Mutien-Marie

Deze Bollebooswichtpagina is gekoppeld aan de Stapperloot-route Virton
Wandel deze route met je smartphone.

HEILIGE MUTIEN-MARIE
Louis Josèph Wiaux
°Mellet, 20 maart 1841
† Malonne, 30 januari 1917

20 maart 1841 op 13 km van Charleroi
In Mellet wordt die dag bij de familie Wiaux hun derde zoon geboren en nog dezelfde dag voorzien van de doopnaam Louis Josèph. Een net dertiger is de vader, Jean-Josèph Wiaux, zelfstandig smid. Zijn vrouw, die de boreling op de wereld zet, is de vrijwel even oude Elisabeth Badot. En zij houdt thuis een winkeltje in handgeweven tapijten open. Ze heeft al twee oudere zonen gebaard: François Josèph uit 1837 en Jean Josèph uit 1839 – blijkbaar is de naam Josèph voor hun vader heel belangrijk, alle kinderen dragen die als tweede naam. Onze Louis krijgt er wat later nog twee zusjes bij, Caroline (°1842) en Philomène (°1851) en tussen die twee in nog het jongste broertje Léon (°1847).

De familie Wiaux heeft ooit midden in het dorp gewoond, pal tegenover de kerk, in een huis waarin een tijdlang de jongensklas van de lagere school was. Kerk en school zullen begrippen worden die Louis’ latere leven zullen bepalen. Maar Louis’ geboortehuis stond een straat verder, de rue des Trieux, vandaag rue Solvay, waar nu een kapel staat voor Mutien-Marie, jawel, dat is een kapel voor Louis Wiaux. Wie van de buren zou dat verwacht hebben?

Geen Louis de smid, maar Mutien-Marie de broeder

Eigenlijk had vader Jean zijn derde zoon graag mee laten werken in de smidse, maar al snel bleek Louis daar geen enkele aanleg voor te bezitten. Wat moet je dan aanvangen met zo’n jongen? De oplossing ligt in die dagen nogal voor de hand: broeder worden in een klooster, dan heb je kost en inwoning en ook nog wat om handen.

In 1856 klopt de 15-jarige Louis aan bij de broeders van de Christelijke Scholen in Malonne, nabij Namen. Daar mag hij beginnen aan zijn postulaat, een proeftijd voorafgaand aan de echte intrede. Hij krijgt meteen een nieuwe naam: broeder Mutien-Marie, waarna hij een korte opleiding krijgt om les te gaan geven in lagere scholen – ze heten niet voor niets broeders ‘van de Christelijke Scholen’.

Zijn opleiding eindigt met een stukje praktijk, waarvoor hij op 8 september 1857 naar de Sint-Jozefschool in Chimay wordt gestuurd, om er onder leiding van broeder Memi het eerste jaar van de lagere school te onderwijzen. Er zijn daar maar vier broeders actief.

Bij de Brusselse Ketjes

Het volgende jaar, 1858, wordt hij naar Brussel gezonden, waar hij zich op donderdag 9 september aanmeldt bij broeder Charles, directeur is van de Saint-Georgesschool in de Alexianenstraat. Mutien-Marie komt er terecht te midden van ongeveer 18 broeders, Vlamingen en Walen, die uit twee kloosters komen. Maar die geven niet allemaal les in deze Sint-Jorisschool.

In de Sint-Jorisschool zijn er dagelijks 18 klassen, waaronder twee klassen voor volwassenen, waarin les wordt gegeven in het Nederlands of het Frans. Op zondag wordt les gegeven aan een werkliedenvereniging en in de vakantiedagen aan jonge dienstplichtige militairen, die in Brussel gekazerneerd zijn. Broeder Mutien-Marie wordt titularis van het tweede leerjaar voor Frans sprekenden in een groep van drie klassen. Hij geeft er les aan zo’n veertig Brusselse volksjongens van 8 en 9 jaar. Dankzij de in Chimay opgedane ervaring lukt dat wel.

