QUARTIER LATIN

QUARTIER LATIN – Stapperlootroute

START MONUMENT DE HAND
Meir, ter hoogte van de Diesel Store.

Kom je met de trein dan kun je een tram nemen in premetrostation ‘Diamant’. Kies het perron voor richting Linkeroever en neem daar de tramlijnen 2 of 15 richting Linkeroever. Reeds bij de tweede halte ‘Meir’ stap je uit en neem je de roltrap naar boven. Aan de overzijde van de Meir zie je dan een standbeeld, of noem het maar een ligbeeld.
Kom je met een streekbus van De Lijn, dan stopt die op de Franklin Rooseveltplaats. Dan ga je te voet eerst linksaf tot je aan je rechterhand de Frankrijklei op. Zodra je aan je rechterhand het standbeeld van David Teniers ziet, ga je daar rechtsaf via de Teniersstraat, die overloopt in de Meir. Wandel deze winkelstraat verder af tot je bij het beeld van de Hand komt.
Wie met de auto komt gaat vanaf de leien rond de oude stad naar de parking onder de stadsschouwburg op het Theaterplein. Vandaar linksaf via de Meistraat en de Kolveniersstraat naar de Meir en die naar links volgen tot aan de Hand.

DE HAND
Meir.
Daar ligt hij dan, die grote hand als een zitbank voor wie moe is en klauterstek voor kinderen. Hét stadssymbool, omdat Antwerpen volgens de legende afgeleid is van ‘handwerpen’. Reus Druwon Antigoon zou aan de Schelde hebben gewoond en van iedere passerende schipper tolgeld hebben gevraagd. Van wie weigerde kapte hij een hand af en wierp die in de rivier, waardoor de Schelde een visrijke waterloop werd. Aan die praktijk maakt een soldaat van een Romeins legioen, Silvius Brabo een eind door de reus zelf een hand af te hakken en door hem meteen een kopje kleiner te maken was elk gevaar volledig geweken.  En de plek waar dat gebeurde ging dus de geschiedenis in als handwerpen, latere bewoners vertelden dat zij in Antwerpen woonden.
Een 15de-eeuwse kroniek beweert bovendien dat Brabant ook zijn naam aan Brabo te danken heeft en dat onze held een arend schoot die in het arendsheem zijn nest had – vandaar de steden Aatschot en Arnhem. Maar daarvoor steken wij onze hand niet in het vuur.

Nu is deze Hand niet speciaal voor Antwerpen gemaakt. Die is een onderdeel van het grotere monument L’Écoute van Henri de Miller, dat in Parijs naast de Saint-Eustachekerk ligt in de wijk Les Halles. Voor een groepsfoto is onze Hand wel een topper geworden.

Speciaal voor Nederlandse wandelaars:
De straatnaam wordt niet uitgesproken als Meijer, maar als Mèèr, een wat lang aangehouden Franse zee … Niet als een korte ei dus.

Wandel richting wolkenkrabber maar blijf dichtbij het midden van de Meir om wat afstand te houden van enkele gevels aan je linkerhand, zodat je die beter in hun geheel ziet.

GENERAL BUILDINGS + EAGLE STAR
Meir 14 (JBC/Torfs) + Meir 12 (Springfield)
Nabij de middeleeuwse Handelsbeurs – die diep weg aan de overzijde in het smalle straatje ligt – ontwikkelt zich reeds vroeg het verzekeringswezen. Die traditie heeft zich voortgezet tot in de 20ste eeuw, zoals je ziet aan deze gebouwen uit 1920 en 1923/’24 voor verzekeringsmaatschappijen ‘General Accident Fire and Life Assurance Corporation Limited’ en ’Eagle Star’. Architect A. Portielje tekende de bouwaanvraag van het linker pand. Schrijver Willem Elsschot laat het in zijn boek Lijmen/Het Been figureren als de ‘Compagnie Continentale d’Assurances Générales sur la Vie et de Rentes Viagères’ – in Vlaanderen was het Frans nog de voertaal van de betere klasse.
Het hoekpand is ontworpen door het architectenduo Jan Van Riel en Eduard Ceurvorst in een soort Beaux-Artsstijl. Als sierstuk is er een koepel op de afgeronde hoek, waarop een bronzen arend neerstrijkt dankzij beeldhouwer Arthur Pierre. In de deurwaaiers de initialen ‘E S’ van de Eagle  Star.

Waar nu het verkeer zich in een knoop wurmt, begint de Meirbrug.

MEIRBRUG
Een eeuw geleden was het hier veel rustiger. Begin 16de eeuw is er nog een echte gracht met een brug met in het midden daarvan een ijzeren kruis. Dat kruis wordt door de Beeldenstormers vernield en later vervangen door een houten exemplaar. Dat wordt op zijn beurt nogmaals vervangen door een koperen kruis in 1633, dat het tot eind 18de eeuw uithoudt. Er wordt gezegd dat het nu in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal hangt, maar daarover bestaat twijfel. Maar ter herinnering aan dit kruis zie je voor je op die-wolkenkrabber, rechts op de zevende verdieping tegen de middentoren, een groot kruisbeeld met een Mariabeeld van de Fransman Rogier de Villiers. Meteen het grootste en hoogste van heel Antwerpen

BOERENTOREN
Meirbrug – Eiermarkt – Schoenmarkt 3.
Een bombardement aan het begin van de Eerste Wereldoorlog veroorzaakt hier een lege plek in het stadslandschap. Die wordt heel wat jaren later, in 1928, gekocht van het Antwerpse stadsbestuur door de Algemene Bankvereniging uit Leuven. In volle crisistijd laat die hier tussen 1929 en 1932 de eerste wolkenkrabber waarin gewoond wordt optrekken rond een stalen geraamte door het architectenduo Jan Van Hoenacker en Emile Van Averbeke. Foto’s tegen de gelijkvloerse gevels geven nog een indruk van die bouw. De oorspronkelijke Belgische aannemer had weliswaar ervaring met grote projecten, maar dat waren vooral sluizen op grote kanalen. Daardoor moest voor de staalconstructie een beroep worden gedaan op een Duits bedrijf.
De Leuvense bankvereniging  gebruikte slechts een klein deel van het toen 87 meter hoge gebouw. De rest wordt verhuurd als kantoor of woning. Boven de hoofdingang was een tearoom en het platte dak aan de lagere linkerzijde van de toren werd gebruikt als terras. Helemaal bovenin gaf een panoramazaal uitzicht op de stad.
Omdat de bank eigendom was van de Belgische Boerenbond wordt al snel dit gebouw aangeduid als de Boerentoren en die naam draagt het nog steeds. Een tijdlang is dit de hoofdzetel van de KBC-bank geweest en in 1976 laat die de toren nog wat verhogen tot 97 meter, terwijl er onderin winkels komen.
Na het vertrek van de KBC is het hele bouwblok verkocht aan de Antwerpse ondernemer Fernand Huts, die er grootse plannen mee heeft. Zo wil hij een museum in onderbrengen om er een deel van zijn eigen kunstcollectie te tonen, die onder meer een dinosaurusskelet omvat.  Ook het vroegere openlucht terras op de zijkant zou hersteld worden. Intussen is een grote operatie om het asbest dat in de toren gebruikt was te verwijderen afgerond en kan het interne skelet soms worden bezocht. Maar dat houdt heel wat trappen lopen in, want de oude liften zijn reeds verwijderd.

Ga op de Meirbrug linksaf, zo kom je op de Schoenmarkt.

Als je nog even de reliëfs bekijkt op halve hoogte op de Boerentoren zie je dat die allemaal over landbouw en veeteelt gaan, je ontwaart dieren en gewassen, alles verwijzend naar die bank voor de boeren.

Blijf aan de linkerzijde wandelen totdat je ook links de Schrijnwerkersstraat tegenkomt. Sla die in en wandel rustig verder langs dit winkelstraatje. Rechts kom je langs een wafelhuis.

