Doornik deel 6

Wandelroute DOORNIK deel 6

Van Kunstacademie tot treinstation via Châteauwijk

Eerst Doornik langs de Schelde, dan door de Châteauwijk met groen en een vestgingtoren terug naar het station.

De groene vlakken wijzen je de weg.

In de blauwe vakken staat wat je ziet.

In de Rue de l’Hôpital Notre-Dame na de academie sla je de straat links in, de Rue du Bas-Quartier, die meteen op een aardig pleintje uitloopt, waar je de straat kiest die er schuin rechts van wegloopt, de Rue des Cheoncq Clotiers.

BAS-QUARTIER
Deze straatjes in een lager gelegen Doornikse wijk hadden vroeger veel last van overstromingen als de rivier weer eens buiten zijn oevers trad. Het was de wijk van de koperslagers en de beenhouwers – ook slagers.

In de Rue des Cheoncq Clotiers woonde in de 19de eeuw een huisschilder, die een lied maakte in het Picardisch dialect, waarin hij de vijf klokkentorens van de kathedraal bezong, vandaar de straatnaam. 
Zelfs ongelovigen voelen aan dat zo’n kerkgebouw vaak het bindmiddel van een heel stedelijk weefsel is, dat je niet zomaar wegneemt zonder een stadskern te verminken, zoniet te vernietigen.

Aan het eind van de Rue des Cheoncq Clotiers sla je rechtsaf, de Rue Dame Odile in, zodat je even later op de Quai Notre-Dame langs de Schelde staat, die je naar links volgt. Even verderop zie je, na zijstraat de Rue de Fosses:

CHANTELIVRE
Quai Notre-Dame 10-11.
In april 2003 nemen drie vrouwen de boekhandel over waar ze samen werken. Die ligt dan nog in het stadscentrum. Na enkele jaren evalueren ze hun aanpak en besluiten ze het roer wat om te gooien en op 1 oktober 2011 opent hun nieuwe zaak op deze plaats. Naast kinder- en jeugdboeken vind je in deze toch wel aparte winkel ook houten speelgoed en gezelschapsspellen.

Enkele stappen verder sta je voor een kerk, waarnaast een paar speciale huizenblokken staan.

L’ÉGLISE DES RÉDEMPTORISTES
ET MAISONS LOUIS XIV 
Redemptoristenkerk en Lodewijk XIV huizen
Quai Notre-Dame.
Voordat hier de kade werd aangelegd liep de bedding van de Schelde op de plaats waar nu de huizen en de kerk aan de Notre-Damekaai staan. Die huizen vormen een fraai geheel en dateren uit de periode 1680-1685. De Franse koning Lodewijk XIV heeft Doornik in 1667 op de Spaanse troepen heroverd na een beleg van maar enkele dagen en laat de Schelde kanaliseren. Er worden dan huizen gebouwd in een combinatie van lokale traditionele stijl en Franse ideeën. De puntgevels worden vervangen door overhangende daken op gebeeldhouwde steunen.

De kerk is van latere datum, gebouwd in neo-romaanse stijl in 1861-’62 naar ontwerp van architect Justin Bruyenne. Midden- en zijbeuken zijn van baksteen, de door twee vierkante torens geflankeerde voorgevel van blauwe hardsteen. In die voorgevel zie je een roosvenster, ingewerkte zuiltjes in een rondboogportaal en een timpaan op een opengewerkte galerij. Als dat je doet denken aan de voorgevel van de kathedraal is dat wellicht niet toevallig, want Justin Bruyenne heeft in 1849 de restauratie van de Doornikse kathedraal geleid als opvolger van Bruno Renard. De bekendste Vlaamse realisatie van Bruyenne is vermoedelijk het Godshuis in het Vlaamse Sint-Laureins, dat intussen als monument beschermd is.

