Doornik deel 3

Wandelroute DOORNIK deel 3

Van Belfort tot Grand'Place

Route langs stadspark, Museum voor Schone Kunsten, stadhuis met zijsprong naar de Saint-Piatwijk.

De groene vlakken wijzen je de weg.

In de blauwe vakken staat wat je ziet.

Sla vanaf het belfort links af, de Rue de la Wallonie in. Bijna direct weer rechts de Rue du Parc in. 

Uithangteken
Op de hoek van de Rue de la Wallonie en de Rue du Parc zie je het fraaie uithangteken met een hoorn des overvloeds van brasserie Charles.

Kijk nu naar het grote witte gebouw rechts van je.

MUZIEKCONSERVATORIUM
Le Conservatoire de Musique
Rue du Parc / Place Reine Astrid 2
Zes bronzen heren op de zijgevel, allemaal Doornikse beroemdheden uit de kunst of nijverheid. Van links naar rechts:
François Peterinck, porseleinfabrikant uit 1787, heeft nog een laatste bordje in zijn hand;
Pierre de la Rue, componist uit 1518, heeft zijn luit bij zich;
Robert Campin, schilder uit 1427, palet in de hand;
Pasquier Grenier, tapijtwever uit 1493, naald nog steeds bij de hand;
Lefebvre Caters, goudsmid uit 1765, hanteert een soort pincet;
Michel Le Maire, koperslager uit 1423, hamertje in de aanslag. 

Allemaal hier als een soort zinnebeelden van hun tijd neergezet door Geneviève Warny.

Ga je naar de voorzijde  van dit gebouw uit 1822-’24, dan zie je een rotonde met stevige zuilen, die dit gebouw enigszins doet lijken op de Antwerpse Bourlaschouwburg. Niet toevallig, de Doornikse architect Bruno Renard, die hier aan het werk is geweest, is een neef van Pierre Bruno Bourla, wiens ouders bovendien ook uit Doornik kwamen.

Intussen ben je op de Place Reine Astrid aangekomen, met wat verderop rechts het:

MUSÉE DE LA TAPISSERIE ET DES ARTS DU TISSU    (TAPAT)
Museum van het Wandtapijt en de Weefkunst
Place Reine Astrid
Open:
1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17u.,
1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u.

In huize Gorin uit 1825 worden weelderige Doornikse wandtapijten uit de 15de en 16de eeuw geconfronteerd met hedendaags werk van de Forces Murales-groep. Daar maakten onder meer Roger Somville, Edmond Debrunfaut en Louis Deltour deel van uit. Beneden de oude wandtapijten, op de bovenverdieping recent werk van hedendaagse kunstenaars.

In het bijbehorende CRECIT-atelier worden wandtapijten uit de hele wereld gerestaureerd en nieuwe tapijten op bestelling gemaakt. Hier wordt ook onderzoek gedaan naar het verven en behandelen van wol.

Nu krijg je de keuze. Of wel kies je voor de kortere hoofdroute, ofwel voor een extra lus door de Sint-Piatuswijk, die je onder andere langs een kerk en een seminarie brengt. Hier zijn minder spectaculaire bezienswaardigheden te bekijken.

AANDACHT: Voor de hoofdroute klik je hier op STADSPARK

Voor de Piatus-lus, die je o.a. langs een kerk en een seminarie brengt, ga je links de Rue Garnier in, waar je meteen een toren ziet staan

TOUR DE LA LOUCHERIE
De Schele Toren
Rue Garnier
Je ziet een reconstructie van een Romeinse toren, waarnaar de eerste straat rechts, de Rue Loucherie verwijst. Die toren staat hier omdat iets verderop bij de Oude Botermarkt al in het jaar 50 voor Christus een Romeins landgoed moet hebben gelegen, niet ver van een doorwaadbare plaats in de Schelde en eigendom van een zekere Turnus. Naar hem is Tournai –  Doornik – later vernoemd.
In minder dan een eeuw ontstaat rond dat domein een belangrijke plaats, gelegen aan de Romeinse heirbaan van Keulen naar Boulogne en er wordt een brug over de Schelde gebouwd.
La Loucherie is de naam van de heuvel waar de Romeinen hun eerste steunpunt hebben gesticht. Vandaag wordt deze wijk met die naam aangeduid.

Wandel de Rue Garnier verder uit tot deze overloopt in de Place du Vieux-Marché au Beurre, de Oude Botermarkt. Hier even naar links tot het kruispunt en daar rechtsaf, de Rue de la Tête d’Or in. Vrijwel meteen slaan we nog eens rechtsaf, zodat we de Doornikse vestigingen van Lunch Garden en Carrefour voor ons zien aan een ruime parkeerplaats.

Spoedcursus Romeins verleden van Doornik

Ooit stond er op deze plek een Romeins aquaduct. Jammer, van die dijk met een waterleiding valt niets meer van te zien. Maar begin jaren 1960 is bij het ophogen van de plek waar nu de Carrefour is een aquaduct met houten buizen ontdekt. Dat voorzag de wijk tussen de Schelde en La Loucherie van water. Tussen 1952 en 1955 zijn elders in deze wijk resten van een muurstuk van 85 meter en twee ronde torens opgegraven.