DÉSIRÉ DE LILLE
Schrijnwerkersstraat 16.
Hier wordt een speciale stroopwafel geserveerd, de lacquemant. Het is een uitvinding van de op 12 februari 1885 in Luik geboren Désiré Smidts. Hij gaat in Parijs in een patisserie werken, maar komt later naar Antwerpen in de hoop daar een baan te vinden in de zeehandel. Als dat niet lukt wordt hij kelner bij Lacquemant, een Lillese kermisfrituur die op de Antwerpse Sinksenfoor (Pinksterkermis) staat. Daar bedenkt hij zelf in 1903 een in de lengte doorgesneden wafel, gevuld met door hem zelf samengestelde stroop en noemt zich voortaan Désiré de Lille, naar de kermisattractie waar hij werkt.
Hij blijft zijn wafels verkopen op de kermissen van Brussel en Lille, maar vooral op de Oktoberkermis van Luik kennen ze een reusachtig succes. Nadat hij met de kermisfamilie verder is gereisd naar Parijs en San Malo, waar hij zijn vrouw Louise leert kennen, gaat Désiré uiteindelijk zijn eigen zaak openen in Luik. Zijn speciale stroopwafels noemt hij naar zijn vroegere werkgever: lacquemants. Zijn nazaten staan nog steeds op kermissen, maar hebben ook vaste wafelhuizen in grotere steden, zoals hier in Antwerpen. Omdat je zo’n wafel op een kermis onderweg wilt opeten, worden ze daar  in een papieren hoorntje geserveerd.

Aan het eind van de straat kom je langs een

CALVARIEBERG
Schrijnwerkersstraat.
Deze calvarieberg uit 1710 – tel de Romeinse cijfers maar op – vervangt een alleenstaande kruisbeeld met lantaarn op een brug die hier over de vestinggracht van de tweede stadswal lag. Dat water stroomt er nu via buizen onderdoor, maar is niet langer zichtbaar.
In 1710 (= MDCCX) wordt deze calvarieberg al opgericht en met een onderbreken in de Franse tijd opnieuw geplaatst in 1814. Christus en zijn kruis zijn polyester kopieën van de originelen beeldhouwwerken, Maria links en evangelist Johannes rechts zijn wel origineel, net als beide knielende engelen. Zo’n calvarieberg werd onderhouden door de buurtbewoners, die ook zorgden dat in de lantaarn op de brug een olielamp brandde.
Naar verluidt is op een donkere avond op die brug de Fransman Christoffel Plantijn overvallen, waardoor hij gewond raakte aan zijn hand en niet langer het vak van boekbinder kon uitoefenen en daarom maar drukker is geworden met als nalatenschap het beroemde Plantijn-Moretusmuseum aan de Vrijdagmarkt.

Neem nu even een kijkje aan de achterzijde van deze calvarieberg.  

DE WILDE ZEE
Zo wordt deze winkelwandelwijk genoemd en hier zie je waar die naam vandaan komt. Een waterloop van links naar rechts duidt aan hoe hier de stadsgracht vanaf links naar de Schelde rechts liep. Bij het gele kruisje links sta je nu zelf en zie je dat de stadsgracht een stompje knik naar boven maakt, in feite dus naar links richting Wiegstraat. Wanneer het vloed was stroomde het water van de Schelde de gracht in, om er met eb weer deels uit te stromen. Bij het instromen zorgde die knik in de stadsgracht dat het water hier nogal  wild klotste en zo ontstond dus de naam Wilde Zee.

Ga even terug naar het pleintje waar vier straten samenkomen. Op de hoek van de Groendalstraat en de Korte Gasthuisstraat zie je de Neuhaus-pralinewinkel.
Voor Nederlanders: er wordt in België niet over bonbons gesproken, zeg dus pralines.  

NEUHAUS – DE UITVINDER VAN DE PRALINE
Korte Gasthuisstraat 1.
Een Zwitserse apotheker Jean Neuhaus vestigt zich in 1857 in de Brusselse Koninginnegalerij. Omdat medicijnen vaak niet zo lekker smaken, gaat hij die omhullen met chocolade, want hij is zich al gaan toeleggen om naast medicijnen ook fijne confiserie te maken. Jean geeft in 1912 zijn passie voor confiserie door aan zijn kleinzoon Jean junior. Die vervangt de medicijnen door een lekkere vulling en creëert daarmee de eerste Belgische praline. Die lekkernij verkoopt hij aanvankelijk in een puntzak, maar daardoor worden de pralines enigszins samengedrukt en het presenteert niet echt smakelijk. Zijn vrouw Louise Agostini bedenkt daar een oplossing voor: het enigszins langwerpige pralinedoosje, ballotin genoemd, dat nu nog steeds wordt gebruikt door chocolatiers.
De naam praline is dan weer het idee van een kok Clément Jaluzot, die in suiker gebrande amandelen serveert aan zijn baas, de Franse maarschalk Du Plessis-Praslin, die tussen 1598 en 1675 heeft geleefd. En diens tweede naamdeel gebruikt Clément als naam voor zijn lekkernij.

Wandel verder de Korte Gasthuisstraat, een verkeersvrije winkelstraat.

IITTALA
Korte Gasthuisstraat 24.
Hier was ooit de chique interieurzaak van François en Charles Franck gevestigd. François heeft de schilders- en behangerszaak uit de Kuipersstraat die in de tweede helft van de 19de eeuw en zal die samen met zijn twee jaar oudere broer Charles uitbouwen tot een meubel- en decoratiezaak voor de rijkere burgerij. Bijgestaan door de Mechelaar Frans Bruylants maken ze onder meer eigen stoelen in een beperkte oplage van twee à drie stuks, steeds voorzien van een fabricagenummer Bovendien beschikt François over een grote overredingskracht waarmee hij klanten kan overtuigen hun hele woning te laten inrichten in Frack-stijl, d.w.z. met zijdebehang, Japanse lak en parelmoer, of  een aantal exclusieve meubels aan te schaffen. De rekeningen daarvoor zijn dus navenant behoorlijk hoog, maar volgens Franck steeds in verhouding tot de geleverde prestatie. Dat leidt tot volgende anekdote. Na een nieuw gebouwde woning volledig te hebben gestoffeerd vraagt François aan de eigenaar of die misschien nog een brandkast wenst te hebben. De zeer rijke heer antwoordt glimlachend: “Meneer Franck, als ik al uw rekeningen zal hebben betaald, heb ik geen brandkast meer nodig.”
Gezien het winkelhuis doorloopt tot in de Everdijstraat komen we nog terug op deze bijzondere Antwerpenaar, want hij heeft ook veel gedan voor kunstenaars.

GEBOORTEHUIS MATTHIAS SCHOENAERTS
Korte Gasthuisstraat 30.
Hier op de tweede verdieping heeft Mathias Schoenaerts zijn eerste kinderjaren doorgebracht met zijn moeder Dominique Wiche, terwijl zijn vader Julien daar ook regelmatig langskwam. Samen met zijn vader zou hij op iets latere leeftijd op de theaterplanken staan in de titelrol van ‘De Kleine Prins’ naar het boek van Antoine de Saint-Exupéry. Matthias’ filmdebuut als acteur vindt plaats in 1992 als Wannes Scholliers in de film Daens van Stijn Coninx, het begin van een hele reeks rolprenten. Daarnaast is Schoenaerts bekend als graffitikunstenaar onder het pseudoniem Zenith. Werk van hem is te zien in Oostende, met name Thinks Outside The Box (2017 – de titel in grote kleurrijke letters) en Fallen Power (2020 – een onthoofde koning Leopold II op een paard). Een zelfportret van Mathias is te zien in Charleroi op een schutting in de Chemin de Halage naast de Sambre.

