Charlier Guillaume

Deze Bollebooswichtpagina is gekoppeld aan de Stapperloot-route Doornik
Wandel deze route met je smartphone.

GUILLAUME CHARLIER
°  Elsene, 2 augustus 1854.
† Sint-Joost-ten-Node, 15 februari 1925.

Wanneer Guillaume op 2 augustus 1854 in de Brusselse randgemeente Elsene ter wereld komt, is hij de eerstgeborene van wat zal uitgroeien tot een kinderrijk gezin uit de arbeidersklasse. Maar hij is nog maar 15 jaar wanneer zijn vader in 1870 overlijdt, terwijl ook zijn moeder reeds gestorven is. Dat noodzaakt Guillaume Charlier bij verschillende kunstenaars te gaan werken om te overleven en zijn studies aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten te kunnen betalen. Hij komt terecht in het atelier van Guillaume Geefs, de vroegere hofbeeldhouwer van koning Leopold I, en hij werkt bij Guillaume De Groot, in die dagen meewerkend aan het beeldhouwwerk van de Brusselse beurs. Aan de academie krijgt Charlier les van Eugène Simonis, zelf een tijdlang directeur van die Brusselse kunstopleiding.

In 1879 wordt Charliers gipsen kunstwerk Le Déluge (De Zondvloed) gekocht door Henri Van Cutsem, een rijke kunstliefhebber. Dankzij hem kan Guillaume zich van 1880 tot 1882 in Parijs aan de École des Beaux-Arts gaan vervolmaken. Hoewel Guillaume zich dankzij de permanente steun van Van Cutsem het comfort van een burgerman kan veroorloven, blijft hij zich zijn bescheiden afkomst herinneren en een warme sympathie voelen voor arbeiders en vissers, een klasse die andere kunstenaars in die dagen pas gaan ontdekken vanuit een positie als buitenstaander.

Op 6 september 1882 behaalt Charlier de Prijs van Rome voor zijn reliëf De afgevaardigden van de Senaat voor Cinna. Die prijs houdt in dat Charlier naar Italië dient te gaan en aldaar reglementair twee werken moet maken. Hij stuurt eerst Daphnis op, maar het blijkt dat hem de beeldhouwkunst van de Italiaanse renaissance niet echt ligt, Guillaume haalt meer inspiratie uit het bekijken van de mensen in de straat. Als er een cholera-epidemie uitbreekt, verlaat hij Italië om naar Parijs terug te keren. Daar gaat hij tussen 1884 en 1886 in het atelier van Jules Cavelier nog wat opsteken en maakt hij zijn tweede werk, De zaaier van het kwaad, onderscheiden op het Salon in 1885 en thans in het Doornikse Museé des Beaux-Arts.

Terug in België legt Guillaume zich toe op het thema van de arme moeder die zich zorgen maakt over haar kinderen, Armoede wiegt haar kind (1887), Inquiétude maternelle (Moederangst-1888) zijn daarvan voorbeelden. Voor het vervaardigen van diverse werken uit deze reeks doet hij een beroep op zijn broer Pierre. Daarnaast heeft Charlier oog voor het nieuwe moderne thema ‘arbeid’, dat de beelden De Kolendraagster en De Molenaar voor het hek van de Kleine Zavel oplevert.

‘s Zomers brengt hij vaak dagen door in Blankenberge met een vriendenkring van schilders als Theodoor Verstraete, André Collin, Auguste Oleffe en Guillaume-Séraphin van Strydonck in de villa Quisiana bij Van Cutsem. Wanneer zij binnenshuis discussiëren, begeeft hij zich op de pier of op de dijk om zijn indrukken over het werk van de vissers en over de mensen die hen omringen te noteren. Als schilder Theodoor Verstraete overlijdt, vraagt Van Cutsem hem voor een grafdecoratie te zorgen. Charlier ontwerpt een bronzen boeket met een rouwkrans waarop een palmtak, een schilderspalet en penselen zijn aangebracht, plus een rouwlint met tekst. Het komt op het graf van Verstraete op de Antwerpse Kielbegraafplaats, maar wordt na het opheffen daarvan overgebracht naar het Schoonselhof in district Wilrijk.