De Gallo-Romeinse bevolking van Turnacum drijft handel in granen, wol en vooral in lokale kalksteen, die de tand des tijds flink weerstaat. Die wordt uit groeven gehaald en vanuit een haventje op de rechter Schelde-oever in de richting van Antoine verscheept (Luchet d’Antoine).

In de 4de eeuw wordt Doornik hoofdstad van de Civitas Turnacensium. Er is eind 3de en begin 4de eeuw een eerste ommuring aangelegd volgens Romeins model. Die helpt niet om de Salische Franken buiten te houden. Zij nemen Doornik in 431 in.

Van dan af wordt Doornik een tijdlang hoofdstad van het Merovingische rijk met als vorsten achtereenvolgens Clodion, Merovech, Childeric en Cholodovech. Die laatste kennen we als Clovis. Hij breidt het rijk sterk uit en verplaatst de hoofdstad naar Lutetia, vandaag bekend als Parijs.

Verlaat het parkeerplein aan de andere zijde langs de helling met trappen (rechts van de helling voor auto’s, tegen de gevels). Met een rolstoel neem je de helling links van de parkeergarage. Je komt zo in de Rue des Clairisses, die je naar rechts volgt.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.Toevoegen mooi huis …

Wandel verder tot de eerste zijstraat, Rue Saint-Piat.  Op de hoek een fontein.

FONTAINE “L’PICHOU SAINT-PIAT”
“Lievertje van Sint-Piatus”-fontein
Hoek Rue Saint-Piat / Rue des Jésuites
Op het kerkhof rond de Sint-Piatuskerk stond eertijds een oude fontein. Helaas, ruwweg vernield in 1883.

Maar: architect Jules Wibaux en beeldhouwer Paul Du Bois laten hem in 1931 herrijzen in een kopie van kalksteen. Je ziet een hoge paal met het stadswapen als hoofdmoot van een monument, opgedragen aan de Waalse literatuur en het Waalse lied (‘A la litterature et à la chanson Wallonie’). Past wel in deze volkswijk, net als de Doornikse straatjongen, met zijn guitige en tegelijk wat brutale lach. Symbool voor de ziel van de echte Doornikzaan.

Sla rechts voor de fontein de Rue des Jésuietes in.

EGLISE SAINT-PIAT 
Sint-Piatuskerk
Rue des Jésuites.
(niet steeds toegankelijk)

Sint-Piatus is de eerste geloofsverkondiger die in Doornik actief is. Hij komt helemaal uit Benevento nabij Napels om hier zijn blijde boodschap te brengen en moet het zonder espressso en pizza’s stellen om onze heidenen te overtuigen.

Over zijn kerk valt best wat te vertellen. Die staat op de plaats van een Merovingische basiliek uit begin 6de eeuw, die weer op een christelijk graf uit de 4de eeuw staat. Maar het gebouw dat je nu ziet is uit de 12de eeuw. Toch nog flink oud.  Het kerkschip is rond 1370 met een nieuwer koor is verbonden. Boven de ingang een reliëf van het Lam Gods.

Is de kerk open, dan kom je in een ruimte waar blauw licht door de glasramen binnen valt, wat een speciale sfeer geeft.

Pas in 1971 is ontdekt dat de romaanse middenbeuk ook een triforium bezit, iets dat op een loopgang lijkt,  bovenaan de gevels. Bogen en zuiltjes zaten voordien verstopt achter ander muurwerk. Een kleine deur nabij het altaar geeft toegang tot een 15de-eeuwse grafkapel, griezel maar eventjes …

Links en rechts van het schip twee oude kapellen. Die van Onze-Lieve-Vrouw van Alsemberg is versierd met schilderijen die je het verhaal vertellen van de pelgrimstochten naar het Brabantse Alsemberg – ten zuiden van Brussel.

Wandel na het verlaten van de kerk verder door de Rue des Jésuites.

L’ ASILE POUR FILLES PAUVRE
Opvangtehuis voor arme meisjes
Rue des Jésuites 12-16.
Drie gotische huizen zijn in 1280 eigendom van de Vilains, een familie van geldwisselaars. Toen een job voor specialisten, niet enkel omdat er allerhande vreemde munten in omloop waren, maar ook omdat er regelmatig vals werd gespeeld. Daarom werden munten altijd gewogen om na te gaan of ze voldoende metaal van het juiste soort bevatten. Daarnaast was er de toetssteen, waarop men het geldstuk liet vallen om te horen of het de juiste klank had. ‘De toetssteen doorstaan’ is een uitdrukking die tot vandaag wordt gebruikt, maar niet meer in letterlijke zin. 

In de 16de eeuw komen de huizen in handen van de jezuïeten. Met een brug over de straat laten zij die bij hun al bestaande college aansluiten.

In 1671 stichten Anne en Agnes Manarre hier de Fondation des Desmoiselles Manarre, een tehuis voor achttien arme meisjes. Zij leren hier lezen, schrijven en naaien, zodat ze later zelf hun kost kunnen verdienen.