Waar rechts de Everdijstraat uitkomt in de Korte Gasthuisstraat zie je meteen links:

BAKKERIJ GOOSSENS
Korte Gasthuisstraat 31.
Een zeer klein winkeltje, maar ongetwijfeld de bekendste bakker van Antwerpen. Verbaas je dus niet wanneer je een hele rij klanten buiten voor de winkeldeur ziet aanschuiven, behalve op zondag, dan is de zaak gesloten – heel opmerkelijk voor Belgische bakkers.
Ook hier een anekdote: er zouden vroeger vaak fotografen van de  Russische krant de Pravda hier gesignaleerd zijn. Hun foto’s moesten bewijzen dat ook in het Westen de mensen in rijen voor de winkels stonden.
Maar nog bekender is een speciaal rozijnenbroodje dat hier wordt verkocht, het roggeverdoemeke. Dat heeft alles te maken met de in 1375 geboren Nederlandse koopman Pieter Pot. Hij verkent een flinke brok van de wereld aan boord van een schip en belandt daarbij ook in Syrië. Hij vergaart in de wolhandel met dat land een fabelachtig fortuin. Voor u kan het verbazen, maar voor Antwerpenaren spreekt het vanzelf dat als zo’n bereisd man in 1415 Antwerpen ontdekt, hij meteen tot de conclusie komt dat deze stad het beste plekje s om zich te vestigen. Samen met zijn vrouw Maria Terrebroodts doet hij dat in 1418 in wat nu de Grote Pieter Potstraat heet.
In 1433 richten ze bij hun woning een bidkapel op, waaraan een eigen kapelaan wordt verbonden, die elke woensdag aan de armen een brooduitdeling mag doen. Pieter stelt daarvoor graag zijn graanschuren beschikbaar, want graan heeft hij ruimschoots. Pieter bezit heel wat grond in de omgeving van Antwerpen en verder weg in Zeeland. Hij is zelf intussen verhuisd naar en wat ruimer optrekje in Edegem.
Voor bajesklanten die opgesloten zijn in het Steen – een bescheiden burcht aan de Schelde – wordt hun strafregime wat verlicht doordat hen op tijd en stond een roggebroodje via Pieter wordt aangereikt. En dat is dus ons roggeverdoemeke. Je kan het zelf bij deze bakker kopen, nu zitten er zelfs krenten in.

Nog enkele stappen verder zie je aan de rechterzijde een beeldje.

Den DEUGNIET     Dit bronzen beeldje is zowat de tegenhanger van het Brusselse ‘Manneken Pis’. Eronder staat een liedjestekst van de Antwerpse volksliedzanger John Lundström. Onze Deugniet heeft duidelijk schijt aan de burgerlijke Sinjoor, zoals de bijnaam van de Antwerpenaren luidt. Maar zijn gatje glanst van het erover wrijven, want dat brengt geluk.

Het beeldje is in 1976 gemaakt door Luc Verbeke en hier op 2 juli 1997 geplaatst. Een vereniging ‘Den Deugniet’ zorgde ervoor dat het ventje regelmatig een nieuw op maat gemaakt kostuumpje kreeg, in navolging van zijn Brusselse broertje, maar daar lijkt toch wat de klad in gekomen. Nog dit: treft u een lege sokkel aan, dan is Den Deugniet weer eens voor korte of langere tijd ontvoerd.

Zet enige stappen terug in de Korte Gasthuisstraat en sla tegenover bakker  Goossens links de Everdijstraat in. Aan je rechterzijde zie je vlak naast huisnummer 49 een fraaie poort. Dat is de vroegere toegang tot de binnenplaats achter de IITTALA-winkel waar voorheen de interieurzaak van de gebroeders Franck was gevestigd. Het volgende huis was zijn woning.

WOONHUIS FRANÇOIS FRANCK
Everdijstraat 43.
Er hangt hier een koperen plaat aan de gevel met de tekst: “In dit pand woonde en werkte verzamelaar en mecenas François Franck (1872-1932) bezieler van de vereniging “Kunst van Heden”. Want inderdaad, François beperkte zich niet tot luxueuze huisinrichting, hij deed ook heel wat voor kunstenaars. Zo huurt hij in de Falconrui (nabij het Bonapartedok) de kapel van het Godshuis Lantschot, eerst als meubelopslagplaats, maar al spoedig krijgt het idee om daar iets met kunst te gaan doen. Hij richt samen met anderen de vereniging De Kapel op. Het wordt een ontmoetingscentrum voor schrijvers, schilders, politici waar van gedachten wordt gewisseld over artistieke, filosofische en politieke ideeën, vaak met een anarchistisch inslag. Heel wat bekende personen komen er lezingen geven: schrijvers Emilie Verhaeren, Stijn Streuvels en Frederik van Eeden, architect Henry van de Velde. Op donderdagavonden kwamen ze daar samen, zowel intellectuelen als handarbeiders. Naast die samenkomsten waren er ook tentoonstellingen van schilderijen.
Maar François doet meer. In 1905 weet hij een aantal vermogende Antwerpse zakenlui rond zich te verzamelen: Grisar, Kreglinger, Fester, Serigiers … Hij ziet kans om van elk een bedrag van 100.000 Belgische frank los te krijgen en richt daarmee op 1 maart 1905 de vereniging Kunst van Heden op. Doel is het stimuleren van eigentijdse kunstenaars en het aankopen van hun werken. En in 1925 is hij mede-initiatiefnemer van een fonds De Vrienden van de Moderne Kunst, dat ervoor zorgt dat het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten een grote verzameling eigentijdse kunst verwerven kan, gefinancierd door mecenassen, zeg maar de rijke kennissen van François Franck.

Als in 1930 voor de derde maal een Wereldtentoonstelling in Abntwerpen plaatsvindt heeft Kunst van Heden daar een eigen paviljoen. En het is opnieuw François Franck die ervoor zorgt dat het Antwerpse museum een afgietsel krijgt van Auguste Rodins bronzen beeld van de Franse schrijver Honoré de Balzac, vandaag te bewonderen in het Middelheim Beeldenpark.
Wanneer François Franck in 1903 in 1903 James Ensor ontmoet, leidt dat tot een grote bewondering voor diens werk en François zal dan ook zijn hele leven een van de belangrijkste sponsors van James Ensor blijven.

Helaas is François einde niet enkel onverwacht, maar ook weinig spectaculair. Tijdens een wandeling in Oostende over de zeedijk met zijn kleinkinderen op 23 maart 1932 stapt François achteruit om een groepsfoto te maken, valt en komt met zijn hoofd ongelukkig op de dijkhelling terecht. Na een zeer druk bijgewoonde mis wordt hij bijgezet in het familiegraf op het Schoonselhof, het bekendste Antwerpse kerkhof vol bijzondere graven en monumenten.

Meteen door naar het volgende huis met de witte ramen en deurlijsten.

WOONHUIS Dr. JAN MANIEWSKI
Everdijstraat 41.
Janos Maniewski was de kleinzoon van schrijver Willem Elsschot, wiens dochter met deze Pool was gehuwd. Als grootvader Elsschot op een dag met de kleine Janos in de tuin aan het wandelen is, ziet hij enkele mussen op het gazon hippen. Vanaf dat moment noemt hij zijn kleinzoon Tsjip en dat zal ook de titel van het boek worden waarin hij deze familiegebeurtenissen beschrijft. Na de Tweede Wereldoorlog komt daarop nog het vervolg De Leeuwentemmer, dat doorgaans samen met Tsjip wordt gebundeld.