In Doornik zelf springt men wat minder scrupuleus om met het werk van deze zoon. Naast de kerk lag voorheen het klooster van de paters redemptoristen met een fraaie tuin. Omwille van de ligging langs de Schelde stonden de redemptoristen in Doornik bekend als ‘les Pères au quai’, de paters van de kaai.

Maar in 2003 zijn de laatste paters vertrokken en heeft het diocees Doornik de kerk ontwijd en het hele complex te koop gesteld. Klooster en tuin zijn gekocht door een Nederlandse projectontwikkelaar, die op dat terrein een appartementsgebouw heeft gezet. De kerk staat nog steeds te koop.

Tijdens de bouw van de appartementen is het altaar uit de kerk verdwenen. Wel is daar nog aanwezig het orgel dat Charles Anneessens in 1881 heeft gebouwd en dat 22 pijpen telt, verdeeld over twee klavieren en een pedaal. Er zijn plannen om het dak van deze kerk te vervangen door een soort serre-constructie en van het architectenbureau dat hieraan werkt is een zekere Jacques Bruyenne medewerker.

Wie erg geïnteresseerd is in vestingwerken slaat aan het eind van de Quai Notre-Dame even links de Rue du Cygne in, om daar in een steegje aan je linkerhand – Impasse de la rue de Cygne – de Tour du Cygne te bekijken. De anderen slaan de volgende alinea gewoon over.

Sluit na deze zijsprong weer bij de hoofdroute aan door op je stappen terug te keren naar de Scheldebrug.

TOUR DE CYGNE – Ringwaltoren
Impasse de la rue du Cygne.
Deze toren is een restant van de stadsmuur uit de 12de eeuw. Hier passeerde ook reeds de eerste stadsmuur, de zogeheten bisschoppelijke ringwal of Gallo-Romeinse muur. Die omsloot ruwweg het gebied rond de kathedraal, maar nog niet de Grote Markt. Die kwam pas bij de vergroting van de 12de eeuw binnen de veilige muren.
Cygne is hier niet het gewone Franse woord voor zwaan, maar een verbastering van het woord cingle, afkomstig van het Latijnse cingulum, dat ring betekent. Dus hier hebben we het over een toren van de ringwal.

Van de diverse Doornikse stadsmuren zijn er hier en daar nog resten bewaard gebleven, maar dat gaat steeds om afzonderlijke torens of muurdelen. Het voornaamste restant was tot voor kort de versterkte brug over de Schelde. Die is nu helaas afgebroken. 

Vlak voor een brug over de Schelde zie je hem staan:

STANDBEELD BARTHÉLÉMY DU MORTIER
Pont de Fer.
Op 3 april 1797 wordt Barthélémy Du Mortier in Doornik geboren en hij zal blijven leven tot 9 juni 1878. Hij maakt dus heel wat mee: Napoleon, Willem I en het ontstaan van het nieuwe België. Barthélémy verwerft internationaal faam als botanicus, die zich vooral met de plantenwereld bezighoudt en een van de eerste is om de vermeerdering via celdeling vast te stellen. In 1829, nog net tijdens de Hollandse periode, wordt Du Mortier als lid opgenomen in de Koninklijke Academie van België te Brussel en in hetzelfde jaar sticht hij de Courrier de l’Escaut in Doornik.

Aan de Belgische Omwenteling het jaar daarop neemt hij actief deel en dat wordt het begin van een politieke loopbaan als parlementslid, later voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en in 1872 minister van Staat. Dankzij die politieke contacten kan Barthélémy ijveren voor de oprichting van een Museum voor Natuurlijke Historie nabij het stadhuis – waar nu een Barthélemy Du Mortierzaal is -,  een Botanische Tuin in Brussel en de oprichting van de Société d’Horticulture. Intussen laat hij tal van publicaties verschijnen over botanische onderwerpen en ook enkele over politieke zaken als de schuldenverdeling tussen België en Nederland. Financieel gekrakeel is van alle tijden.