Charlier heeft tijdens zijn carrière ook veel marmeren bustes gemaakt, o.a. van Brussels burgemeester Jules Anspach, Henri en Charles Maus, respectievelijk directeur-generaal van Bruggen, Wegen en Mijnen en raadsman bij het Hof van Beroep. Charles is ook de vader van Octave Maus, de kunstmecenas die medeoprichter werd van de Brusselse kunstenaarsgroep Les XX (Les Vingt). Charlier maakte ook borstbeelden van   mevrouw Adolphe Van Cutsem, Henri Van Cutsem, Jean Rousseau en de Nederlandse schilder Taco Mesdag. Het bronzen portret van de schilder Léonce Legendre is een hoogtepunt in dit genre. Charlier wordt lid van de Société Nationale des Beaux-Arts en vervangt Jef  Lambeaux na diens ontslag in 1884 bij de kunstenaarsgroep Les XX.

In 1906 maakt Guillaume Charlier Les Aveugles (De Blinden), dat zich op het Place Paul-Emile Janson terzijde van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Doornik bevindt. De vijf personages heeft Charlier in Marokko gezien tijdens een reis. Natuurlijk wordt graag verwezen naar de schilder Pieter Breugel de Oude en Rodins Burgers van Calais.

En dan zijn de opdrachten voor monumenten van bekende personen en helden. Nabij het station van Doornik staat het Monument Jules Bara (1902), een politicus die een voetstuk krijgt van Victor Horta. Terzijde van het Doornikse stadspark staat het Monument Louis Gallait (1891), een toenmaals beroemd schilder, opnieuw op een voetstuk van Horta. In Blankenberge brengt het Monument Sergeant De Bruyne en Luitenant Lippens (1899), een hulde aan twee Belgische militairen die in Congo vermoord zijn.

Wanneer Van Cutsems vrouw Laure en hun zoontje vroegtijdig overlijden, vraagt Henri aan Charlier in 1894 om bij hem te komen wonen in het grote pand aan de Brusselse Kunstlaan dat hij van zijn moeder heeft geërfd. Als Guillaume wat later trouwt, komt ook zijn echtgenote in het huis wonen en zij zal actief deelnemen aan de artistieke samenkomsten aldaar. Het drietal brengt de vakanties door in de villa aan de Zeedijk van Blankenberge, wat leidt tot een vriendschap met burgemeester Arthur Pauwels en heel wat opdrachten aan Charlier voor beeldhouwwerken in die stad. Naast het al genoemd monument voor De Bruyne en Lippens staan in die kuststad kleinere werken als de kop van een visser, een visser met zuidwester en Sterken Dries, een hulde aan de zeelieden, maar bij de bevolking bekend als het Vissersmonument en  geïnspireerd op Andries Jurewyt, een bekend Blankenbergs visser die tussen 1818 en 1896 daar heeft geleefd. Op het Blankenbergse kerkhof staat Charliers grotere werk Moedersmart, hier bedoeld als monument voor de oorlog 1914-’18. Een groot vissersmonument met vier reliëfs die het Vertrek, de Open Zee, Terugkeer met de Vangst en de Vismarkt moesten verbeelden zijn in de wassen fase blijven steken. Daarvan wordt de Terugkeer met de Vangst thans bewaard in het Jane Voorhees Zimmerli Art Museum aan de Rutgers University in het Amerikaanse New Jersey.

Henri Van Cutsem wil zijn uitgebreide kunstcollectie graag na zijn dood bijeen zien blijven en biedt deze daarom aan de Belgische Staat aan. Maar die blijkt niet geïnteresseerd in het geheel, men wil enkel een aantal werken eruit kiezen. “Als het zo zit, dan maar niet”, besluit Van Cutsem en wanneer hij merkt dat de Waalse stad Doornik nog geen eigen kunstenmuseum bezit, biedt hij zijn verzameling aan dat stadsbestuur aan met de belofte ook nog voor onderdak te zorgen, dus voor een geheel nieuw museumgebouw.

Als Henri Van Cutsem op 13 september 1904 op zijn domein in Ochamps overlijdt aan een longaandoening, erft Guillaume Charlier zowel zijn Brusselse huis, als de Blankenbergse villa en ook de kunstcollectie. Voor deze laatste wordt hij de uitvoerder van Van Cutsems testament, wat dus de bouw van een museum in Doornik inhoudt. Daartoe neemt Charlier de hem intussen goed bekende Victor Horta in de arm, die een gebouw ontwerpt waarvan alle zalen worden voorzien van daglicht van bovenuit en dat aan de Rue de l’Enclos Saint-Martin 1 zal verrijzen, maar dat zal flink wat meer tijd vergen dan verwacht.

