Neogotiek

Deze Bollebooswichtpagina is gekoppeld aan de Stapperloot-route Virton
Wandel deze route met je smartphone.

NEOGOTIEK

Wat zou een dorp zijn zonder kerk en vooral zonder kerktoren? Die vormen doorgaans de kern, waarrond de rest van het dorpshart geboetseerd is. Zo’n kerk is niet zomaar willekeurig gebouwd, achter de vorm zit een idee. Bij heel wat kerken worden vorm en idee samengevat in het woord neogotiek. Maar wat is dat eigenlijk, die nieuwe gotiek?

Middeleeuwse basis

Gotiek is de overheersende bouwstijl uit de middeleeuwen, ontstaan in Frankrijk en meer bepaald rond Parijs. De naam is van Italiaanse herkomst; daar vinden ze die voor hen uitheemse vormentaal barbaars, iets van de Goten, het volk dat hun roemrijke Romeinse cultuur de vernieling in gedreven heeft.

Bij de gotiek ligt de nadruk op verticale lijnen. Hoog oprijzende zuilenwouden, waarop slank gebogen ribben rusten, die de basis voor het plafond vormen. Smalle hoge vensters, bovenaan uitlopend in een spitse boog, die als een pijl naar boven wijst. Langgerekte beelden, die niet teveel wapperen met de handen, maar hun ledematen steeds vrij dicht tegen het lijf houden. Ranke en hemelbestormende torens, vaak met een spits erop. Zo’n kerkgebouw dwingt je bijna omhoog te kijken – en dat is nu precies de bedoeling.

Je moet in zo’n kerk het gevoel krijgen, dat er daarboven iets belangrijks aanwezig is, namelijk een god die zich persoonlijk met jou bezighoudt en het beste met je voor heeft. Dus een duidelijke breuk met de Jaweh van Mozes en zijn stenen tafelen, die met donderende stem geboden dicteert waaraan nietige mensen zich hebben te houden, anders zwaait er wat. Kortom, een god die liefheeft tegenover een god voor wie je angst moet hebben.

Negentiende-eeuwse nostalgie

Na de gotiek volgt de renaissance, waarin de mensen zich meer met laag-bij-de-grondse zaken gaan bezighouden, waar ze zelf vat op hebben, zoals wetenschap en internationale handel. En als in 1789 de Franse Revolutie storm loopt tegen gezagshebbers die ver boven het volk staan, worden alle baronnen, graven, hertogen en koningen meteen weggeveegd. En ook god mag gaan, gebruik je eigen verstand. Begin 19de eeuw hebben dus zowel de katholieke Kerk als god veel van hun dominante plaats in de samenleving moeten prijsgeven.

Nog in de 18de eeuw is de interesse voor de oude cultuur van de Grieken sterk toegenomen. In 1748 wordt Pompeï opgegraven, de in 79 na Christus door lava van de Vesuvius bedolven Romeinse stad. Kunstenaars en geleerden reizen erheen om de archeologische vondsten te bewonderen en vandaar wordt al snel in de richting van Griekenland gekeken, waar tenslotte de oorsprong van de Romeinse cultuur ligt. Omdat men af wil van de met veel tierlantijen en krullen versierde barokke kerken en paleizen, komt er een terugkeer naar de veel sobere en rechtlijnige tempels van de klassieke Grieken.

Het zogeheten classicisme wordt de stijl waarin voortaan overheidsgebouwen worden opgetrokken: breed uitgespreide gevels met middenin een portiek met hoge Griekse zuilen onder een driehoekig dakje (fronton) en links en rechts vleugels met een gelijk aantal rechthoekige vensters, plus een horizontale band langs de dakrand (kroonlijst).