VOORMALIG KINDERZIEKENHUIS LOUISE-MARIA
Everdijstraat 35 – rechts (Monar)
Hier komt een vrouw het verhaal binnenwandelen, ongehuwd, maar niet onbemiddeld en vooral met een stevig doorzetters karakter. Constance Teichmann wordt op 16 juni 1824 gebore, als derde dochter uit het tweede huwelijk van vader Theodoor met Mimi Cooppal. Haar moeder is directe familie van Pieter Frans Cooppal, die in het Oost-Vlaamse Wetteren een familiale buskruitfabriek leidt, die tot de top van de Europese wapenindustrie behoort. Het bedrijf levert buskruit en lonten aan diverse Europese regeringen, vanaf 1815 ook aan de Nederlandse overheid en na het ontstaan van België in 1830 ook aan dit land. Dat buskruit en die lonten zijn noodzakelijk om kogels uit kanonnen te kunnen schieten.
Maar Constance’s moeder houdt zich vooral met liefdadigheid bezig, zoals het stichten van een weeshuis voor alleenstaande jonge meisjes die verkeerd terecht dreigen te komen. En zij haalt ook de Zusterkens der Armen naar Antwerpen

Ook dochter Constance Teichmann gaat van zorg voor de zwakkere medemens haar volledige levensvulling maken. Dat krijgt vorm in 1844 met de oprichting van de Société des dames de la Charité – bij de Teichmanns wordt thuis Frans gesproken – een groep vrijwilligsters die zieken en armen thuis bezoekt. Om geld binnen te krijgen voor daadwerkelijke hulp organiseren deze dames uit de betere kringen vanaf 1845 concerten. Bij het eerste op 28 maart treedt Constance zelf op als zangeres, want zij beschikt over een uitstekende sopraanstem.

Door haar vele activiteiten wordt Constance beperkt wat haar huisbezoeken aan zieken en armen aangaat. Daarvoor bedenkt ze als oplossing de oprichting van een specifiek kinderziekenhuis. Ze koop met pa’s geld een huis aan de toenmalige Sint-Jorisvest – vandaag Tabaksvest – waar 30 kinderen opgevangen kunnen worden, die door vier gasthuiszusters en 29 vrijwilligers verzorgd worden. Constance is zelf dan 22 jaar. De verzorging in haar gasthuis is gratis, met dokter Claude-Louis Sommé als eerste arts. Op dat moment bestaan er in heel Antwerpen slechts twee grote ziekenhuizen, het nabije Sint-Elisabethgasthuis en het Militaire Hospitaal op het terrein waar nu het Groen Kwartier is.

Snel wordt duidelijk dat de dames van die Société des Dames de la Charité niet de juiste kennis hebben om zieke kinderen te verzorgen. Daarom wordt er een beroep gedaan op enkele gasthuiszusters, terwijl de dames zich bezighouden met waar zij wél goed in zijn, het organiseren van feesten. Zo staan zij borg voor de financiering van het kinderziekenhuis. Op 6 augustus 1851 krijgt dat een eigen naam wanneer koning Leopold I de goedkeuring geeft om het te noemen naar zijn vrouw Louise-Maria.
Het succes doet kinderziekenhuis Louise-Maria snel uit zijn voegen groeien en er wordt een ruimer pand gevonden op de plaats waar je nu staat. Hier krijgen tussen 1851 en 1877 zo’n 30 kinderen verzorging van vier zusters, bijgestaan door dertig vrijwilligers. Achter het gebouw is zelfs een tuin beschikbaar. Later zal het kinderziekenhuis nog enkele keren naar telkens weer grotere en modernere gebouwen verhuizen.
Bijna een halve eeuw later komt hier drie jaar lang het Anna Bijnsgesticht voor oudere mensen – genoemd naar een 16de-eeuwse dichteres -om dan een gemengde kleuter- en lagere school te worden van het Sint-Lodewijksinstituut, dat even verder nog als middelbare school bestaat. Je ziet daarvan nog achteraan een kleine met glas overdekte speelplaats. Maar als in 2004 blijkt dat de gebouwen niet langer veilig genoeg zijn om er les in te geven, sluit die school op 30 juni 2004. Tien jaar later wordt het geheel gerenoveerd tot winkels, vier studio’s en acht appartementen.

SINT-JORIS
Everdijstraat 35 – rechts Monar
Wie kent hem niet, de bouwer van het Antwerpse stadhuis? Cornelis Floris de Vriendt koopt dit pand in 1549 om er zowel zelf te gaan wonen in het linter gedeelte, als er rechts zijn werkplaats van te maken. Achter de drie raampartijen links wordt er gewoond. Op de plaats van het middelste en het rechter raam was er tot 1877. Pas in een grote poort onder een rondboog als voordeur. Maar de woning krijgt pas een derde verdieping in de tweede helft van de 18de eeuw. De gevel is mooi bewerkt met vensterlijsten in blauwe hardsteen. Die dragen steenhouwersmerken van Anthoine Hanicq en Grégoire Boule, die eveneens voorkomen op de poorten van het Hessenhuis nabij de Stadswaag. En de merktekens staan ook op de 16de-eeuwse delen van het Brugse belfort. Blauwe hardsteen kwam uit Wallonië, met name uit de groeven in Feluy, Arquennes en Ecaaussines. Zulke merktekens zijn niet de handtekening van de steenkapper die hier ter plaatse werkte, maar van de exploitant van een deel van zo’n steengroev die het materiaal leverde. Aan deze gevel hangt ook een gekroonde Maria met Jezus op haar rechterarm. Antwerpen telt veel Mariabeelden en dat is geen toeval. Al tijdens de Spaanse tijd worden er Mariabeelden opgehangen aan gevels, vaak op straathoeken en zoals ook hier voorzien van een lichtarm.als straatverlichting.
Als in 1566 de Beeldenstorm opsteekt tegen de macht van de Roomse Kerk worden heel wat Mariabeelden vernield. Maar vanaf 1585 voert de katholieke Kerk een politiek van herkerstening, de Contrareformatie, daarin gesteund door het Spaanse vorstenpaar Albrecht en Isabella. Veel aanhangers van Luther of Calvijn verlaten Antwerpen en er worden nieuwe beelden gebeiteld.
Maar als in 1795 revolutionaire Fransen dit land anexeren, vaardigen zij op 25 september 1797 een verordening uit dat alle beelden afgebroken moeten worden. Opnieuw verdwijnen talrijke beelden van de gevels, dikwijls weggehaald door de huiseigenaar en in huis verborgen. In 1814, na de nederlaag van Napoleon bij Waterloo, komen ze opnieuw tevoorschijn. Vandaag probeert de vereniging ‘Voor Kruis en Beeld” de resterende exemplaren in stand te houden door ze officieel te beschermen en zo mogelijk te restaureren.