Deze beroemde Doornikzaan krijgt in 1893 zijn marmeren standbeeld, gebeiteld door Charles Fraikin, niet de minste onder de Belgische beeldhouwers.

Steek de Pont de Fer over naar de rechteroever, hou even halt midden op de brug, daal dan linksaf naar de Quai Dumon.

Terwijl je nog op de brug staat, zie je in de verte het restant van de beroemde
PONT DES TROUS – Gatenbrug

Ooit hét kenmerk van Doornik, is deze brug in 2021 afgebroken. Waarom?  De drie bogen waren te laag om binnenschepen met twee gestapelde containers door te laten. Ondanks veel protest van de bevolking is de sloop doorgegaan. Het graven van een omleidingskanaal viel veel te duur uit en er was te weinig creativiteit voor andere oplossingen, bijvoorbeeld een voorzichtige afbraak en het monument nadien elders herbouwen. 

Er is weliswaar sprake van een eigentijdse herbouw. Je kan vanaf hier zelf zien of daarvan al iets in huis is gekomen. 

Nog tijdens die afdaling kijk je even naar een afbeelding met tekst op de hoekgevel van de Quai Dumon en de Rue Saint-Bruno. Die houdt verband met het volgende:

PARLEMENT DE FLANDRE
Wie gaat er in Spanje de troon krijgen na de dood van koning Filips IV op 17 september 1665 ? Wordt dat de 4-jarige Kareltje II uit Filips’ tweede huwelijk, wiens moeder dan regentes zal worden? Bijlange niet, vindt de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV, gehuwd met Maria-Theresia, Filips’ dochter uit zijn eerste huwelijk. Volgens hem heeft zij dus voorrang op Kareltje. En die kwestie is voor Lodewijk wel een oorlog waard, de zogeheten devolutie-oorlog, gebaseerd op aloud erfrecht in de Nederlanden, waarbij de Franse vorst dan ook aanspraak maakt op de Spaanse gebieden in de Nederlanden.

Hij verschijnt met een leger voor Doornik, dat hij reeds na drie dagen beleg op 21 juni 1667 kan innemen. De Zonnekoning heeft grootse plannen met de strategische gelegen stad. Hij laat een citadel op de rechteroever aanleggen door architect Deshouillères en ingenieur Jean de Mesgrigny, die raad krijgen van Lodewijks befaamde vestingbouwer Sébastien Le Prestre, beter gekend als Vauban.

In 1676 volgt de oprichting van het Parlement de Flandre, een soeverein gerechtshof dat bevoegd is voor heel het gebied van Duinkerken tot Philippeville. Het gebouw van dit gerechtshof komt hier langs de Schelde te staan, terwijl de raadsheren in het achterliggende gebied hun statige huizen laten bouwen.

Na zo’n kwart eeuw komen de Spaanse troepen echter terug. Zij hebben er wel 57 dagen voor nodig voor ze op 3 september 1709 Doornik kunnen heroveren. Het Parlement van Vlaanderen wordt dan eerst overgebracht naar Cambrai (Kamerijk) om uiteindelijk in Douai neer te strijken. In die Franse stad kan je nog steeds het gebouw van dat Parlement de Flandre aanschouwen, hier in Doornik moet je het doen met de afbeelding op deze gevel.  

Als we afgedaald zijn van de Pont de Fer-helling, staan we op de Quai Dumon.
Iets voorbij de zijstraat rechts, stond tot 1887 het eerste Doornikse station aan wat toen de Quai de l’Arsenal heette. 

Hoera, daar komt de trein !

Veel volk op de been op 24 januari 1842, als de eerste trein arriveert in Doornik. Maar op het eerste stationsgebouw is het nog exact acht maanden wachten, tot 24 oktober 1842. Auguste Payen begint er op die dag aan, maar het raakt pas voltooid rond 1850. 

Porseleinfabrikant François Carpentier vestigt dan ook niet toevallig zijn faïencebedrijfje in 1850 aan de Quai Dumon. En François Peterinck brengt het zachte porselein van deze manufactuur vanaf 1851 tot Europese bekendheid.

