Doornik deel 1

Wandelroute DOORNIK deel 1

Van treinstation tot Scheldekaai

Deze route is nog in bewerking.

De groene vlakken wijzen je de weg.

In de blauwe vakken staat wat je ziet.

Wil je er meer over weten, dan staat dat zwart op wit eronder.
Ben je nieuwsgiering naar een onderwerp in oranje? Klik er op en je krijgt een interessante link. Meestal staat onze Bollebooswicht dan klaar om je er alles over te vertellen.︁

Onze route begint aan de Boulevard des Déportés, voor het station van Doornik.

STATION
Boulevard des Déportés
Je staat hier voor het derde stationsgebouw van Doornik. In 1875 mag architect Hendrik Beyaert zijn ontwerp realiseren. Oudere Belgen kennen hem nog van het 100 frank biljet.

Beyaert mag zijn station wat indrukwekkend maken, met een flink centraal deel, waarachter een opmerkelijke loketruimte ligt als een tempel voor de liberale en industriële samenleving van midden 19de eeuw. 
Neo-renaissance noemen we dit, de bouwstijl van de meeste openbare gebouwen in Doornik uit die tijd.  

Waar de eerste spoorlijn Doornik binnenkwam tonen we je in het laatste deel van onze wandeling. 

En toen trok het station zelf op reis naar deel 6
Van dat eerste station zijn in 1885 alle decoratieve bouwmaterialen gerecupereerd en verhuisd naar Leuze-en Hainaut. Daar is architect De Blieck net aan een nieuw station bezig en hij mag die Doornikse sierstukken daarin verwerken.

Zo zie je nu op 20 km van Doornik een gebouw uit 1887 langs het spoor staan vol herinneringen aan het eerste Doornikse station. 

Naar verluidt heeft de bekende architect Hendrik Beyaert nog meegewerkt aan dat eerste station, als eenvoudig metselaar. Door pa voorbestemd als kantoorbediende, zal hij toch zijn carrière maken in de bouw. En uiteindelijk zal hij tussen 1874 en 1879 het nieuwe station mogen bouwen waar je nu voor staat.

Uit het station komend, zie je links het vroegere postkantoor. Nota bene met tweetalig opschrift !

VOORMALIG POSTKANTOOR
Boulevard des Déportés 1
Aan postkantoren wordt in de 19de en begin 20ste eeuw zorg besteed. Ze doen meer dan enkel nuttig zijn, ze stralen grandeur uit, zoals betaamt voor een staatsinstelling.
De ‘facteur’ is nog geen anonieme postbezorger, hij behoort tot de bekende gezichten van zijn wijk. Met Nieuwjaar wordt hij door de bewoners beloond voor zijn diensten met een kleine geldsom.

Vandaag sturen we minder handgeschreven brieven, we mailen erop los. Gelukkig zijn er in veel kleine en grotere Belgische steden nog prachtige postgebouwen bewaard. 

Teken des tijds: de postbodes zijn hier vervangen door gokautomaten in ‘Expres Games – Salle de Jeux’ en door restaurant ‘L’Ancienne Post’.

Steek over naar het parkje van de Place Crombez en wandel naar het forse monument aan de andere pleinzijde.

GEDENKTEKEN JULES BARA
Place Crombez
Liberale staatsman Jules Bara, strijder voor openbaar staatsonderwijs en minister van Justitie, krijgt hier in 1902 een monumentaal gedenkteken. Het brons is gebeeldhouwd door Guillaume Charlier.

Bara wordt geflankeerd door twee dames, de ene met een wettekst in de hand, de andere vergezeld van kindertjes die braaf een leerboekje bij zich hebben. Boven hen troont Vrouwe Justitia als versteend. De sokkel is het werk van de Brusselse art nouveau-specialist Victor Horta.  

Op donderdagmorgen wordt aan de stadszijde van dit plein markt gehouden.

Wat kwam Horta in Doornik zoeken?
Brussels zakenman Henri Van Cutsem heeft een niet onaardige collectie schilderijen van rond de eeuwwisseling verzameld. Hij wil deze cadeau doen aan de stad Brussel, maar die weigert zijn schenking: er zit een naakte vrouw bij (de Griekse Périmèle).

Van Cutsem biedt daarop zijn collectie aan Doornik aan, waar men minder scrupuleus is – we zitten hier dichter bij Frankrijk. Men is zelfs bereid rond de collectie een museum te laten bouwen, uiteraard op kosten van Van Cutsem. Horta mag dat gebouw ontwerpen.

Na de dood van weldoener Henri zal beeldhouwer Guillaume Charlier ervoor zorgen dat het museum inderdaad afraakt. Zo hebben deze twee heren elkaar leren kennen en op dit plein nog even samengewerkt.

Draai je nu om naar de andere kant van dit plein. Daar zie je:

FOREM
Place Crombez / Rue de l’Athenée
Waar Jules Bara zich vooral bezighield met opleiden van de jeugd, houdt recht tegenover hem in een fraai gebouw met een vogel in top Forem, de Waalse tegenhanger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), zich intensief bezig met het opleiden en herscholen van werkzoekenden. Die waren er ooit zoveel, dat het gebouw een moderne uitbreiding aan de rechterzijde kreeg.