Intussen legt Guillaume Charlier ook een eigen kunstcollectie aan, die hij bij zijn overlijden op 15 februari 1925 aan de gemeente Sint-Joost-ten-Node legateert, samen met zijn huis. In 1928 is het dan op twee plaatsen feest: in Doornik kan op 17 juni eindelijk het Musée des Beaux-Arts zijn deuren openen onder een groot bronzen beeldhouwwerk van Charlier dat het museum bekroont met als titel De Waarheid als inspiratiebron van de Kunsten. En in Sint-Joost-ten-Node opent op 21 oktober het Charlier Museum aan de Kunstlaan 16 voor het publiek. Hoewel Charlier tijdens zijn leven een voorname rol in het artistieke gebeuren van België speelt, wordt zijn bekendheid na zijn dood overschaduwd door collega-beeldhouwer Constantin Meunier.

Oeuvre (onvolledig):
1879  Le Déluge / De Zondvloed, gips.
1880  De Kolendraagster, brons.
           Hekwerk Kleine Zavel, Brussel.
1880  De Molenaar, brons.
            Hekwerk Kleine Zavel, Brussel.
1882   De afgevaardigden van de Senaat voor Cinna, reliëf.
1887   Armoede wiegt haar kind.
1888  Inquiétude maternelle (Moederangst).
           Musée des Beaux-Arts, Rue de l’Enclos Saint-Martin 1, Doornik.
1891  Monument Louis Gallait, brons met vier reliëfs en stenen voetstuk van Victor Horta.
           Square Paul Bonduelle, Doornik.
1895   Vissershoofd, brons.
            Langestraat, Blankenberge.
1896  Adolphe Delmée.
           Parc communal (stadspark), Doornik.
1899  Monument De Bruyne & Lippens, brons en steen met drie halfreliëfs.
            Zeedijk z/n, Blankenberge (tegenover casino en bij King Beach).
1899  Moedersmart, oorlogsmonument 1914-’18, bronzen groep.
           Stedelijke begraafplaats, Scharebrugstraat, Blankenberge (geplaatst 1920).
1900 De stuurman Sterken Dries (Zeeliedenmonument), brons.
           (Afgietsel uit 1960 van oorspronkelijk plaasteren model uit 1900).
           Zeedijk aan Oosterstaketsel, Blankenberge.
1900  De Loods.
           Charlier Museum, Kunstlaan 16, Brussel-Sint-Joost-ten-Node.
1902  Monument Jules Bara, brons op stenen voetstuk van Victor Horta.
            Place Crombez, Doornik.
1906  Old Lady in Blankenberge.
           Charlier Museum, Kunstlaan 16, Brussel-Sint-Joost-ten-Node.
1907  Les Carrièrs (De Steenhouwers), graniet.
           Armand Steurssquare, Sint-Joost-ten-Node.
1908  Les Aveugles (De Blinden), bronzen groep.
            Place Paul-Emile Janson, Doornik.
1909  Albert Lebrun, relief op graf.
           Stedelijke begraafplaats Elsene, rotonde Boondaalse Steenweg / Kroonlaan, Elsene.
1909  Monument kunstschilder Theodoor Verstraete met doek ‘Naar de dodenwake’.
           Stadspark, Rubenslei, Antwerpen.
1909  Veuve bavaroise.
           Hall gemeentehuis Noirétable (Frankrijk).
           (Beschikbaar gesteld door Musée d’Orsay).
1917  Oorlogsmonument, brons.
            Place Quételet / Middaglijnstraat, Sint-Joost-ten-Node (na WO I geplaatst).
1925  Borstbeeld Panda Farnana, brons en marmer.
           (Panda Farnana was de Congolese vertegenwoordiger in het Belgische parlement).
           Charlier Museum, Kunstlaan 16, Brussel-Sint-Joost ten Node.
1925  Tendresse, fragment van Moedersmart, wit marmer.
           Charlier Museum, Kunstlaan 16, Brussel-Sint-Joost ten Node.
????  La Vérité inspiratrice de l’Art (De Waarheid als inspiratiebron van de Kunsten), brons.
          Musée des Beaux-Arts (dakfront), Rue de l’Enclos Saint-Martin 1, Doornik.
????  Japanse.
????  Daphnis.
????  De zaaier van het kwaad.
????  Grafmonument Hendrik de Braekeleer, brons.
          (In 1949 verplaatst van begraafplaats Kiel naar Schoonselhof.)
         Begraafplaats Schoonselhof, Krijgsbaan, Wilrijk,  perk Z1, rij A.
????  Vissershoofd met zuidwester.
          Langestraat hoek Bakkerstraat, Blankenberge.

Klik voor andere routes op Routes
Voor andere Bollebooswicht-items klik je op Bollebooswicht