Ambachtelijk versus industrieel

Toch is niet alleman even enthousiast over die nieuwe maatschappij. De slagzinnen van de revolutie klinken goed, de praktijk levert echter niet direct het verwachte resultaat op. Een aantal lieden denkt met heimwee aan de dagen waarin god het hoogste gezag was, waarop een mens kon terugvallen bij vragen over goed en kwaad en bij de eeuwige vraag naar de zin van ons bestaan. Men ziet rondom zich een industriële maatschappij ontstaan, waarin eerlijk handwerk en de daaruit voortvloeiende trots en voldoening over de eigen inspanning worden vervangen door anonieme massaproductie met behulp van karakterloze machines. En dat alles is het werk van vrijgevochten ondernemers, die steeds grotere ruimten nodig hebben voor hun alsmaar uitbreidende bedrijven. De architecten kunnen hen vaak niet helpen, die hebben op school niets geleerd over de bouw van fabriekshallen. Daarom zijn het vooral ingenieurs, die dankzij nieuwe bouwmaterialen als ijzer en glas en aangepaste technieken het industriële landschap vorm geven. Onderdak voor machines, voorraden en als laatste bekommernis, ook voor de arbeiders, daar is het ondernemers om te doen. Aan een mooi uitzicht wordt pas later aandacht besteed, wanneer ‘imago’ een rol gaat spelen.

Vanuit een katholieke burgerij komt er een tegenbeweging op gang, waarin een terugkeer wordt bepleit naar een maatschappij waarin kerk en godsdienst opnieuw centraal staan. Daarom worden de middeleeuwen als voorbeeld gesteld, zowel wat betreft bestuur als het uitzicht van gebouwen en voorwerpen die je dagelijks omringen. De mensen die naar zo’n samenleving willen terugkeren worden ultramontanen genoemd, letterlijk ‘over de bergen’. Die bergen zijn de Alpen en vanuit het katholieke Rome bekeken, leefden we hier dus aan de andere kant van die scheidslijn.

De hoofdrolspelers

Brugge zou een belangrijke rol spelen bij de terugkeer naar gotische bouwvormen. In die stad heeft zich in de 19de eeuw een flinke kolonie Engelsen gevestigd, aangetrokken door het romantische stadsbeeld. Een van die Anglo-Belgen is architect Thomas Harper King, die een boek over gotische architectuur van zijn landgenoot Augustus Welby Northmore Purgin vertaalt in het Frans en uitgeeft in Brugge. Purgin linkt de gotische bouwkunst aan kritiek op de 19de-eeuwse industriële samenleving en prijst voor allebei het middeleeuwse voorbeeld aan.

In Frankrijk is het architect Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc die de gotiek een rationele en evenwichtige bouwstijl vindt, omdat b.v. een spitsboog stevigheid biedt, samen met een gemakkelijke methode om te overwelven. Hij bundelt een schat aan informatie over gotisch bouwen in een negendelig naslagwerk. Daarnaast voert Viollet-le-Duc zelf heel wat restauraties uit van middeleeuwse bouwwerken, bijvoorbeeld de complete stadswallen van Carcassonne. Hij koppelt daar zo zijn eigen theorieën aan. Voor hem komt het erop aan de geest van een middeleeuws gebouw te herstellen of zelfs alsnog te creëren, wanneer zo’n gebouw destijds niet af is geraakt. Viollet-le-Duc publiceert tekeningen van de ‘ideale kathedraal’, terwijl Purgin een ontwerp heeft gemaakt van de ‘ideale abdij’. (Dat later als voorbeeld voor de abdij van Maredsous nabij Dinant zal dienen.)

Die tijdgeest wordt in België opgepikt door Jean Baptiste Bethune, sinds 1845 in Brugge actief en aldaar in 1854 een eigen glazeniersatelier opzettend. Hij zal trouwens de glasramen voor de Dom van Keulen maken, de grote middeleeuwse Duitse kathedraal, die pas in de 19de eeuw wordt voltooid. In 1858 verhuist Bethune naar Gent, waar in 1862 de eerste Sint-Lucasschool wordt gesticht. Na Gent volgen spoedig Sint-Lucasscholen in Doornik, Lille, Brussel en Luik. In deze katholieke kunstscholen worden de ultramontaanse ideeën uitgedragen aan hele generaties jonge schilders en architecten.