Om 4 uur is de school uit en gaat Mutien-Marie naar de kapel om daar voor Onze-Lieve-Heer zijn dag te overlopen. Daarna gaat hij in de studiezaal huiswerk verbeteren en zijn lessen voor de volgende dag voorbereiden. Om 18 uur starten de broeders met geestelijke oefeningen voor de avond: een half uur geestelijke lectuur, gevolgd door een half uur mediteren in de kapel en dan nog een tweede religiestudie. Om half acht gaat iedereen naar de eetzaal en na dat avondeten volgt nog wat broederlijke recreatie, voordat het avondgebed om half negen de dag afsluit en iedereen gaat slapen. Niets te vroeg, want om half vijf ’s morgens is het alweer opstaan, om van vijf tot half zeven weer aanwezig te zijn in de kapel voor ochtendgebed, meditatie, rozenkrans en heilige mis. Een streng regiem, maar broeder Mutien-Marie voelt er zich goed bij.

Keet schoppen bij de jonge leraar

Maar ook Brussel zal van korte duur zijn. Op het eind van zijn eerste schooljaar vraagt Mutien-Marie of hij zich nu echt aan de broederschap mag verbinden na zijn proefperiode. Dat wordt toegestaan, op 14 september 1859 spreekt hij ter gelegenheid van de jaarlijkse bijeenkomst in Malonne zijn eerste gelofte uit. Maar dat blijkt meteen het afscheid van de Sint-Jorisschool te worden, want zijn superieuren, waaraan hij gehoorzaamheid verschuldigd is, vragen hem in Malonne te blijven voor hun eigen school, het Saint-Berthuin-instituut.

In het Sint-Bertuïnusinstituut van Malonne zijn de kostschoolgangers dagelijks, ook op zon- en feestdagen, in handen van de broeders. Die zien toe op het deelnemen aan de lessen en vergezellen hen van opstaan tot slapengaan. Elke klas heeft zijn eerste en tweede meester. Heel dit wereldje leeft binnen het internaat, waar de verplaatsingen van het ene naar het andere lokaal veelvuldig zijn, waar het toezicht op de slaapzaal, aan de tafel in de eetzaal of in een feestzaal niet te vergelijken zijn met een klaslokaal. Daarbij komen nog alle ongemakken veroorzaakt door eindeloze en koude winters, met amper verwarming in de lokalen en zwak en rokerig licht van de olielampen. Bij lange dagen vol regen wordt het doen en laten van de internen sterk beperkt, met uitzondering van de zondag, tenminste als ze bezoek krijgen.

In het Sint-Bertuïnusinstituut krijgt Mutien-Marie een aanstelling als hulponderwijzer van de zevende klas, waarvan broeder Majorianus titularis is. Die 27-jarige medebroeder is geboren in Duitsland en heeft de strakke Duitse houding meegebracht naar Malonne: autoritair en onverzettelijk. Hij neemt altijd het eerste lesuur voor zijn rekening, waarna de jongere Mutien-Marie het van hem overneemt. Maar die is een andere aanpak gewend en wat te verwachten was, de leerlingen van 9 en 10 jaar maken daarvan gretig gebruik om de klas op stelten te zetten bij deze onervaren broeder van 18 jaar. Dat loopt zodanig uit de hand, dat de gemeenschapsraad van Malonne in 1860 zich afvraagt of die jonge broeder, hoewel vroom en stichtelijk, wel op zijn plaats is binnen dit gereputeerde instituut. Men wil zijn nog tijdelijke aanstelling dan ook niet verlengen.

Beleefdheidsapplaus voor de muziekleraar

Gelukkig voor Mutien-Marie is er 39-jarige broeder Maixentis, een gedistingeerde man, die architectuur en muziek heeft gestudeerd en op iedereen indruk maakt. Bij zijn muzieklessen ontdekken leerlingen hun talent en kunnen ze dat ontwikkelen. Hij heeft zijn jonge confrater opgemerkt en vermoedt dat die grote invloed kan hebben op kinderen en jongeren. Daarom vraagt hij aan broeder-directeur Maufroy of broeder Mutien-Marie hem mag helpen bij de teken- en muzieklessen. Dat biedt een uitweg uit de moeilijke discussie over deze broeder en wordt toegestaan; Mutien-Marie kan na de Paasvakantie van 1860 aan zijn nieuwe opdracht beginnen.