Zussen van een gevreesde revolutionair
Naar verluidt hebben hier vanaf 1774 ook Charlotte en Henriette de Robespierre negen jaar onderdak gevonden op aanbeveling van de bisschop van Arras. Zij waren zussen van Maximilien de Robbespierre, een advocaat uit Lille. Hij wordt in 1792 in Parijs de beruchtste leider van de Franse Revolutie. Nogal wat tegenstanders brengt hij onder de guillotine. Maar dat bekoopt hij slecht, uiteindelijk komt ook zijn hoofd onder de valbijl terecht.

Restauratie van een vervallen logement
Later worden deze woningen tot logement verbouwd om uiteindelijk, wanneer het verval al aardig is ingetreden, in 1958 als monument te worden beschermd. Haalt weinig uit, wanneer er niet duchtig gerestaureerd wordt. Gelukkig koopt in 1974 de Fondatie Pasquier Grenier de nrs. 14 en 16 en geeft geld voor een restauratie, die in 1978 plaatsvindt onder leiding van architect A. Wilbone.

Zo’n restauratie houdt vaak ook vervanging van al te vervallen delen in. De zuiltjes tussen de ramen moeten het gotische aspect van deze huizen benadrukken, maar zien er verdacht nieuw uit. Daardoor lijkt nr.12 authentieker, want het oogt pittoresker met de zwarte gevel en de kleine vensterruitjes.

Ontsnapt aan bombardement
Dat in deze wijk nog behoorlijk wat oude gevels bewaard zijn gebleven, komt doordat men hier is ontsnapt aan het bombardement van 1940, dat elders in het Doornikse centrum veel schade heeft aangericht.

Wandel nog even verder door de Rue des Jésuites, maar blijf aan de linkerzijde. Na het passeren van de Rue de Bêve zie je aan je linkerhand het toegangsportaal tot het vroegere jezuïetencollege, thans Bisschoppelijk Seminarie. Ga naar binnen als de poort open is.

LE SÉMINAIRE ÉPISCOPALE
Bisschoppelijk Seminarie
Rue des Jésuites 28
(enkel vrij toegankelijk tijdens openingsuren van de bibliotheek)
Achter die poort ligt een binnenplein waarrond 17de-eeuwse gebouwen liggen, versierd met twee barokke nissen met tegen de linker zijmuur Sint-Pieter en aan de achterwand Sint-Karel.

Gevreesde Pieter
Sint-Pieter moest de band tussen paus en jezuïeten beklemtonen, ook al was dat niet steeds een band van wederzijds vertrouwen. De pausen waren bevreesd voor de macht van de jezuïetengeneraals – zoals hun hoogste geestelijke leiders heten– en daarom waren ze bereid om de orde op te heffen op verzoek van de Franse koning.

Karel als keizer van het Westen
Sint-Karel is niemand minder dan Karel de Grote, die door de paus tot eerste keizer van het Westen wordt gekroond – vandaar de kroon boven zijn hoofd – als tegenhanger van de oostelijke keizer van Constantinopel. Die laatste was de opvolger van de Romeinse keizers en Karel wordt hun opvolger in dit deel van het vroegere Romeinse Rijk. Hij laat zich kronen in Aken, dat sindsdien als Keizerstad door het leven gaat.

In de Romeinse tijd waren daar al heilzame bronnen, vandaar Aqua in de stadsnaam, die oorspronkelijk Aquae Granni heette, naar de Keltische god Grannus die hier vereerd werd voordat de Romeinen arriveerden.

Wandel verder door de Rue des Jésuites tot aan het volgende kruispunt. Links zie je Vrouwe Justitia tronen op het gerechtsgebouw. Maar we slaan rechts de Rue d’Espinoy in. Aan het eind ligt aan je linkerhand een parkje met een twee fonteinen in grote bassins, omgeven door rozenperken.

Hier sluit je weer aan bij de hoofdroute

 

STADSPARK
Het Stadspark begint hier met een strak aangelegde tuin met perken, enkele zitbanken, rechte paden en symmetrische bassins, waar in het midden fonteinen opspuiten. Verderop gaat dit park over in een veel losser aangelegd park, dat zich enerzijds voorzet in een vierkant pleintje met een groot monument en anderzijds in een onregelmatig gevormd deel met bomen en een kiosk.

Wandel naar de andere kant van het eerste parkgedeelde en steek daar de Allée Paul Bonduelle over. Zo beland je op de Square Paul Bonduelle met het grote monument.

STANDBEELD LOUIS GALLAIT
Square Paul Bonduelle
Veel raden is er niet aan, je ziet zelf wel dat de man schilder is. Ook geen armoelijder zo te zien aan        ‘s mans vestimentaire outfit. Inderdaad, nog bij leven overladen met eerbewijzen, zelfs het Franse Légion d’honneur wordt hem toegekend.
Louis Gallait behoort tot het kringetje van academische schilders uit de 19de eeuw, die letterlijk grote werken penselen en daarin stukken heldhaftige of dramatische geschiedenis fors gestalte geven.

