Bourla. Is de rotonde open, stap dan zeker even binnen en bekijk de plafondschilderingen van Jan Vanriet. Maar kijk ook aan de buitenzijde eens omhoog, naar de borstbeelden van toneelschrijvers en componisten. Van rechts naar links ontmoet je daar: Shakespeare, Sofocles, Euripides, Spontini, Gluck, Aischulos, Vondel, Méhul, Schiller, Corneille, Grétry, Molière, Mozart, Racine, Lopeze de Vega en Terencius. Zij wachten op inspiratie van de negen muzen boven hen, elk met hun eigen specialiteit, van links naar rechts: Lyrische Poëzie, Liefdespoëzie, Epische Poëzie, Dans, Muziek, Sterrenkunde, Geschiedenis, Tragedie. Helemaal bovenaan op het dak de lier.
WACHTHUISJE
Komedieplaats.
Nog een laatste bewaard belle-epoque wachthuisje voor tramreizigers, dat zijn functie vandaag goeddeels verloren heeft sinds die trams zijn omgeleid via de Lange Gasthuisstraat.
Links van de schouwburg naar rechts, de Kelderstraat in.
De naam herinnert aan de vroegere kelders van de tapijthandelaars in het Tappisierspand. Vandaag zie je rond de Bourlaschouwburg heel wat chique winkels. Maar tot eind 20ste eeuw zag het er hier helemaal anders uit, want deze wijk stond bekend om zijn uitzuipcafés. Dat waren gelegenheden waar animeermeisjes de klanten ertoe moesten aanzetten tot verteer. In ruil voor ‘coupkes’ – brede kelkglazen – kreeg de klant dan luchtige conversatie en charmant gezelschap. Zo’n ‘coupke’ bevatte voor de klant duur betaalde champagne, de meisjes mochten zelf niet dronken worden en kregen vaak koude thee in hun glas, die uiteraard wel als champagne werd aangerekend.
Er kon eventueel ook tot intiem contact worden overgegaan in een kamer boven het vafé, maar dat was in veel gevallen niet direct het doel van wie zo’n café bezocht en de meisjes waren daartoe ook niet verplicht. Daar lag een belangrijk verschil tussen zo’n animeermeisje en een prostitué uit het Schipperskwartier – de echte ‘rosse buurt’. Zo’n uitzuipcafé was ook niet echt obscuur en de klanten waren dikwijls gekende burgers, die ‘voor’ en ‘na’ elkaar ontmoetten in een nabijgelegen ‘deftig’ café.
Napoleon Bonaparte heeft zijn eigen systeem bedacht om het vertier in kaart te brengen. Hij kende de ‘cabarets’ zoals elke drankgelegenheid toen werd genoemd, allemaal een cijfer toe. Naarmate het cijfer steeg, daalde het allooi van de instelling. De meest louche gelegenheden droegen het nummer twaalf, in het Frans cabaret douche. In Antwerpen wordt zo’n schimmige gelegenheid daarom nog steeds aangeduid als een ‘cabardoeske’.
Aan het eind van de Kelderstraat even naar rechts en je staat op de
GRAANMARKT
Vandaag een stukje van de wijd en zijd bekende zondagsmarkt, de zich verder uitstrekt langs de Maria Pijpelinlinxstraat over de aangrenzende Oude Vaartplaats, het Theaterplein en het Blauwtorenplein tot tegen de Frankrijklei. Bezoekende Nederlanders spreken steeds over de ‘Vogeltjesmarkt’, maar de juiste naam is Vogelenmarkt. Het gaat niet over kanariepietjes in een kooitje, maar over kippen, eenden, kalkoenen en ganzen voor op tafel. Zeg maar pluimvee, in goed Vlaams ‘vogelen’. Maar ze worden vandaag hier niet meer levend verkocht. Dé attractie van deze zater- en vooral zondagse markt zijn nu de standwerkers, die met hun radde verhalen inspelen op het kijkpubliek, dat ze een specifiek product aanbieden. Jaarlijks wordt er onder hen een koning en een koningin van de Vogelenmarkt gekozen.
Projectontwikkelaar Gilbert Van Schoonbeke
Wie even de Graanmarkt bekijkt ziet aan de rechthoekige vorm en het patroon van de omsluitende en erop uitkomende straten, dat het allemaal nogal regelmatig oogt. En dat klopt, dit is geen spontaan ontstane markt, zoals je die in allerlei soorten rond de kathedraal aantreft, maar een goed gepland geheel. Daar is Gilbert Van Schoonbeke voor verantwoordelijk, een man die leeft in de 16de eeuw.. Hij is wat we vandaag een projectontwikkelaar noemen. Gillis koopt hier in 1551 een flinke lap grond, de oefenvelden van de middeleeuwse schuttersgilden en terreinen waarop ten tijde van de lakenhandel de spanramen van de volders hebben gestaan, zogenaamde raamhoven. Gezien die nijverheid in die dagen aan het wegkwijnen is en de schuttersgilden door de opkomst van meer geavanceerd wapentuig tot gezelligheidsverenigingen zijn gedegradeerd, liggen die gronden er toch maar wat verlaten bij. Om ze op te waarderen stelt hij het stadsbestuur voor om de handel in granen te verplaatsen van de smalle Oude Koornmarkt nabij het stadhuis naar dit ruimere plein. Hij zorgt door de bouw van het Tapissierspand dat er een extra economische injectie komt. Daarna trekt hij straten rondom en verkavelt die gronden op de nu interessant geworden plek in bouwpercelen, die hij te koop aanbiedt. Kassa !