Naar verluidt heeft de bekende architect Hendrik Beyaert nog meegewerkt aan dat eerste station, als eenvoudig metselaar. Door pa voorbestemd als kantoorbediende, zal hij toch zijn carrière maken in de bouw. En uiteindelijk zal hij tussen 1874 en 1879 het huidige – derde – station mogen bouwen waar onze wandeling startte.

En toen trok het station zelf op reis

Het gebouw aan de Quai de l’Arsenal houdt het uit tot 1887, om dan vervangen te worden door het tweede Doornikse station. Van dat eerste station zijn in 1885 alle decoratieve bouwmaterialen gerecupereerd en verhuisd naar Leuze-en Hainaut. Daar is architect De Blieck net aan een nieuw station bezig en hij mag die Doornikse sierstukken daarin verwerken.
Zo zie je nu op 20 km van Doornik langs het spoor een gebouw uit 1887  staan vol herinneringen aan het eerste Doornikse station. 

Je slaat nu rechts de Rue du Château in. Maar wacht even, wie toch wil gaan kijken naar het restant van de Pont des Trous kan ook nog een eind verder wandelen langs de Scheldekaai. We geven je alvast de geschiedenis van deze beroemde brug.

PONT DES TROUS
Gatenbrug
Schelde – Quai Andréï Sakharov
Deze waterpoort maakte deel uit van de tweede Doornikse stadsmuur uit de 13de eeuw. Die muur volgde grotendeels het traject van de huidige ringboulevards rond de stad. Buiten deze waterpoort is er nog enkel een stukje met de restanten van twee torens bewaard gebleven langs de Boulevard de Marvis, helemaal aan de andere kant van de stad, stroomopwaarts nabij de Schelde.

De naam Gatenbrug had niets te maken met de drie openingen waardoor het rivierwater stroomde, maar sloeg op een sluis die vroeger vlakbij dit verdedigingswerk lag. In het binnenvaartmilieu was ‘trou(s)’ het woord voor sluis.

De poort bestond uit drie onderdelen, die tussen 1281 en 1302 gebouwd zijn. Er wordt in 1281 begonnen op de linkeroever met de Tour du Bourdiel (Bordiel-toren), waarvan de naam gewoon een samentrekking is van ‘du bord de l’eau’ – aan de waterkant.

Doornik koopt de Bruillewijk op rechteroever. Vreemd? Nee, want aan die kant van de Schelde lag het Duitse Rijk, terwijl Doornik op de andere oever tot het Franse gebied behoorde. Inderdaad, de Schelde was een rijksgrens.

Na die aankoop volgt hier de Tour de la Thieulerie (Tuletoren), die vermoedelijk zijn naam ontleent aan een nabijgelegen fabriek van tule, een fijnmazig garenweefsel. Beide torens kan je vandaag nog zien.

Ten slotte worden in 1329 beide torens verbonden met een muur op bogen over de Schelde. Je moet je daarbij wel voorstellen, dat die bogen met valhekken afgesloten konden worden, zodat vijandelijke schepen niet zomaar de stad binnen kunnen varen. Bovendien wordt er tol geheven voor de doorvaart, nog tot 1832 geïnd door bewakers.

De buitenzijde – stroomafwaarts – maakte een zeer gesloten indruk, terwijl de stadszijde veel meer opengewerkt was, zodat er volop licht en lucht in dit verdedigingswerk kon binnendringen.

De Gatenbrug heeft zijn nut bewezen bij het begin van de Honderdjarige Oorlog. In 1340 belegert de Engelse koning Edward III met zijn leger van Engelsen en Vlamingen Doornik. Met ramschepen tracht hij de valhekken van de waterpoort te forceren. Maar de Doornikse aanvoerder Godemar Dufay biedt heldhaftig weerstand en in de stad wordt op het Maria-altaar in de kathedraal een waskaars gebrand, die op een windas is gerold, net zo lang als de weg van de traditionele Septemberprocessie. Voordat de kaars is opgebrand hebben de belegeraars het opgegeven.