In dat rijtje horen eveneens thuis Nicaise De Keyser, Gustaaf Wappers, Henri Leys en Antoine Wiertz. Namen die we vandaag beter kennen van hun straatnamen en standbeelden, dan van hun werk, ook al heeft de laatste in onze rij een eigen museum in Brussel in zijn vroegere atelier. Hun stijl wijkt te zeer af van wat we vandaag appreciëren. Maar hun werk vind je nog steeds in de grootste musea van het land.

Nu het monument zelf
Onze tandem Charlier-Horta mag dit monument oprichten voor deze op 10 mei 1810 alhier geboren schilder. Het wordt op 20 september 1891 onthuld. Gallait is dan al overleden in 1887, niet hier maar in Schaarbeek. Onder de bronzen man heeft Horta in zijn sokkel een drietal even bronzen reliëfs verwerkt. Rechts van het beeld wordt Louis toegejuicht als succesrijke jonge schilder. Links wordt hij gehuldigd op 29 augustus 1841 door het stadsbestuur. Achteraan is het volk stiller, Gallait krijgt na zijn dood op 20 november 1887 een grandiose begrafenis in zijn geboortestad.

Deze square is genoemd naar een andere Doornikzaan, architect Paul Bonduelle, die de heropbouw van Doornik na het bombardement van de Tweede Wereldoorlog heeft geleid tussen 1945 en zijn dood in 1955.

Uitstapje naar het museum
Gallait heeft zijn eigen zaal in het Musée des Beaux-Arts van Doornik. Er hangen daa twee beroemde doeken van hem.

35 m² troonsafstand
“De troonsafstand van Karel V” is een doek van 5 op 7 meter welgemeten en daar kroop dan ook drie jaar werk in, van 1838 tot 1841, waarna het Doornikse stadsbestuur op zondag 29 augustus 1841 op het stadhuis een banket voor Louis aanricht.
Het andere schilderij is minder vrolijk, daarop geeft Gallait een pestepidemie in Doornik weer.

Beroemde afgehakte hoofden
Ook Louis’ werkstuk “De laatste eerbewijzen aan de graven Egmont en Hoorne” is beroemd. Daarop staart een schare volk rond een bed naar de afgehakte hoofden van beide edelen. Alva heeft hen als afschrikwekkend voorbeeld op de Brusselse Grote Markt laten onthoofden, hoewel de beide mannen zich als legerleiders en gouverneurs niet al te opstandig hadden gedragen ten opzichte van koning Filips II.
De derde grote man uit die dagen wist te ontsnappen, Willem van Oranje zag de bui hangen en nam tijdig de benen. Hij zou wél de grote opstandelingenleider worden. Louis’ schilderij hangt in het gemeentehuis van Zottegem, de stad waar Egmont begraven is.

Verlaat deze square door de linkse van de twee bogen die je ziet achter het standbeeld. Je loopt zo het Stadspark binnen, waar je direct links achter de boog de eerste van twee bijzondere bomen ziet staan.

TWEE OUDSTE BOMEN VAN DOORNIK
Stadspark
Het gaat om een ginkgo biloba aan je linkerhand en even verderop rechts een diospyros lotus. Er staan panelen met alle uitleg over beide parkreuzen bij, daar hebben wij dus niets aan toe te voegen.

Dit stadspark is aangelegd in 1862, de kiosk die je wat verder links ziet, staat hier sinds 1905, toen ook de bassins met fonteinen zijn aangelegd. Als je even op de kiosk gaat staan en in je handen klapt, kan je horen hoe het houten plafond als klankbord werkt. 

Wandel even rechtdoor tot op een groen binnengebied met gesnoeide buxus, dat een kloostertuin moet oproepen. Het gaat ons om het gotische gebouw aan je rechterhand.

GOTISCHE KLOOSTERVLEUGEL
Stadspark, Kloosterhof.
We starten eind 11de eeuw: Op de plaats van een kapel uit de tijd van Clovis wordt de benedictijner Sint-Maartensabdij gesticht. De monniken stammen vooral uit Franse adellijke families, wat zeker bijdraagt tot de rijkdom van de abdij, waarvan vooral de zeer rijke bibliotheek en de schilderijengalerij faam zullen verwerven.

Bovendien wordt de abdij het favoriete Doornikse logeeradres voor al wie tot de hooggeplaatsten behoort: prinsen en hertogen, kardinalen en pauselijke gezanten, koningen en koninginnen en daar heeft Doornik vooral baat bij. Zo verblijft hier keizer Karel V om het 20ste kapittel van de Orde van het Gulden Vlies voor te zitten van 2 tot en met 5 december 1531. En de Franse koning Lodewijk XIV komt in 1671 de eerste steen leggen voor de nieuwe abdijkerk.

Revolutionaire afbraak
Het tij voor de abdij keert wanneer de revolutionaire Fransen ook in Doornik arriveren. Zij heffen de abdij op en verjagen de geestelijken. De kerk hebben ze niet langer van doen, dus die wordt afgebroken en ook een groot deel van het klooster ondergaat dat lot. Enkel deze kloostervleugel die onder abt Jean Le Flameng (een Vlaamse grote Jan dus) rond 1500 tot stand is gekomen, blijft bestaan. Plus het abtspaleis, dat je zo meteen aan de andere kant te zien krijgt, met bijbehorend verhaal. 