Middeleeuws Brugge

Nieuw-gotische gebouwen worden door deze vaklui ook voorzien van meubilair, kerkzilver, wandschilderingen en beelden. En het blijft niet bij kerken, ook stadhuizen, postkantoren, scholen en woningen gaan er uitzien alsof ze eeuwen eerder zijn gebouwd. Een groot deel van het ‘middeleeuwse’ Brugge dateert uit de 19de en 20ste eeuw. Deze neogotische architectuur krijgt een stevig steuntje in de rug, wanneer in 1875 Pieter Van Kerkhove in een architectuurwedstrijd de eerste prijs haalt met zijn ontwerp voor een nieuw stadhuis te Sint-Niklaas. Het staat er nog altijd, compleet met belforttoren, een typisch middeleeuws attribuut.

Eigentijdse nabootsing

Is neogotiek dus nep, een slappe nabootsing van ‘goede oude tijd’? Dat niet, want de architecten hebben voor grote kwaliteit gezorgd, doordat ze heel gedegen studies maken van zowel de middeleeuwse bouwwijzen als eigentijdse constructiemethoden. En dat gaat gepaard met een diepgaande kennis van zowel lokaal gebruikte bouwmaterialen, als van toen gloednieuwe toepassingen met glas en metaal.

Gaver dan middeleeuws

Omdat hun gebouwen veel sneller tot stand zijn gekomen dan de middeleeuwse voorbeelden, ziet een neogotische kerk er in zijn totaliteit gaver uit dan een middeleeuwse kathedraal, waar je stijlwijzigingen ziet, die tijdens de decennialange bouwperiode zijn opgetreden. Maar die onregelmatigheden maken zo’n authentiek gotisch bouwwerk interessanter. Bij neogotische kerken blijft vaak de baksteen zichtbaar aan de buitenzijde en wordt dus ook voor versieringen gebruikt, terwijl middeleeuwse kathedralen doorgaans met natuursteen worden bekleed, of helemaal uit natuursteen zijn opgetrokken. Maar dat materiaal is nogal duur en zo’n neogotische kerk staat er in enkele jaren, zodat je de kosten niet over een halve of hele eeuw kunt spreiden.

Dat er zoveel neogotische kerken staan, komt omdat deze stijl juist samenvalt met een aangroei van de bevolking, zowel in de steden als op het platteland, omdat er door een betere hygiëne minder mensen voortijdig sterven. Dus zijn er nieuwe of grotere kerken nodig, waarbij in het laatste geval vaak een stuk van de oude middeleeuwse kerk in het geheel wordt opgenomen.

Middeleeuwse wederopbouw

De neogotiek blijft nog een tijd gebruikelijk tot halverwege de 20ste eeuw. Daaraan is ook de Eerste Wereldoorlog niet vreemd. Dan zijn er heel wat steden zwaar beschadigd of compleet verwoest, zodat er nogal wat te herbouwen valt in de jaren ’20 van de vorige eeuw. Sommige architecten proberen van de gelegenheid gebruik te maken, om moderne alternatieven in de plaats te zetten. Maar daar is de bevolking niet enthousiast over, de mensen wilden graag hun stad terug zien verrijzen zoals ze die altijd hadden gekend. Dus wordt er ‘middeleeuws’ gebouwd en vaak meteen maar mooier en gaver dan het vroeger ooit is geweest.

Enkele architecten drukken nogal specifiek hun stempel op een bepaalde stad. Zo kom je Louis Delacenserie vaak in Brugge tegen en is Joris Helleputte sterk met Leuven verbonden. In de provincie Antwerpen zijn het de provinciale architecten die in veel dorpen hun handtekening achterlaten: Lierenaar Edouard Carreels als provincie-architect voor het arrondissement Mechelen en Antwerpenaar Eugène Gife voor het arrondissement Antwerpen.