Broeder Maixentis geeft Mutien-Marie meteen een opdracht: “U gaat harmonium en piano leren spelen bij broeder Luzianus, hij is een buitengewoon kunstenaar. Zelf ga ik u leren tekenen. Hier is uw dienstrooster met de uren waarop u toezicht houdt op de klas. En vergeet niet om elke dag tussen 9 en 10 uur uw harmoniumlessen te oefenen.”   

Broeder Maixentis had gesproken over instrumentale muziek en broeder Mutien-Marie stelt vast dat hij zijn kennis op dat domein moet uitbreiden: harmonium, piano, fluit – waar hij goed in was -, contrabas, tuba, bombardon. Bewust van zijn onmacht meester te worden over wat hij moet overdragen aan de leerlingen, probeert Mutien-Marie met veel inspanningen zich te bekwamen in het orgelspel, waarvoor hij les in Namen krijgt. Maar al na enkele maanden laat zijn leraar hem weten, dat hij als organist nooit enige reputatie zal verkrijgen.

In 1871 wordt Mutien-Marie in afwezigheid van broeder Maixentis verantwoordelijk voor het orkest van 60 uitvoerders. Dat houdt niet enkel repetities in, maar ook deelname aan uitvoeringen op feestdagen.  Het jaar daarop, 1872, is er zo’n uitvoering  van het orkest in Aken. De deelnemers uit Malonne krijgen echter slechts een beleefdheidsapplaus. Doch broeder Mutien-Marie accepteert die vernedering zonder zich te beklagen. Hij had zijn best gedaan en onderdanig komt hij bij terugkeer broeder Maixentis onder ogen.

Er is  geen enkele muziekpartituur of tekening teruggevonden, die aan Mutien-Marie persoonlijk kan worden toegeschreven. Toch staat hij 57 jaar lang in voor de muzieklessen voor de jonge leerlingen van het internaat en van de normaalschool – de onderwijzersopleiding. Maar zodra een leerling een zeker niveau bereikt, stelt broeder Mutien-Marie hem voor aan broeder Maixentis en zegt met bescheiden stem: “Deze leerling is te ver gevorderd voor mij, het leek me goed hem te laten opklimmen.” Zelf klimt Mutien-Marie nooit hogerop. Meer dan een halve eeuw onderwijst hij beginnelingen. Een ondankbare taak, een werk voor iemand met moed en nederigheid.

Surveillance met de rozenkrans

Na enkele jaren krijgt broeder Mutien-Marie er nog de tekenlessen bij, zowel in de kostschool als voor de normaalschool en dat tot 1894. Daarnaast vertrouwen zijn oversten hem zeer vernederende surveillance-opdrachten toe in de feestzaal, de kapel en de ruimte voor schoolblijvers, de lastposten onder internaatleerlingen. Mutien-Marie doet dat steeds met zijn rozenkrans in de hand, waardoor de leerlingen hem weldra de ‘biddende broeder’ gaan noemen.

Die rozenkrans is ook bijzonder. Normale rozenkransen vijf keer tien Weesgegroetkralen hebben, telkens gescheiden door één Onze-Vaderkraal, plus nog drie Weesgegroetkralen en één Onze-Vaderkraal aan het begin. Maar Mutien-Marie bidt met een zogeheten Brigittijnse rozenkrans. Die telt zes groepen (‘tientjes’) van tien Weesgegroetkralen en zeven Onze Vaders. Die laatste staan voor de zeven smarten en zeven vreugden van Maria, terwijl de 63 Weesgegroetkralen de leeftijd van Maria weergeven. Het is de heilige Brigitta van Zweden die het eerst met zo’n rozenkrans heeft gebeden, vandaar de naam. Verder wordt deze rozenkrans gebruikt in Lourdes, omdat bij de verschijning aan Benadette Maria zelf zo’n rozenkrans van zes ‘tientjes’ bij zich had. Het zesde ‘tientje’ zou dan voor verlossing van de zielen in het vagevuur worden gebeden.