HERENHUIS HAGELSTEEN
Everdijstraat 31.
In 1621 verkoopt de familie Van Eeden dit huis aan Cornelis II Lantschot, een van oorsprong Nederlandse familie, die in de 16de eeuw naar Antwerpen komt. Maar ze wijken uit voor wat uiteindelijk een Tachtigjarige Oorlog blijkt te worden naar het hertogdom Gulik, waar Cornelis op 10 februari 1572 het levenslicht ziet in Steyl, nabij de huidige Nederlands Limburgse stad Venlo. Cornelis stort zich als koopman en financier in zaken, gaat eerst in het nu in Frans-Vlaanderen geleden Atrecht (Arras) wonen om van daaruit zijn belangen in Antwerpen te behartigen. Maar rond 1640 is hij al rijk gevworden en settelt hij zich in Antwerpen. Hij woont niet hier in Hagelsteen – dat dan nog één verdieping minder telt – maar aan de Meir in Huis Roose, waar zich vandaag het Paleis-op-de-Meir verhefr. Wanneer Cornelis op 26 april 1656 overlijdt, blijkt hij bij testament geld te hebben voorzien voor de oprichting van een godshuis, een instelling voor opvang en verzorging van minder bedeelde burgers, te vergelijken met hedendaagse zorgcentra. Zijn Godshuis Cornelis Lantschot verrijst aan de Falconrui in de havenwijk. Twaalf éénkamer woningen met zolder voor evenveel gebrekkige oude mannen, ‘die met goede naam en faam geleefd hebben’ zoals Corneel uitdrukkelijk stipuleert. Zijn godshuis omvat ook een binnenplaats en een kapel, gewijd aan de Helige Rosalia van Palermo, destijds aangeroepen als bescherming tegen de pest. Over die kapel weet je intussen dat daar dankzij François Franck later een vereniging van schilders, schrijvers en beeldhouwers samenkwam tijdens voordrachten en discussies.
Cornelis Ii Lantschot heeft een grafmonument gekregen in de Sint-Jacobskerk (Universiteitswijk) nabij de kapel van de Zoete Naam Jezus met een opmerkelijk grafschrift, waarvan de laatste twee regels de meest gelezen zijn in deze kerk: ” Men wint den hemel met gewelt / of is te koop met kracht van geldt”. Klinkt vandaag zeer bezitterig, maar Corneel was iemand die vooral zijn geld uitgaf aan goed doelen. Van hem kan beweerd worden dat hij zich heeft ‘doodgedeeld’, een ware weldoener.
Een nazaat en naamgenoot van Cornelis Lantschot sticht in 1737 in het Nederlandse ‘s-Hertogenbosch een handel in koloniale waren, zeg maar koffie, thee, suiker, rijst, die hij aankoopt bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie, een zaak die je als voorloper kan zien van onze supermarkten. Nazaten van hem richten in 1799 de Nederlandse Bank Van Lanschot op, vandaag actief als beleggingsbank voor een welstellend publiek. Graag verwijst die bank naar onze rijke Cornelis als min of meer hun stichter, al bestaat er beslist geen rechtstreekse band met hem.
Huis Hagelsteen is intussen meermaals gerestaureerd en heeft in 1880 zijn derde verdieping gekregen. Achter de houten poort naar een binnenplaats ligt een rondboogarcade met Toscaanse zuilen. Binnenin zijn er restanten van 18de-eeuwse rococoplafonds, versierd met schelpen, druivenranken en -trossen.

Intussen heb je volop zich op twee sterk uiteenlopend bouwwerken: een hoog oprijzend rechttoe-rechtaan bouwblok en de slanke torenspits van de vroegere Sint-Augustinuskerk.

GEWEZEN ADMINISTRATIEF CENTRUM EN POLITIETOREN
Oudaan 15.
Eigenlijk is deze toren het restant van een mislukt project, hoewel hij zelf volledig voltooid is. Dat zat zo: in 1949 stelt burgemeester Lode Craeybeckx een driejarenplan op voor openbare werken als aanzet voor de heropleving van Antwerpen na de Tweede Wereldoorlog. Een van die grote bouwprojecten is een administratief centrum waarin alle ambtenaren van de stad gehuisvest zullen worden. Want op dat moment zijn allerlei stadsdiensten heel verspreid op allerhande adressen gevestigd, zodat bewoners nogal eens van de ene straat naar de andere worden gestuurd als ze iets van het stadsbestuur nodig hebben. Interne efficiëntie in combinatie met betere bereikbaarheid wordt het doel van een nieuwbouw. Die zal komen op het terrein tussen de Oudaan en de Everdijstraat, waar voorheen sinds 1840 onder de naam Cité een overdekte vleesmarkt met nog enkele andere winkels actief was geweest. Omdat het stadsbestuur al eigenaar van het terrein was, hoefde er amper iets onteigend te worden, dus het bouwen zou vlot kunnen starten.
De keuze van de architect valt op twee jonge docenten Stedebouw Renaat Braam en Maxime Wijnants.
Renaat Braem heeft internationale ervaring, met name een stage bij de Frans-Zwitserse architect Charles–Edouard Jeanneret-Gris, algemeen bekend als Le Corbusier, de achternaam van zijn vrouw. Le Corbusier is een van de drijvende krachten achter de grote internationale architectuurgroep Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM)
Braem publiceert in 1968 zijn ophef makende boek ‘Het lelijkste land ter wereld’ over het gebrek aan stedenbouwkunde in België.
e architecten leggen in september 1950 een voorstel voor aan het stadsbestuur, maar allerlei stadsdiensten verzetten zich, waardoor pas in 1957 de definitieve versie van het bouwplan op papier staat. Het hele gebouw zou bestaan uit twee torens, één hoge van zestien verdiepingen aan de Lombardenstraat en een lagere bij de Korte Gasthuisstraat. Beide torens verbonden door een laagbouw van vier verdiepingen. Omdat door het uitstel een toelage van het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw wegvalt, moet het stadsbestuur zelf het eerste torengebouw financieren. Daarom wordt het ontwerp afgeslankt en vindt de eerste steenlegging op 9 oktober 1958 plaats. De ruwbouw van de huidige toren is eind juli 1960 af, maar dan wordt de werf vier jaar stilgelegd. Bij de hervatting in november 1964 blijkt de constructie al enige schade te hebben geleden, waardoor herstel nodig is met extra kosten. Najaar 1966 wordt de eerste toren voltooid en meteen in gebruik genomen door het stedelijk politiekorps, de 76 meter hoge Politietoren is daarmee een feit. Intussen hebben de architecten al in maart 1961 hub plannen voor de rest van het Administratief Centrum voorgelegd aan het stadsbestuur. Maar dat richt nog een commissie op die de huisvestingsnoden van de diverse stadsdiensten in kaart moet brengen. Wat blijkt? Door de groei van het ambtelijk apparaat heeft het stadsbestuur al afgezien van de beoogde concentratie op één locatie. Bovendien hebben veel stadsdiensten intussen al zelf nieuwe locaties gevonden, onder meer aan de beter voor auto’s bereikbare Desguinlei nabij de Grote Ring. En gezien een kantorencomplex door het toegenomen verkeer in de binnenstad niet meer opportuun wordt geacht, wordt het hele project definitief afgevoerd.
Bouwpromotor Marc Peeters krijgt dan toelating voor de aanleg van een ondergrondse parking en een winkelcentrum met studios op het niet meer gebruikte terrein en dat wordt dus de Bijenkorf, zoals de laagbouw langs de Everdijstraat tegenwoordig wel wordt aangeduid. Maar door het ontbreken van een supermarkt die volk trekt, is ook dat amper geslaagd. Met name het binnengebied maakt een lege indruk met amper passage en weinig winkels. En wanneer recent ook de stedelijke politie naar een ander onderkomen is verhuisd, wacht deze toren op een nieuwe invulling, waarover wordt onderhandeld.

Intussn passeer je rechts de
LOMBARDENSTRAAT
Geen spontaan ontstane straat, maar door een 16de-eeuwse projectontwikkelaar in 1546 getrokken op gronden van ‘De Oude Lombaerd’. Over Gilbert Van Schoonbeke, die projectontwikkelaar, kan een heel boek geschreven worden. En dat is dan ook gebeurd, zelfs diverse boeken. Als hij deze straat laat aanleggen is hij nog bescheiden bezig met het opkopen van afzonderlijke gebouwen en gronden om daar straten over te trekken. Maar niet veel later legt Gilbert hele pleinen aan met daarrond gebouwen en laat hij drie vlieten uitgraven haaks op de Schelde als oplossing voor een tekort aan ankerplaatsen langs de Scheldekaaien. Hij bouwt ook een gedeelte van de Antwerpse vestingwallen, de zogeheten Spaanse Vesten, waar in een halve cirkel van leien over die oude stadsgrachten loopt: Amerikalei, Frankrijklei, Italiëlei. En hij richt nabij zijn vlieten een hele reeks brouwerijen op met een apart Waterhuis om hen via pijpleidingen van goed brouwwater te voorzien. Bij al die bouwprojecten gebruik Van Schoonbeke eigen kalk- en steenovens, die gestookt worden met turf die hij helemaal uit Nederland laat aanvoeren van de plek waar je vandaag dankzij Gilbert de stad Veenendaal aantreft in de provincie Utrecht. Archeologisch onderzoeheeft bovendien aangetoond dat de Lombardenstraat aanvankelijk eerder smalletjes was, want bij heraanleg bleken zich onder de rijweg fundamenten van huizen te bevinden.
Lombarden
Hoe zit het met die Lombarden? Het gaat om Italianen uit Lombardije en vaker nog uit Piëmonte, die dankzij de financiële kennis uit hun vaderland weten hoe internationale geldzaken geregeld kunnen worden. Naast betalingen over grote afstanden zijn ook transacties in verschillende munten belangrijk. Aanvankelijk duiken die Lombarden op bij de jaarmarkten van de Franse Champagnestreek, waar veel wol en de daamee gemaakte lakense producten worden verhandeld. Ze zetten dan hun kramen op, waar op een tafel een weegschaal en zakken munten de attributen vormen. Het Italiaanse woord ‘banca’ voor zo’n tafel wordt later een algemene term als het gaat om instellingen met geld als handelsactiviteit, banken dus.