Fraaie ‘fake’

Verschillende architecten hebben zich ook heerlijk neogotisch kunnen botvieren op verbouwing van 19de-eeuwse kastelen en buitenhuizen op het platteland, zoals Hendrik Beyaert met zijn Marnix-kasteel aan de Oude Schelde in Bornem. Dat mag dan ‘fake’ zijn, het oogt beslist fraaier dan de halve ruïnes die er tevoren stonden.

Nu is de binnenkant van veel neogotische kerken later ingrijpend gewijzigd. Wandschilderingen worden achter kalklagen verborgen, beelden worden weggenomen, alles moet in de periode van paus Johannes XXIII in de jaren ’60 soberder, om zo het geloof weer dichter bij de mensen te brengen. Wie wil ervaren hoe een neogotische kerk er op zijn best van binnen kan uitzien, moet een kijkje gaan nemen in de Antwerpse Sint-Joriskerk aan het Mechelse Plein, of in de Onze-Lieve-Vrouwekerk achter het stadhuis van Sint-Niklaas.  

De laatste jaren wordt de neogotiek omwille van de vakbekwame bouwkunst, de uitstekende decoratiekwaliteit en het typisch 19de-eeuwse tijdsbeeld sterker gewaardeerd dan voorheen. Dat uit zich in een toenemend aantal als monument beschermde gebouwen uit die periode.

Vroege voorbeelden van neogotiek in België:

1841 Onze-Lieve-Vrouw-Bijstand-der-Christenenkerk 
Onze-Lieve-Vrouweplein, Sint-Niklaas.
Architect: Louis Joseph Roelandt.
Bekend om neogotische beschildering van interieur.
1843 Sint-Pieters-Bandenkerk
Markt, Beringen.
Architect: Frans Drossaert.
1844 Heilig Kruiskerk 
Dorp, Heusden (Destelbergen).
Architect: Matthias Wolters.
1845 Koninklijke Sint-Mariakerk 
Koninginneplein, Schaarbeek.
Architect: Henri Van Overstraeten.
1847 Sint-Joriskerk
Mechelseplein 6, Antwerpen.
Architect: Leon Pierre Suys.
Bekend om behouden neogotisch interieur, te zien op een 360° website.
1847 Sint-Bonifatiuskerk 
Vredestraat, Elsene/Ixelles.
Architect: Joseph Dumont.
1851 Magdalenakerk 
Gentpoortstraat, Brugge.
Architect: Thomas Harper King en Pierre-François Buyck.
De eerste is een Engelsman die mee de neogotiek in België heeft geïntroduceerd.
1852 Onze-Lieve-Vrouwekerk 
Onze-Lieve-Vrouwevoorplein, Laken.
Architect Joseph Poelaert, voortgezet door Auguste Payen en Louis de Corte.
Kerk met de koninklijke cryptes, gebouwd van 1852 tot 1907.
1852 Sint-Hiloniuskerk, ook Sint-Tillokerk genoemd. 
Kerkplein 1, Izegem.
Architect: Pierre-Nicolas Croquison.
1856 Heilige Kruisverheffing en Heilige Jozefkerk
 Moerkerksesteenweg 192, Brugge-Sint-Kruis.
Architect: Jean-Baptiste Bethune.
Bethune is de man die in België de neogotiek, vooral kerkinterieurs, heeft verspreid via eigen ateliers nabij Gent.
1860 Mariale basiliek 
Moorsledestraat 4, Moorslede-Dadizele.
Architect: Augustus Pugin.
Pugin is een Engelsman die de neogotiek mee heeft geïntroduceerd en speciaal door de Brugse bisschop Jean-Baptiste Malou naar hier gehaald om Dadizele te bouwen. Pas later heeft die basiliek een metalen spits gekregen.

Deze architectuurstijl kom je ook tegen in de route Antwerpen-Quartier Latin van website Het Stille Pand.
hetstillepand.art/neogotiek.htm

Klik voor andere routes op Routes
Voor andere Bollebooswicht-items klik je op Bollebooswicht