In de 16de eeuw vindt geleidelijk de overgang van gerst naar tarwe als basisproduct voor brood plaats. Doordat gerst weinig gluten bevat, geeft dat meel een donker , compact en zwaar op de maag liggend brood. Tarwebrood blijkt in alle opzichten veel lichter – zowel in kleur en textuur als in verteerbaarheid. Die tarwe wordt hier dus verhandeld.
STANDBEELD VICTOR DRIESSENS
Graanmarkt.
De bronzen man op de sokkel is Victor Driessens, die in 1853 voor het eerst door zijn Nederlandstalig beroepstoneel stukken laat opvoeren in het Vlaams. Daarom staat hij terecht met zijn rug naar de Bourlaschouwburg, in Vics dagen nog de theatertempel van de Franstalige bourgoisie, het Théâtre Royale français.
HUIZEN AAN DE GRAANMARKT
De drie kleine huisjes met trapgevels aan je linkerzijde dateren nog uit het midden van de 16de eeuw: nr.1 ‘Grooten Hoeksteen’, nr.2 ‘Sarazynshooft’ (nu ‘Varkenspoot’), nr.3 ‘Coperhuys’ (nu ‘De Duifkens’). Zo moet in de 16de eeuw de hele Graanmarkt er hebben uitgezien.
ACTEURSCAFÉ DE DUIFKENS
Graanmarkt 3.
Dit kleine bruine kroegje is van oudsher de stamkroeg van de acteurs die hier in de diverse theaters hun ‘ding’ doen. In de andere cafés komt vooral het publiek na de voorstellingen in de Bourla, de Arenbergschouwburg en de Stasschouwburg, jawel je bent hier in de theaterwijk. Als je geluk hebt loop je in De Duifkens op acteurs als Jan Decleir, bekend bij het filmpubliek van de film ‘Karakter’ waarin hij deurwaarder Drevershaven was, of als beroepsmoordenaar uit ‘De Zaak Alzheimer’ naar het boek van Jef Geraerts
Kijk ook eens naar het grote gebouw aan de overzijde.
HOOFDKWARTIER BUNGE
Graanmarkt 2.
Een complete tegenstelling met die drie trapgeveltjes, dit statige dubbele kantoorgebouw uit 1908-1910 van architecten Emile Vereecken en Max Winders. Vooral de peervormige koepel met bovenop een zogenaamde ‘lantaarn’ oogt indrukwekkend, wat gecounterd wordt door de dartel rondspringende kindertjes her en der op de balustrades. Hier was de directiekamer van Edouard Bunge, een van de grote ondernemers van Duitse origine, die tussen midden 19de eeuw en de Eerste Wereldoorlog een enorm aandeel hadden in het zakenleven van Antwerpen. Bunge was ondermeer actief in het Verre Oosten, waar hij in Maleisië veefokkerijen en plantages bezat. Onder koning Leopold II was Edouard zeer actief in Congo, toen nog vrijwel privébezit van de koning. Bunge zorgde ervoor dat Antwerpen de Wereldmarkt werd in de handel in ivoor en later ook een eerste plaats innam bij de handel in rubber. Vandaag resteert van al die activiteiten nog de beursgenoteerde firma Sipef, een bedrijf dat plantages voor palmolie beheert, onder andere in Indonesië. Als we straks biodiesel tanken kan die met hun palmolie zijn gemaakt.
Aan het eind van de Graanmarkt slaan we voor de Stadsschouwburg linksaf, de Maria Pijpelinckxstraat in. We beginnen duidelijk Rubens te naderen, Maria was zijn moeder.
BELGIË AAN DE ARBEID
Maria Pijpelinxstraat.
Tegen de zijwand van de Stadsschouwburg hangt dit in brons geslagen paneel van beeldhouwer Oscar Jespers. Het dateert uit 1937 en is daarmee uit zijn latere periode. Hoewel Jespers tot de gangmakers van het expressionisme in België behoort, kom je weinig werk van hem tegen op openbare plaatsen. Het meeste bevindt zich in privécollecties en musea. Hier zie je onder meer scheepvaart, visserij, landbouw, metaalbewerking en industrie afgebeeld in een reeks kaders, die door twee stevige figuren à la Permeke worden getorst. Oscar Jespers behoorde tot de kring waarvan ook Paul van Ostaijen deel uitmaakte en van diens bundel De Feesten van Angst en Pijn heeft hij de tekeningen en houtsneden gemaakt. Oscar is ook de laatste kunstenaar die Van Ostaijen nog levend heeft gezien in het sanatorium van het Waalse Miavoye.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