Steek de Lombardenstraat over naar het andere delel van de Everdijstraat

SACRISTIE SINT-AUGUSTINUSKERK
Everdijstraat.
Je staat hier voor de ingang van de sacristie van een kerk die zijn grote ingang aan de Kammenstraat heeft. Doordat die straat de Everdijstraat schuin snijdt is het gevolg dat alle huizen die hier aan de linkerzijde van de Everdijstraat staan – de pare nummers – steeds minder diep worden totdat de kerk hier zelf aan de straat paalt. In de kerk zelf zie je deze sacristie niet, want die ligt achter het kerkkoor. Je ziet ook een oprit naar de andere kant van het gebouw lopen, waar thans een eigentijdse ‘artiesteningang’ is gemaakt. Er worden geen kerkdiensten meer gehouden, het gebouw is nu het Augustijner Muziekcentrum (AMUZ).
D.O.M. B. VIRGINI MATRI ET PATRI AVGVSTINO SACRVM lees je boven deze toegangsdeur. De eerste drie letters staan voor Deo Optimo Maximum – Aan de Opperste God. B(earus) Virgini Matri – Gelukzalige Moeder Maagd (Maria) en Patri Avgystino Sacrum – Heilige Vader Augustinus. Sommige mensen hebben een wat kortere naam op hun deur staan, maar je weet hier tenminste waar je binnenstapt.

Ja, waar stap je eigenlijk binnen? In een kloosterkerk, hier gebouwd tussen 1615 en 1618 als deel van het grote augustijnen-observantenklooster, goeddeels betaald door ons toenmalige vorstenpaar Albrecht en Isabella. Architect Wenceslas Coeberger zou later voor datzelfde echtpaar nog de basiliek van Scherpenheuvel bouwen, het bekendste bedevaartoord van Vlaanderen.

Die augustijnen beperkten zich niet tot een klooster en een kerk, er was ook een school waar deze orde leerlingen van de betere burgerij een middelbare opleiding gaf. De woorden onderwijs en Augustijnen zijn vaak met elkaar verbonden, Augustinus van Hippo (354-430) is een van de westerse kerkvaders, personen die veel hebben bijgedragen aan de geloofsleer van de katholieke Kerk, hoe de houding als gelovige tegenover allerlei ideeën, gebeurtenissen en gebruiken dient te zijn . We komen later tijdens de wandeling nog op deze kerk terug.

Wandel verder door de Everdijstraat, we kijken links en rechts.

GREGORIUS – AUGUSTINUS-HIËRONYMUS
Everdijstraat 12-10.
Drie huizen, allemaal een heiligennaam dragend, voorafgegaan door een H. of een S. om hun status voor iedereen duidelijk te maken. Gregorius en Augustinus waren oorspronkelijk twee aparte panden, behorend bij de Sint-Augustinuskerk en via hun namen verwijzend naar kerkvaders. Hiëronymus dateert van 1582, maar is in 1924-’25 gerestaureerd door de architecten Vincent Cols en Jules De Roeck. Reeds in 1916 laat de kerkfabriek een restauratie-ontwerp opmaken door architect Jan De Vroey voor alle drie de panden. Maar het is dan nog volop Eerste Wereldoorlog en daardoor volgt uitstel.
In 1928 mag het duo Cols-De Roeck nog eens aan de slag voor de Sinten Gregorius en Augustinus, maar die huizen blijken inmiddels zo bouwvallig dat er niets anders opzit dan ze te slopen. Maar meteen daarna zijn ze helemaal opnieuw opgebouwd, een werk dat al in 1929 gereed komt. Die herbouw is niet slinks gebeurd, maar met goedkeuring van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Daarbij wordt teruggegrepen naar het eerdere ontwerp van Jan De Vroey. Maar deze ‘oude’ gevels dateren dus uit de 20ste eeuw.
In Everdijstraat 12 was enige tijd het Vredescentrum van de Provincie en Stad Antwerpen gevestigd. Dat houdt zich bezig met projecten voor scholen en organisaties rond vredesopvoeding en herinneringseducatie, twee monden vol dus. Een nevenactiviteit was het verzamelen van informatie over de inslagen van V1 en V2’s op Antwerps grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. De eerste waren vliegende bommen met een afgesteld motor die moest blijven draaien tot het doelwit was bereikt en dan stilviel, waardoor de bom op het doelwit terecht kwam. Veel V1’s zijn door de luchtverdediging in de vlucht onschadelijk gemaakt, maar er zijn niettemin heel wat inslagen in Antwerpen en omgeving geweest. Een V2 was een echte raket die gelanceerd werd en dan met een grote boog een doelwit moest treffen. Nabij het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten is de eerste V2 in Antwerpen op 13 oktober 1944 ingeslagen op een gebouw op de hoek van de Schildersstraat en de Leopold De Waelplaats om kwart voor 10 ‘s morgens. Daarbij zijn 12 doden en 46 gewonden gevallen, naast een enorme ravage. De raket was afgeschoten vanuit Nederland, dat in tegenstelling tot België toen nog maar gedeeltelijk bevrijd was. Doel van al die V1 en V2’s was de haven van Antwerpen om het aanleggen van schepen met Amerikaanse soldaten en materieel te verhinderen.

DE STAD DUINKERKE
Everdijstraat 13.
Wie wat hogerop naar deze gevel kijkt, ziet een hardstenen plaat waarop je leest “In dit huis woonde Adriaan DE BROUWER Kunstschilder 1606-1638 bij PAUWEL DU PONT Plaatsniijder 1603-1658”. Wie zijn dat?
Du Pont, ook wel Pontius genoemd in de 17de eeuw, was een etser. Geboren in Antwerpen op 27 mei 1603 begint hij op zijn dertiende eerst schilderlessen te volgen, om vrij snel van idee te veranderen en over te stappen op etsen. Als leermeester had hij meteen de beste in dat vak, Lucas Vorsterman, de etser van Pieter Paul Rubens. Vorsterman was al op zijn 21ste bij Rubens aan de slag, aanvankelijk tot grote tevredenheid van de schilder, die dacht de jongeman naar zijn hand te kunnen zetten. Dat liep anders af, want als Rubens rond 1620 een soort copyright krijgt op reproductie, dus het afdrukken van zijn etsen, is Vorsterman het daar niet helemaal mee eens. Hij vindt dat de graveur in feite de ets realiseert, terwijl Rubens juist van mening is dat de ontwerper – hijzelf dus – het belangrijkste werk verricht en dus de grootste vergoeding toe komt. Het geschil tussen beiden loopt hoog op en er schijnt zelfs een handgemeen of aanval van Lucas op zijn opdrachtgever te zijn voor gevallen. In elk geval vertrekt Vorsterman in 1624 naar Engeland, waardoor Pauwel du Pont diens plaats kan innemen. Zijn relatie met Rubens is zo goed, dat Pauwel bij hem inwoont tot 1631. Intussen is hij in 1627 ook opgenomen in het Sint-Lucasgilde als kopersnijder en in 1634 treedt hij ook toe tot de rederijkerskamer De Violieren. In 1638 wordt hij eigenaar van de gebouwen van de oude brouwerij De Lelie hier in de Everdijstraat.
Pauwel vertrekt ook enkele jaren uit Antwerpen, maar keert in 1640 terug naar hier. En dan laat hij de oude brouwerijgebouwen slopen om hier in 1641 ‘De Stad Duinkerke’ neer te laten zetten, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen.
Pontius heeft niet enkel voor Rubens gegraveerd, maar ook voor Antoon van Dyck, Jacob Jordaens, Gaspar De Craeyer (de ‘Rubens’ voor wie de grote meester niet kon betalen, dus veel werken voor kleinere kerken), Titiaan en Diego Velazquez, kortom een lijstje dat het goed doet op je curriculum vitae. Maar wellicht was die grote bedrijvigheid voor Pauwel wel een noodzaak. De man is driemaal getrouwd geweest en hield daar drie zonen en vier dochters aan over. Jawel, 55 jaar lang een rijk gevuld leven dat eindigt op 16 januari 1658.