Even terug het park in en dan rechts rond het grote schoolgebouw draaien naar de Rue Fauquet, die je inloopt. Na de lange gevel met reliëfs van ambachten van het schoolgebouw kijk je even over de muur, waar je de bovenzijde van een woning ziet met een groot gebogen raam. Zo meteen zie je de voorzijde van dit huis en die oogt heel anders.

Sla de eerste straat rechts in, de Rue de l’Enclos Saint-Martin. 

HUIS PION
Rue de l’Enclos Saint-Martin 18.
Een door de Doornikse architect Henry Lacoste in 1936 ontworpen woning met een bronzen deur en garagepoort en op de zijgevel een gegraveerde plattegrond van de vroegere Sint-Maartensabdij met de belangrijkste data: 1092 – 1671 – 1804. (Onthoud ze even, straks de uitleg.)

Je ziet het verschil met het grote raam aan de achterzijde, dat je zojuist zag. Hier is het huis een sterk gesloten gebouw, met juist heel smalle raamopeningen. Nu woont er een chirurg, mensen van wie je hoopt dat ze de openingen ook zo klein mogelijk houden.  

Henry Lacoste 
Niet zomaar een lokale figuur, hij heeft meer gedaan. We sommen even op:
– de mijnkathedralen van Genk-Zwartberg en Beringen gebouwd …
– meegewerkt aan opgravingen in het Griekse Delphi, Syrië en Irak …
– leraar, later directeur, van de Brusselse Academie voor Schone Kunsten …
– tijdens de Eerste Wereldoorlog samen met twee andere architecten het bedreigde patrimonium in de Westhoek opgemeten en de kunstwerken daarvan in veiligheid gebracht …
– ontwerper van paviljoenen voor de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1935. Ben je nog mee?

Lacoste’s idee over bouwen:
Bouwen is een totaalgebeuren. Traditie moet meespelen in de huidige vormgeving. Maar moderne materialen en technieken kunnen gebruikt worden.
Met die zienswijze heeft Lacoste een hele generatie architecten beïnvloed, die na WO II actief werden. Straks zien we nog een tweede en geheel ander huis van hem.

Even verderop aan de andere straatzijde ligt:

LE MUSÉE DES BEAUX-ARTS
Museum van Schone Kunsten
Rue de l’Enclos Saint-Martin.
Open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17.30u., 1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u.
Eerste zondag van elke maand vrij toegankelijk.

Een museum voor Henri’s verzameling
Dit gebouw heeft Victor Horta ontworpen voor de in 1904 overleden kunstkenner Henri Van Cutsem voor zijn verzameling impressionisten en andere moderne schilderijen uit het begin van deze eeuw. Bovenop heeft de uitvoerder van Van Cutsems testament, onze beeldhouwer Guillaume Charlier, een flink stukje brons neergepoot. Veertien meter lang dient hier de “De Natuur als inspiratie voor de Kunst”. Er is vele jaren aan dit complex gebouwd, van 1913 tot 1928, Horta heeft zijn art nouveau-periode dan reeds lang achter zich gelaten. Binnenin is gezorgd voor goede lichtinval via het glazen dak. Vijf zalen liggen rond een centrale rotonde.

Voor het museum staan drie beelden. Links Femme regardant le soleil (Vrouw die naar de zon kijkt), een bronzen beeld van de in deze stad in 1901 geboren George Grard. Wie regelmatig aan de Belgische kust vertoeft, kent wellicht zijn “De Zee”, een nabij het Oostendse Leopoldspark liggende dame-met-een-maatje-meer, aldaar beter gekend als “Dikke Mathille”. Elders aan de kust in Sint-Idesbald heeft Grard een eigen museum-atelier, waar je de man niet meer zelf kan ontmoeten, hij is in 1984 overleden.
Rechts vooraan staat het bronzen Béatitude maternelle, een weergave van het moederlijk geluk door Marcel Rau.

Binnen hangt van de nog steeds levende kunstenaar Tom Frantzen uit Duisburg bij Tervuren een zwevend beeld met de titel Li Belle Hippo, met in de naam de twee onderdelen verborgen: een nijlpaard met libellevleugels. Staalkabels helpen wat met het luchtvaardig houden van dit bijzondere gevleugelte.

Voor wie echt wil weten wat er binnen te zien is, even het volledige plaatje:  

Henri Van Cutsem kocht eigentijdse – vroeg-20ste-eeuwse – kunst, zodat je binnen werk ziet hangen van Edouard Manet, Claude Monet, Georges Seurat, Vincent van Gogh, Hippolyte Boulenger en James Ensor.

Naast de collectie van Van Cutsem zijn er nu ook werken te zien van Rogier van der Weyden en Jean Gossaert, de laatste werd geboren in de 15de eeuw en legde zijn penselen definitief neer in 1532. Van Rogier is enkel het linkerdeel van het tweeluik ‘Heilige Maagd en het Kind” hier aanwezig, het rechterluik waarop opdrachtgever Jean de Gros is geportretteerd bevindt zich in Chicago. Voor een compleet idee moet je dus wel wat reizen … Maar om toch wat meer van deze Doornikzaan te kunnen zien, hangen hier fotoreproducties van zijn werk op originele grootte.