Op 26 september 1869 spreekt Mutien-Marie zijn eeuwige gelofte uit. De broeders kunnen altijd op zijn beschikbaarheid rekenen, zijn punctualiteit en regelmaat zijn spreekwoordelijk. De leefregel van de congregatie is zijn houvast. Hij zoekt nooit de grenzen op van wat kan en mag, de regel geeft hem zekerheid en hij laat zich daar in alle eenvoud door gezeggen op een manier die indruk maakt, zowel op de leerlingen als op zijn medebroeders.

Tussen 1862 en 1892 is hij ook klokkenluider van de gemeenschap. Dat betekent opstaan om 4 uur ’s morgens, zich wassen en aankleden, dan naar de kapel waar de klok van de gemeenschap hangt. En vijftien jaar lang, vermoedelijk van 1879 tot 1895, mag hij van broeder Directeur tijdens het laatste halfuur van de zaterdagsklas de catechismus uitleggen. Overigens tot grote tevredenheid van de leerlingen van de laagste graad van de dorpsschool.

Extra ‘tientje’ voor Maria bij de Lourdesgrot

In augustus 1875 gaat Mutien-Marie met enkele andere broeders een opleiding tekenen volgen aan de Gentse Sint-Lucasschool. Ze bezoeken ook de Mariagrot bij de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in het nabije Oostakker. Op de terugweg naar Malonne bespreekt Mutien-Marie met broeder Maixentis het oprichten van zo’n Onze-Lieve-Vrouw van Lourdesgrot nabij hun school en klooster. Zelf heeft hij nooit de kans gekregen om op bedevaart naar Lourdes te gaan, maar een jaar later bouwen leerlingen van de hoogste klas op een helling in Malonne een Lourdesgrot voor hem. Hij zal er elke dag even heengaan om te bidden, met een extra ‘tientje’ van zijn rozenkrans voor Maria.

Gedurende zijn lange leven in Malonne, wordt hij slechts één keer geëerd. Op 4 januari 1912, samen met vijf medebroeders, viert de gemeenschap zijn jubileum van vijftig jaar religieuze professie.

Fatale ontberingen tijdens Wereldoorlog I

In 1860 zijn er 350 leerlingen, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog is dat tot meer dan 1000 gestegen. Tijdens die Wereldoorlog weet Mutien-Marie met zijn ingetogen en altoos biddende aanwezigheid het schoolgebouw te beschermen tijdens de bezetting door de Duitsers met. Maar er is een tekort aan voedsel en in de kloostervertrekken is geen verwarming tijdens de koude oorlogswinters. Daardoor krijgt Mutien-Marie last van astma en van reuma in zijn voeten. Maar zelfs bij -15° wil hij geen verwarming op zijn kamer. “Jezus en Maria verwarmen mij voldoende”, zegt hij.

Op 21 november 1916 stelt een dokter vast dat broeder Mutien-Marie volledig uitgeput is. De aalmoezenier wordt gewaarschuwd voor de toediening van het Heilig Oliesel voor stervenden. Mutien-Marie sleept zich niettemin voort door het klooster om zijn taken te vervullen en te bidden. Op vrijdag 26 januari 1917 krijgt hij een duizeling en op zaterdag 27 januari zit hij om half vijf ‘s morgens na de communie halfluid te bidden: “Jezus, mijn goede Jezus, ik bemin u, ik bemin u ….” Hij moet dan op de ziekenzaal blijven, waar hij de rozenkrans bidt. Een verpleger die ’s avonds bij hem komt waken verbiedt hem op maandag 29 januari luidop te bidden, want dat kost teveel van zijn nog resterende krachten. Hij kan dan al niet meer opstaan van zijn bed.