Adriaan (De) Brouwer is in 1606 geboren als zoon van een Oudenaardse tapijtontwerper en komt dus meteen in een kunstzinnig milieu terecht. Maar reeds in zijn jeugdjaren begint de beroemde Oudenaardse wandtapijtproductie te tanen. De familie besluit naar het Nederlandse Gouda te vertrekken, waar Adriaans vader opnieuw aan de slag kan in de tapijtnijverheid. Brouwers zoon legt contacten in het nabije Haarlem en is in de leer geweest bij Frans Hals, zelf een schilder met Antwerpse roots. Hals maakt een beetje misbruik van Adriaans talent, door hem doeken te laten schilderen die Frans zelf signeert en verkoopt als eigen werk. Brouwer wordt er dus niet rijk van. Hij vertrekt dan ook in 1626 naar Amsterdam, waar hij inwoont en werkt bij de Vlaamse schilder-herbergier Barend Van Someren.
Maar al na enige jaren keert Brouwer terug naar het zuiden, eerst naar zijn geboortestad Oudenaarde, waar hij in 1630 de Schepenzaal (nu Trouwzaal) van het monumentale stadhuis decoreert met ‘De Vijf Zinnen’. Het jaar daarop gaat hij naar Antwerpen, waar hij uitgebreide kroegentochten onderneemt en staat ingeschreven bij het Sint-Lucasgilde van de schilders. Maar na een korte reis naar Haarlem wordt Brouwer bij zijn terugkeer in 1633 plots gevangen genomen en opgesloten in Het Steen, mogelijk wegens belastingschulden. Ook bakker Joos van Craesbeeck, die brood levert aan de gevangenis, leert hij met penselen omgaan.
Nadat Adriaan door bemiddeling van Rubens weer op vrije voeten is gesteld, gaat hij in het huis van Van Craesbeeck aan de Kloosterstraat wonen. Joost krijgt de smaak van het schilderen zodanig te pakken, dat hij zijn ovens dooft en verder met enig succes als schilder de kost zal verdienen.
Brouwer wordt lid van de Antwerpse rederijkerskamer ‘De Violieren(, die vandaag nog een lokaal heeft aan de Sint-Nicolaasplaats. Bekende Brouwer-werkken als ‘De Kaartspelers’, ‘De Drinkebroers’ en ‘Her Herberginterieur’ stammen uit die periode.
Mocht je de indruk hebben dat de carrière van Adriaan amper van de grond komt, niets is minder waar. Rubens behoort tot zijn fans en klantenkring en koopt zo’n 17 schilderijen van Adriaan. Ook Antoon Van Dijck knoopt banden aan met Brouwer en schildert diens portret. In het noorden bezit Rembrandt van Rijn zes ‘brouwerkens’, zoals zijn werken op tamelijk klein formaat werden aangeduid. En hij koopt later ook Brouwers schetsboek. Maar amper 33 jaar sterft Adriaan in Antwerpen begin 1638 aan de pest en wordt op 1 februari van dat jaar in de Karmelietenkerk aan de Wapper begraven.
Maar hoe zit het nu met dat wonen van Adriaan Brouwer bij Pauwel du Pont in de Everdijstraat? Dat heeft merkwaardig genoeg nooit plaatsgevonden en was ook onmogelijk omdat ‘De Stad Duinkerke’ pas drie jaar na Adriaans dood gebouwd is.
Natuurlijk heeft ook Pauwel Du Pont deze gevel nooit gezien, want die dateert uit de vroege 19de eeuw, wellicht met een oudere kern. Midden van die eeuw is hier Maison Segers & Van Thielen gevestigd en Stan Segers laat in 1871 het venster boven de deur verlagen tot deurvenster en intussen alweer verwijderde uitspringende gietijzeren daklijsten en een balkonborstwering aanbrengen. Veel later, in de tweede helft van de 20ste eeuw, is hier klasse-restaurant Manoir met op de verdieping een Vlaamse eerkamer met kunstig houtwerk. Die kamer is na de sluiting van het restaurant aanwezig gebleven.

LIVING STONE ART
Everdijstraat 11.
Dit huis spring vooruit in deze straat om dan aan te sluiten bij nr.13. Beide panden hebben een oudere kern, die dateert van voor de straatverbreding in 1 921. Het gelijkvloers is ingenomen door kunstgalerij ‘Living Stone Art’ met zoals de naam al laat vermoeden beeldhouwwerk. Hier uitsluitend werk van Afrikaanse kunstenaars uit Zimbabwe dat recent isgemaakt. Het is niet zo’n diep huis omdat een deel van de woning van de buurman op nr.13 achter deze woning doorloopt.

Keer je om voor een doorgang.
HUIS MET POORTDOORGANG
Everdijstraat 8.
Op de hoek van de Everdijstraat met de Kammenstraat stond ooit brouwerij De Ketel. Wanneer die leeg komt te staan rond 1607 vinden de in dat jaar naar Antwerpen gekomren augustijner paters daar onderdak. Maar al snel starten ze met de bouw van een eigen klooster en een bijbehorende school voor lessen in de ‘humaniteit’ en uiteraard godsdienstonderricht. Ze zullen tot 1676 blijven bouwen aan een complex dat zich uitstrekt tussen de Everdijstraat, Kammenstraat en Oudaan. Daar rest vandaag vrijwel enkel de kerk nog van, school en klooster zijn in de eerste helft van de 19de eeuw gesloopt, met uitzondering van één detail, de kloosetrpoort die vandaag in Everdijstraat 8 is opgenomen. Oorsponkelijk deel van een 17de-eeuws huis, maar sindddien regelmatig verbouwd, waardoor de gevel in niets meer lijkt op een trapgevel.
Achter die merkwaardige poort ligt een hellende doorgang naar de vroegere augustijner kloosterkerk, vandaag muziekcentrum Amuz. Op die poort zie je het jaartal 1610 staan op de makelaar – de lat tussen beide poorthelften. Je ziet er ook een Christusbeeldje en siermotieven op. Bovenaan in steen gebeitelde engelen die er wat nieuwer uitzien. Mara dat komt doordat de eigenaar van huis nr.8 bij de restauratie van zijn woning ook die poortdoorgang mee heeft laten schoonmaker. Dat mocht wel niet, want de poort is een beschermd monument waardoor zo’n ingreep aangevraagd had moeten worden aan een monumentencommissie. “Tja, die Polen hadden dat al gedaan voor ik het zag”, was het excuus van de eigenaar.