Een deel van de ruimte in de zalen wordt ingenomen door beeldhouwwerk van Jacques de LalaingCharles van der StappenMaurice De Korte, Georges Grard en uiteraard van Guillaume Charlier.

Zoals eerder gezegd kreeg schilder Louis Gallait zijn eigen ruimte met twee bruikleenwerken van het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten in Brussel.

Draai je nu om en wandel in de richting van de boogdoorgang, die je op de binnenplaats van het stadhuis brengt, de Cour d’honneur de l’Hôtel de Ville.

HÔTEL DE VILLE – Stadhuis
Cour d’honneur de l’Hôtel de Ville.
We vertelden je reeds over de Sint-Maartensabdij, die hier vanaf de 11de eeuw ontstaat. Voor de kers op de taart zorgt in 1763 een van de vaste bewoners, abt Robert Delzenne, die architect Laurent-Benoît Dewez opdracht geeft om een fraai nieuw abtspaleis te ontwerpen. Dat wordt een gebouw in neoklassieke Lodewijk XV-stijl, Dewez’ specialiteit. Vandaar dus die breed geschouderde gevel met een fraaie toegang onder een ‘Griekse’ driehoek met daarboven een daklijst met zogeheten vuurpotten.

Van abdij tot stadhuis
De revolutoinaire Fransen breken flink wat abdijgoed af, maar Delwez’ schepping blijft overeind, die is makkelijk on te turnen in een luxueuze woning. Wanneer de Fransen wat gekalmeerd zijn, neemt de stedelijke administratie in 1809 zijn intrek in dat voormalige abtpaleis en daar huist het stadsbestuur nog steeds, want hun oude Raadshal is in 1818 gesloopt.

Toch is wat je nu ziet vooral oud van buiten, het interieur heeft het zwaar te verduren gehad bij een brand in 1940, tijdens het bombardement in de Tweede Wereldoorlog. Wel bleef nog gespaard de indrukwekkende sobere romaanse crypte uit de 12de eeuw met zware zuilen en gewelven onder dit stadhuis, waar al eens tentoonstellingen of evenementen plaatsvinden.

Jaartallen
De drie jaartallen die je naast de plattegrond op Maison Pion zag, zijn respectievelijk de stichting van deze abdij (1092), de eerste-steenlegging van Lodewijk XIV voor de nieuwe abdijkerk (1671) en de opheffing van de abdij door de revolutionaire Fransen (1804).

Links van het stadhuis zie je een eigentijds front met daarachter een oudere ruimte.

LE MUSÉE D’HISTOIRE NATURELLE & VIVARIUM
Museum voor Natuurwetenschappen en Vivarium
Cour d’honneur de l’Hôtel de Ville
Rue de l’Enclos Saint-Martin 52.
Open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 9.30-12.30/13.30-17.30u., 1 nov.-31 mrt. ma.wo-zo. 9.30-12/14-17u.
Toegang: € 2,60, kinderen -6 jaar gratis;
1ste zondag van de maand gratis. 

Start vlak voor de Belgische Opstand
Op 16 juli 1828, in de laatste jaren van de Hollandse tijd, wordt in Doornik een vereniging voor Natuurhistorie gesticht, die op 13 september 1829 een voor het publiek toegankelijk Natuurhistorisch Kabinet opent, het eerste in wat later België zal worden. De bekende Doornikse architect Bruno Renard heeft daarvoor een galerij en een vierkante zaal ontworpen.

Eerst opgezette dieren aaien …
Vandaag wordt daar een reconstructie van dat Natuurhistorisch Kabinet getoond, de Barthélémy Dumortierzaal, genoemd naar een der stichters van de vereniging – we komen de man nog tegen.
Verder in het gerenoveerde gebouw kom je onder meer langs de Paul Simonzaal met diorama’s die een overzicht geven van regionale Doornikse milieus zoals de Scheldemoerassen, de kalksteengroeves, het Henegouwse platteland en het bos van Bonsecours, plus een beeld van de Europese biotopen en van vier grote natuurgebieden in de wereld.
In een derde zaal gaat het afwisselend over bedreigde plant- en diersoorten en de oorzaken van het uitsterven van honderden soorten, ofwel biedt deze ruimte plaats aan tijdelijke tentoonstellingen.  

… dan griezelen bij levende vogelspinnen
In een tropische serre zie je orchideeën, varens, vleesetende planten en bromelia’s boven een vijver met Chinese alligators, waterschildpadden en amfibieën.
En in een zaal met achttien vivariums links na binnenkomst wachten je leguanen, varanen, kameleons, boa-constrictors, ringslangen en vogelspinnen en zijn er zeven aquariums met koralen, schuttervissen en blindvissen uit Mexicaanse grotten. Nee, eentje meenemen voor thuis mag niet …

Verlaat dit plein via de grote erepoort waar je vanuit het stadhuis recht doorheen loopt. Zo kom je in de Rue Saint-Martin. Ga hier naar rechts voor een lus langs nog enkele bezienswaardigheden.
Sla daarvoor in de Rue Saint-Martin de eerste straat links in, de Rue Roquette Saint-Nicaise.