Bij de bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog is de middelste boog van de Pont des Trous vernield. Maar in 1947-‘48 wordt het vestingwerk weer opgebouwd en men maakt meteen van de gelegenheid gebruik om de pijlers van de brug 2,40 meter hoger op te metselen en de middelste boog te verbreden, om het zo de toenmalige scheepsvaart gemakkelijker te maken dit kunstwerk te passeren.    

Het was echter nooit mogelijk voor inwoners of  bezoekers om over deze brug naar de overzijde van de Schelde te komen.

Wie de Pont des Trous van nabij is gaan bekijken, wandelt nu terug naar het begin van de Quai Andréï Sakharov.  Daar gaan alle wandelaars linksaf de Rue du Château in.
Volg die Rue du Château tot aan het tweede kruispunt.

QUARTIER DU CHÂTEAU
Kasteelwijk
Oorspronkelijk heet dit gebied le Bruille, het moeras of drassig terrein. Denk aan de in Vlaamse steden voorkomende naam ‘Bruul’, die dezelfde betekenis heeft.

Maar wanneer de graaf van Vlaanderen op een eilandje in de Schelde een verblijf laat bouwen voor zijn kastelein (de man die namens hem het gebied bestuurt), verandert ook de wijknaam.

In 1513 zal de Engelse koning Hendrik VIII ervoor zorgen dat die naam nog eens wordt opgepoetst met een nieuwe versterking in dit stukje Doornik en na hem zal in 1667 de Franse koning Lodewijk XIV ook zijn duitje in het zakje voor de versterkingen doen, zoals je reeds weet.

Je ziet nu voor je:

L’ÉGLISE SAINT-NICOLAS
Sint-Niklaaskerk
Rue du Château / Rue du Curé du Château.
In de 12de eeuw start met het koor de bouw van deze kerk, die ook wel de Kasteelkerk wordt genoemd, naar de wijknaam. De bouwmeesters twijfelen tussen het traditionele romaans en de dan opkomende gotiek, waardoor deze kerk een mix wordt van beide stijlen. De zuilen van het schip met de eerste Doornikse kapitelen en een buitengaanderij met spitsbogen maken dit gedeelte uit 1213 zuivere Scheldegotiek.
De toren staat hier niet vooraan, maar op de rechterarm van de kruisbeuk. Een geplande tweede toren aan de andere (noord)zijde is er nooit gekomen. Eind 15de eeuw krijgt de kerk er nog twee kapellen bij.
Een goede restauratie van deze kerk heeft in 1982 plaatsgevonden.

Momenteel huist hier een parochie van de grieks-orthodoxe ritus en dat maakt het wellicht moeilijker om deze kerk open te vinden en een blik op de binnenkant te werpen. Mocht dat toch lukken, dan zie je daar Lodewijk XIV-houtsnijwerk, dat is weggehaald uit de jezuïetenkerk van het seminarie. Verder drie grote koperen kandelaars in het koor, echt 15de-eeuws, in tegenstelling tot de koorlezenaar, die is een kopie. Het origineel staat in het Parijse Cluny-museum. In de Franse hoofdstad wordt meer Belgisch kunstpatrimonium gekoesterd.

Sla bij de Sint-Niklaaskerk rechtsaf de Rue du Curé du Château in.

La BRASSERIE TOURNAISIENNE
Rue du Curé du Château 8 / Rue Saint-Bruno 20.
Dit is een oud herenhuis uit begin 18de eeuw, in Lodewijk XIV-stijl en misschien nog juist gebouwd voordat die Franse koning Doornik weer moest prijsgeven aan een coalitie van onder meer Spaanse troepen. In dit soort huizen wonen in die tijd de raadsheren van het Parlement de Flandre. Weliswaar is deze gevel eind 19de eeuw verbouwd, maar om de hoek zie je nog de grote inrijpoort voor de koets. Als de zaak open is, kan je binnen van een fris Belgisch biertje genieten.