Om kwart over 4 dinsdagmorgen 30 januari, terwijl de klokken luiden voor het opstaan van de broeders, vraagt hij de verpleger om nog éénmaal het Ave Maria hardop te mogen bidden. Terwijl hij dat doet sterft Mutien-Marie zachtjes. Hij wordt bijgezet in de grafkelder van de broeders op het kerkhof van Malonne.

Een heilige van het volk en zijn wonderen

Er ontstaat er een ware volkstoeloop naar zijn graf en in mei 1926 wordt zijn stoffelijk overschot overgebracht naar een rustplaats tegen de buitenmuur van de kerk van Malonne. Zo is het graf gemakkelijker toegankelijk voor al die bedevaarders. En er blijken wonderen te gebeuren, wat aan Rome wordt gemeld. Daar wordt een medische commissie samengesteld om die wonderen, die kennelijk op voorspraak van Mutien-Marie hebben plaatsgevonden, te onderzoeken.

Aanvankelijk gaat het om twee mysterieuze genezingen. De eerste betreft de 44-jarige Italiaanse Dominique Scaccia uit Lambersart nabij de Franse stad Lille. Wegens koudvuur is bij hem een been afgezet, maar zijn onderbuik blijkt ook besmet en daardoor is hij ten dode opgeschreven. Twee mensen gaan voor hem naar Malonne. Reeds bij hun aankomst aldaar treedt verbetering op bij Dominique, waarna na enkele dagen een volledig herstel volgt, dat medisch onverklaarbaar is.

En de 62-jarige Georges Thibault uit de Naamse wijk Salzinnes heeft een spataderzweer op zijn been, waarvoor geen genezing mogelijk is. Hij gaat op 20 januari 1952 met de bus naar Malonne, komt steunend van pijn aan bij het graf van Mutien-Marie en roept diens hulp aan. Onmiddellijk stopt de pijn en kan hij weer normaal staan. Hij legt zelfs de vijf kilometer naar Salzinnes te voet af en wordt drie dagen later geheel genezen verklaard.

Op basis van deze beide wonderen verklaart paus Paulus V op zondag 30 oktober 1977 Mutien-Marie zalig. Maar voor een heiligverklaring is nog een derde wonder nodig.

Broeder Madir uit Malonne, geboren in Aartselaar nabij Antwerpen, lijdt aan osteoporose en wordt invalide, hij loopt met krukken. Hij mag op 22 februari 1977 aanwezig zijn bij de officiële erkenning van de overblijfselen van Mutien-Marie in Malonne. Amper heeft hij het gebeente aangeraakt of zijn eigen lichaam herstelt zich zo goed, dat hij zonder krukken naar buiten kan gaan. De medische commissie verklaart hem genezen en neemt dit voorval als derde wonder aan. Madir is enkele maanden later in Rome aanwezig bij de zaligverklaring van Mutien-Marie en beklimt daar alle trappen zonder enige vermoeidheid te vertonen.

Dat geeft paus Johannes Paulus II op 10 december 1989 reden om broeder Mutien-Marie heilig te verklaren met als feestdag 30 januari, de dag van diens overlijden.

In Malonne is er intussen een Sanctuaire Frère Mutien-Marie in de Rue du Fond 117, waar je de heilige een bezoek kan brengen. Hij heeft er zelfs telefoon: 081-44.51.67.

Brussel is hem ook niet vergeten, een steen aan de ingang van de Sint-Jorisschool herinnert er aan zijn verblijf:
“Hier leefde en onderwees in 1858-1859 Sint Mutien-Marie, broeder van de Christelijke Scholen, heilig verklaard door paus Johannes-Paulus II op 10 december 1989.”
Ici vécut et enseigna en 1858-1859 Saint Mutien-Marie, Frère des Ecoles Chrétiennes, canonisé par le Pape Jean-Paul II le 10 décembre 1989.”

Klik voor andere routes op Routes
Voor andere Bollebooswicht-items klik je op Bollebooswicht