Keer je opnieuw om naar de rechterzijde, waarbij ook al een deel van de Kammenstraat (rechtsaf) betrokken wordt.
SOCIALE APPARTEMENTEN WOONHAVEN
Everdijstraat 1-3-5 en Kammenstraat 57-59-61-63-65.
Voor de Eerste Wereldoorlog staan er op deze plek een tiental rijhuizen in verschillende uitvoeringen. Wanneer in de Eerste Wereldoorlog de Duitsers oprukken tot voor Antwerpen stellen ze een ultimatum om de stad over te geven. Aanvankelijk weigert het stadsbestuur daarop in te gaan. Van 7 tot 9 oktober 1914 volgen er daarom vreselijke Duitse beschietingen. Daarbij worden evenwel grote kerken, stadhuizen en andere opmerkelijke gebouwen ontzien. Want biju hun inname van Leuven hadden de Duitsers het rectoraat van de universiteit geraakt, waarbij de bibliotheek met kostbare incunabelen – ingebonden boeken uit het begin van de drukkunst – verloren waren gegaan. Intellectuelen spraken wereldwijd over die barbaarse Duitsers, die onvervangbaar cultuurgoed vernietigden. Keizer Wilhelm wilde herhaling voorkomen en gebood zijn generaals voortaan monumenten te sparen, zodat gewone woonhuizen nu het doelwit werden. Daarbij zijn hier die rijhuizen totaal verwoest, alleen fundamenten en tegels van de kelders zitten nog onder de binnenplaats en de tuin.
Na W.O. I wordt de Samenwerkende Maatschappij Le Foyer Bourgois opgericht, die het hele terrein aankoopt. Dit privé-initiatief wil hier een woon- en handelscomplex bouwen en neemt daartoe architect Daniel Rosseels in de arm. Die komt op 15 januari 1921 met een eerste ontwerp, waarbij de buitengevel in een soort art-nouveaustijl is gedacht, met op de afgeronde hoek ornamenten en ook pintgevels. Voor Rosseels echter met de bouw kan starten overlijdt hij plots op 7 januari 1923, 41 jaar oud.
Rosseels wordt opgevolgd door architect Jean-Laurent Hasse, die zal samenwerken met het Bureau Technique du Batiment Teknon. Hij behoudt het idee van vier winkels met woongelegenheid, drieënveertig huurappartementen en een conciërgewoning onder de poort in twee aaneengesloten blokken in U-vorm rond een binnenplaats. Aanvankelijk lag het in de bedoeling om uit te breiden op aanpalende percelen in de Everdijstraat, maar dat is er nooit van gekomen. Jean-Laurent heeft intussen dr buitengevel aangepast aan een nieuwe bouwstijl, art deco met imitatie natuursteengroeven. In 1925 is het gebouw gereed voor bewoning.
IBegin jaren 1980 koopt sociale huisvestingsmaatschappij De Goede Woning het gebouw. Bij een grondige renovatie wordt de indeling van alle appartementen gewijzigd. Daarbij is het een belangrijk voordeel dat het gebouw een zelfdragende structuur van betonnen kolommen en horizontale balken heeft, waardoor interne ingrepen mogelijk zijn zonder de buitengevels te veranderen. Doordat drie woonblokken hun voordeur op of nabij een binnenplaats hebben, is er ook contact tussen de bewoners. Dat missen beide appartementsgroepe,n aan de Kammenstraat, wier ingangen rechtstreeks op die straat uitgeven.

De naam Everdijstraat zal weinigen iets zeggen, hoewel die naaml reeds vanaf 1282 meegaat. Het is de eigennaam van Everdeius van Lillo, die hier nooit zelf heeft gewoond, maar hier wel een tuin had buiten de wallen van de eerste stadsvergroting, waarbij de muur nog aan de binnenzijde van de Lombaardvest stond en hier dus velden en tuinen. Everdeius wa tussen 1268 en 1290 schout van Antwerpen en was ook hoofdman van de Jonge Vietboog, een schuttersgilde dat mee instond voor de verdediging van de stad. Hij heeft ook nog meegevochten in de beroemde Slag bij Woeringen, die beslist over het Limburg – niet de huidige provincies Nederlands en Belgisch Limburg, maar een hertogdom in het huidige Wallonië met Limbourg als hoofdplaats op een hoge heuvel. Hertog Jan van Brabant wil voorkomen dat dit hertogdom in handen van de Gelderse graven valt en dat lukt. Vandaag is Worringen een noordelijk stadsdeel van Keulen.

Hoog tijd om rechts de hoek om te gaan en zo in de Kammenstraat te belanden.
Verwacht geen kappers in de Kammenstraat, de naam heeft niets te maken met haarkammen. Een kamme was een brouwerij en die zaten er een aantal in deze buurt, want er was zuiver water. Niet uit de Schelde, uit dat water kan je geen bier brouwen, het is teveel met zeewater vermengd en er is eeuwenlang veel afvalwater in geloosd. Midden 16de eeuw verplaatst die brouwersactiviteit zich naar het noorden van het centrum, waar ondernemer Gilbert Van Schoonbeke het Brouwershuis opricht van waaruit die brouwerijen zuiver water krijgen aangevoerd via buizen. Vandaag zul je hier amper een café bespeuren, want het is een winkelstraat geworden met aanvankelijk op maat gemaakte meubels voor binnenhuisinrichting, maar intussen ligt de nadruk op kleding voor de jongere vrouw én man.
Aanvankelijk is deze straat een flink stuk langer. Hij loopt vanaf de Hoogstraat – nabij de Grote Markt – helemaal via de in 1520 gesloopte Cammerpoort met een brug over de daarachter lopende gracht en zo tot een stukje verder dan waar je nu staat. Pas rond 1890 wordt het deel tussen de Hoogstraat en de Groenkerkhofstraat officieel Oude Koornmarkt genoemd, wat de straatlengte omzeggend halveert.

WITZUSTERKLOOSTER – Sint-Egidiusvereniging
Kammenstraat 51.
Op een opvallende poort met calvarie luisteren Johannes en Maria  toe hoe Maria-Magdalena haar orgieën in de mega-dancing opbiecht. Bij de witzusters hier was zij welkom. Broeder Geeraert – binnen de kloostermuren Geroldus genoemd – sticht hier in 1312 een huis om zondaressen een heropvoeding tot goede en godvruchtige vrouwen te bezorgen. Geen min programma. Hij weet er de witzusters voor te spannen, evenals hertog Jan II van Brabant. Deze laatste hoeft zich niet persoonlijk met die vrouwen in te laten, hij moet enkel maar toestaan, dat er in het hele hertogdom gebedeld mag worden voor het goede doel. En … dat niemand een hier gevluchte vrouw onderdak mag verschaffen of er omgang mee mag hebben, op straffe van gevangenis. Dat doet denken aan tegenwoordige sekten, intreden kan probleemloos, weer buitenraken is een andere zaak. Dat dergelijke dames niet in een handomdraai in zedige kwezels te veranderen zijn, blijkt uit het afzetten in 1527 van moeder-overste en het paal en perk stellen aan het onderlinge gekrakeel van de zusters, die elkaar verwijten over hun vroegere beroepsbezigheden naar het hoofd slingeren. Wie zich het middeleeuwse mirakelspel Marieken van Nieumeghen, herinnert, weet de hoofdpersoon na haar zeven zondige Antwerpse jaren uiteindelijk ook boete moet doen in het witzustersklooster van Maastricht.
Thans huist in deze kapel de Sint-Egidiusvereniging, die gratis maaltijden verschaft aan wie in deze kapitalistische Internet-tijden uit de boot valt. Wie rond etenstijd aan hun achterpoort in de Lombardenstraat gaat kijken, stelt vast dat het om tientallen mannen en vrouwen gaat.
Loop gerust even deze poort binnen om hem helemaal achteraan op een bank te zien liggen:
HOMELESS JESUS

Sla linksaf de IJzerenwaag in.

Overigens ontlenen nabije zijstraten van de Kammenstraat, met name de Sleutelstraat en de Zwaardstraat (nu enkel vanuit de Nationalestraat toegankelijk) ook hun naam aan de brouwerijen.