De Rue du Curé du Château komt uit op de Place Verte.  

PLACE VERTE
Groenplaats

Hier staan huizen in diverse stijlen naast elkaar, maar geen echte uitblinkers. Je kan midden over het plein wandelen, waar het veelal rustig is.

Wandel naar het andere eind van de Place Verte. In het groen tussen de Rue du Rempart en de Avenue Leray zie je reeds een ronde toren staan, thans omgeven door steigers.

LA TOUR HENRI VIII
Hendrik VIII-toren
In 1513 komt op uitnodiging van Maximiliaan van Oostenrijk de Engelse koning Hendrik VIII Tudor naar Doornik om deze tot dan toe door de Franse koning bestuurde stad in te nemen op 25 september. Daardoor wordt Doornik een tijdlang zowaar een Engelse stad, met eigen afgevaardigden in het Engelse parlement in Londen. Hendriks gouverneur laat in 1515 in de Kasteelwijk een citadel bouwen, die met een muur en een gracht omgeven wordt. Die Engelse aanwezigheid duurt tot 1519. De jonge keizer Karel V lijft Doornik in 1521 weer in bij zijn Habsburgs-Spaanse Nederlanden.

Deze stevige knaap met muren van 6,25 meter dikte aan de basis en een diameter van 25 meter is het enige restant van die Engelse citadel, want buiten deze wachttoren zijn alle andere Engelse bouwwerken onder Lodewijk XIV weer gesloopt. Twee ronde zalen boven elkaar worden verlicht door een ronde opening in de dakkoepel. Wie goed kijkt, ontdekt dat de verschillende lagen steen onderling verbonden zijn door ijzeren krammen.

Vandaag vormt de toren vooral een stukje nostalgisch parkmeubilair en is het voor hem een beetje ‘wachten op godot’.

Wandel rond de toren en steek dan over naar de Place Victor Carbonnelle, een plein dat daar als tegenhanger van de Place Verte ligt.

Place Victor Carbonnelle

Op de plaats van de vroegere tweede stadswal komen groene boulevards en er ontstaat een wat chique stationswijk aan het begin van de 20ste eeuw. Links zie je naast elkaar enkele gevels die soms een opknapbeurt kunnen gebruiken: nr.6, nr.10 met onder de vensters tegels met dameshoofden, nr.12 met sgraffiti waarvan de kleur helaas is verdwenen.

De parel aan dit plein staat aan de overzijde:

ART NOUVEAU-HUIS
Place Victor Carbonnelle 5.
Architect De Porre schept in 1905 deze creatie met het grote ronde raam, sgraffiti en de ronde erker. Nu woont er een collega, architect Wauter Devaux.

Nog éénmaal rechtsaf en je staat op de Boulevard des Nerviens.

Boulevard des Nerviens
Dat zijn niet de zenuwlijders die elke morgen hier de trein moeten halen naar hun werk, maar de Nerviërs, een van de stammen die onze streken bevolken als Julius Caesar ons een portie beschaving komt opdringen. Hier besluiten we deze route, je trein komt wellicht weldra, je auto heeft geduldig op je gewacht.

Tot de volgende wandeling?

S H O P P I N G

Je hebt gemerkt, de binnenstad van Doornik telt weinig winkels.  Er is wel een groot winkelcentrum langs de ring.

Wie nog wil winkelen: volg met je auto de brede boulevard die je voor het oude postkantoor ziet, de Boulevard des Déportés. Die loopt naadloos over in de Boulevard des Combattants, die op zijn beurt weer aansluit op de Boulevard Walter de Marvis. Daar ligt aan de linkerzijde het winkelcentrum Les Bastions met parkeerterreinen.