Geen lust in deze lus ? Wandelt de Rue Saint-Martin verder rechtdoor en passeert nog een Marionettenmuseum. (Adres en openingsuren hieronder.)
Aan het eind van de straat sta je opnieuw bij het belfort op de Grand’Place, de Grote Markt. Daar kom je samen met de lustige lopers voor een rustpauze. Route deel 5 brengt je terug naar het station.
Voor de fitste wandelaars zijn er nog twee extra lussen.

Musée des Arts de la Marionnette
Marionettenmuseum
Rue Saint-Martin 47.
Open di.-vr. 9-12.30 / 14-17u., za.zo. 14-18u.
Toegang € 3,50, kinderen € 3,00.

Na een hoek links en meteen een hoek rechts sta je in de Rue Roc Saint-Nicaise en  bekijk je even een redelijk modern appartementsgebouw.

GEBOORTEHUIS ROGIER VAN DER WEYDEN
Rue Roc Saint-Nicaise 76-78.
Je zou niet direct verwachten dat de beroemde schilder in 1399 in zo’n straatje geboren zou worden. En nog minder dat hij zo modern woonde. Neem dus het opschrift niet al te letterlijk, het slaat uiteraard op een huis dat hier in een zeer ver verleden heeft gestaan.

Roger de la Pasture, zoals hij dan nog heet, leert het vak van stadsgenoot Robert Campin. Als hij de meestertitel heeft behaald, vertrekt hij naar Brussel, waar hij tot stadsschilder wordt benoemd.
Van der Weyden is samen met Jan van Eyck in de 15de eeuw de belangrijkste schilder in de Nederlanden. Hij schildert, zoals dan gebruikelijk, veel religieuze taferelen, want uit kerkelijke hoek komen zijn opdrachtgevers. Daarnaast maakt Rogier ook veel portretten van tijdgenoten en hij werkt al met een atelier, zodat zijn schilderijen in feite teamwork zijn. Van der Weydens invloed strekt zich ook uit tot Duitsland.
Rogier geeft de geest in 1464 en ligt begraven in de Brusselse Sint-Michielskathedraal.

Het woordje ‘Roc’ in de straatnaam komt van ‘roke’, dat steengroeve betekent. Er was hier een plek waar kalksteen kon worden gedolven.

Schuin tegenover Rogier zie je het Militaire museum, ondergebracht in een oud bedrijfsgebouw.

MUSÉE D’HISTOIRE MILITAIRE DE TOURNAI
Museum voor Militaire Geschiedenis van Doornik
en de streek rondom de stad.
Rue Roc Saint-Nicaise 59-61.
Stap maar naar binnen als de poort openstaat en ontmoet een hellebaardier, een borstbeeld van koning Albert I en een V1 – het lijkt alsof professor Barabas met zijn teletijdmachine deze binnenplaats heeft ingericht. Binnen wacht je een chronologische rondgang langs de krijgskunst – de kunst om het er levend vanaf te brengen – vanaf de middeleeuwen tot en met de Tweede Wereldoorlog in en om Doornik. Wie het nu al van schrik in zijn broek doet, kan meteen op deze binnenplaats een wc vinden.
Open:
apr.-okt. ma.wo.-zo. 9.30-12.30/13.30-17.30u.
nov.-mrt. ma.wo.-za. 9.30-12/14-17u., zo.14-17u.
Toegang: € 2,60, 65+/-18 jr. € 2,10, kind -6 jr. gratis.
Ook elke 1ste zondag van de maand gratis.

Het verlengde van deze vrij smalle straat tooit zich nog met een hele reeks oudere huisgevels. Wie daarin is geïnteresseerd kan eens voortwandelen, maar onze route neemt de eerste straat rechts, de Rue Saint-Georges, met rechts, pal na een reliëf met een boogschutter, de

TOUR SAINT-GEORGES
Sint-Joristoren
Rue Saint-Georges.
Hier zie je de resten van een ronde toren, die ooit tot de 12de-eeuwse omwalling behoorde en tussen 1197 en 1202 is gebouwd. De Rue Saint-Georges lag net buiten de stadsmuren, hier liep ongeveer de gracht die voor de muren lag. Omdat de kruisboogschutters daar oefenden, zijn zowel deze toren als de straat naar hun patroonheilige genoemd. Ooit grensde aan de toren hun vergaderplaats. Hoewel er eigentijdse trappen naar de toren leiden, is die niet dagelijks vrij toegankelijk voor alleman.

Naast de toren staat op een paal het beeldje van de kruisboogschutter. In de middeleeuwen was de kruisboog een vervaarlijk wapen, de pijl kon dwars door een harnas boren. Het opspannen van zo’n boog gebeurde op de grond, daarom werden kruisboogschutters doorgaans ter verdediging ingeschakeld, zodat ze bij het laden beschutting hadden. Pas later is dit wapen uitgerust met een trekker, de huidige geweren hebben die overgenomen. In China werden al heel vroeg kruisbogen gebruikt, o.a. door soldaten van het terracotta leger dat daar is opgegraven.

Aan het eind van de Rue Saint-George zie je aan de overzijde in de Rue de la Grande Garde weer zo’n paalbeeldje. Het is Childerik, die Merovingische vorst, begraven naast de Sint-Brixiuskerk.

Draai hier rechts de Rue Massenet in, genoemd naar een Franse componist die van 1842 tot 1912 leefde. Zo kom je aan een klein pleintje, net voor een fraaie doorgang, de Placette Walter Pavez.

Vondeling te paal
Tegen de muur staat hier weer zo’n paalbeeldje. Het stelt Alexis Saragosse voor, die begin 19de eeuw als vondeling in de Doornikse schuif belandde. De schuif was een soort liggende trommel die aan de straatzijde geopend kon worden, waarna het kindje erin gelegd kon worden door de moeder. Bij het sluiten ging er een belletje in het vondelingenhuis, waarna zusters zich over de vondeling kwamen ontfermen. Dikwijls vonden ze op zo’n kind een kenteken, bijvoorbeeld de helft van een speelkaart, waardoor de moeder haar kind eventueel terug kon komen halen als ze in betere omstandigheden verkeerde. Met Alexis is dat niet gebeurd, hij is wel alom bekend geraakt bij de Doornikse bevolking, maar werd ook mikpunt van aller spot. Pestgedrag is niet echt een nieuw fenomeen.

Walter Ravez, de man naar wie dit pleintje is genoemd en die in 1886 is geboren, heeft in 1930 hier het Maison Tournaisienne gesticht, een soort heemkundig museum, waarvan hij tot zijn dood in 1945 conservator is geweest.

Sla de hoek om, de Réduit des Sions in.

LA MAISON TOURNAISIENNE / LE MUSÉE DE FOLKLORE
Doorniks Huis / Volkskundemuseum
Réduit des Sions 32-36.
Open:
apr.-okt. ma.wo.-zo. 9.30-12.30/13.30-17.30u.
nov.-mrt. ma.wo.-za. 9.30-12/14-17u., zo.14-17u.
Toegang: € 2,60, 65+/-18 jr. € 2,10, kind -6 jr. gratis.
Elke 1ste zondag van de maand gratis.

Een schilderachtig ensemble met een 17de-eeuwse gevel, waarachter het museum huist. In liefst 23 opstellingen wordt aandacht besteed aan oude ambachten, drukkerij (inderdaad, Casterman … van de Kuifjesalbums), speelgoed, carnaval en zo meer.

Interessant zijn de schaalmodellen van het oude Doornik met daarbij het reliëfplan van de stad, gemaakt tijdens de regeerperiode van de Franse koning Lodewijk XIV en destijds bedoeld voor militaire doeleinden, namelijk het aanvallen en innemen van steden. In Parijs zijn al die originele reliëfplannen bewaard, maar heel wat steden hebben intussen zoals hier in Doornik een kopie van hun reliëfplan laten maken.

Réduit
Een ‘réduit’ – vroeger als ‘roduit’ geschreven – is een plaats om zich terug te trekken. Kort voor de Eerste Wereldoorlog werd Antwerpen aangeduid als Nationaal Réduit, waar het Belgische leger zich zou terugtrekken als laatste steunpunt van België. Zoals we weten is het iets anders gelopen toen. Hier in Doornik ging het om de religieuze orde Notre-Dame de Sion, waarbij Sion verwijst naar de vroegere citadel van Jeruzalem en breder naar het Hemelse Jeruzalem. De kloosterorde had zich hier gevestigd.

Voor je uitkomt op de Grote Markt sta je nog even stil bij de deur op nr.1A van dit straatje – herken je in deze metalen toegang met maskers de stijl van Henry Lacoste? 
Sla nu links de Grand-Place op.

Le CARILLON
Grand-Place 64 / Réduit des Sion 1A.
Lacoste heeft ook het bijbehorende huis ontworpen, dat je beter aan deze marktzijde ziet en nu restaurant Le Carillon huisvest. Het is heel anders van stijl dan Huis Pion dat je eerder hebt gezien.

Dit is modernisme, de stijl die in de periode tussen beide Wereldoorlogen doorbrak, maar toen nog moest wedijveren met art deco-huizen. Lacoste heeft de stijl hier in 1930 op zijn eigen wijze verwerkt en hij is daarbij niet al te extreem tewerk gegaan, zodat het resultaat niet vloekt met de oudere huizen rond de Doornikse markt.

Hier eindigt deze lus van Doornikroute deel 3.

Wie rechtstreeks naar de Grand’Place is gegaan, kan hier aansluiten voor deel 4. Dat begint met een lus langs de Sint-Jacobskerk. Wie die niet wil doen, steekt na bezoek aan de Sint-Quintinuskerk (Saint-Quintin) de Grote Markt over naar de apotheek, waar de Rue des Orfèvres weer aansluiting geeft op deel 5 en 6. Met deel 5 kan je ook rechtstreeks verder naar het station voor je terugreis.