Forem is een samentrekking van de woorden Formation en Emploi, vorming en werk.

Verlaat het plein via de groene boulevard links.

MIDDELEEUWSE OMWALLING
Je ziet hier twee straatnamen aan weerszijde van een groenstrook: Avenue Van Cutsem aan de stationzijde, Avenue des Frères Haghe aan de overzijde. Beide avenues hebben elk aan hun zijde een doorlopende huisnummering. Dat heeft allemaal te maken met de grote omwalling van Doornik uit de 13de en 14de eeuw, die toen op de plaats van het groene gras stond. In heel Doornik is daarvan amper iets bewaard gebleven: twee torens en een stukje muur in het oosten van de stad en tot voor kort een waterpoort.  Daarover vertellen we meer op de terugweg in routedeel 6.

De huizen aan de Avenue Van Cutsem staan dus buiten de wallen, die aan de Avenue des Frères Haghe juist erbinnen.

STATIONSWIJKEN
Royaler wonen en shoppen
Stations worden in de 19de eeuw veelal nog buiten de oude stadswallen gebouwd, zoals ook hier in Doornik. Daar is de grond een stuk goedkoper om sporen aan te leggen.

Wat later ontstaat er een specifieke stationswijk, met vrij brede straten, waar de betere burger zijn woning laat bouwen.

En de kortste weg van trein naar stadshart wordt dé grote winkelstraat, want daar is veel passage. Hier is dat de Rue Royal, die aan de overzijde van de Place Crombez begint. Maar vandaag vind je daar niet meer de bekende ketens. Op enige afstand van hier is het grote shoppingcentrum Les Bastions verrezen. Daar kunnen die ketens terecht voor een grotere winkeloppervlakte.

Wandel de Avenue des Frères Haghe in en kijk meteen even naar de rechterkant.

HUIZENRIJ
Avenue des Frères Haghe 9-11-12.
Bij deze huizen valt het op: er lijkt telkens op de verdieping een raam dichtgemetseld. Dat stamt wellicht uit de Napoleontische periode, toen er een belasting werd geheven op raamopeningen. Het is dus zaak er zo weinig mogelijk te hebben. Dichtmetselen is één mogelijkheid, van twee ramen er één maken is de andere oplossing. Bij die laatste worden er metalen krammen tussen de vensterbalken boven en onder de ramen geslagen om het zaakje bijeen te houden.

Bekijk nu de huizen links aan de Avenue Van Cutsem en rechts aan de Avenue des Frères Haghe, aan weerszijden van het plantsoen dat hen scheidt.

BELLE ÉPOQUE-HUIZEN
Avenue Van Cutsem.
Je ziet het, Van Cutsem heeft zijn stukje ‘avenue’ gekregen voor zijn gulle gift. Vooral aan deze avenue staan enkele bijzondere woonhuizen. Let maar eens op de omlijsting van de voordeur op nr.16. Een gevel met opvallende muurschildering zie je op nr.19, waar een zwaan, een kraai en een haan wel een heel idyllische omgeving suggereren. Die paste kennelijk bij de activiteiten van de hier ooit gevestigde groothandel in modieuze kleding Maison Lucien Telle, zoals een roestkleurige plaat je nog laat weten.

Bijna aan het eind van deze laan staan drie art nouveau-huizen uit 1904 van Brusselse architecten, de gebroeders Strauven. Vooral Gustave Strauven is een bekende naam in de Belgische architectuur geworden. Blijkbaar heeft hij zich hier in Doornik laten bijstaan door zijn broer Pierre. Op nr.27 zie je al een mooi voorbeeld, dat een vervolg met sgraffiti krijgt op nr.29, een pand dat doorloopt tot om de hoek met de Rue des Volontaires 2. De stad heeft dit grote pand aangekocht en er sociale woningen van gemaakt. Een goede manier om het voortbestaan van zo’n monument te garanderen, waarbij bewoning verder verval voorkomt. Althans als de bewoners ook op een sociale wijze hun woning gebruiken en het gebouw niet uitwonen.

Strauvens meesterwerk staat in Brussel aan de Ambiorixsquare, het huis Saint-Cyr met op de bovenste verdieping een ronde balkonerker.

PATRIA
Avenue Van Cutsem / Avenue des Frères Haghe
Op de middenberm ontkom je niet aan het brede Patria, een oorlogsmonument. Met zijn zeer dramatische uitbeelding typisch voorbeeld van de monumenten van na de Eerste Wereldoorlog. De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog wordt daar later vaak bij aangehecht, zoals ook hier.

Voor eer en recht
Op twee reliëfs zie je krijgshaftige soldaten optrekken ‘pour l’Honneur et le Droit’. Daar tussenin het trieste resultaat met de Doornikse stadsmaagd er bovenuit torenend. Links en rechts flankeren soldaten met volle bepakking het tafereel.

Dit geheel stamt uit 1922 en is van de hand van Aloïs De Beule. Deze beeldhouwer is bekend geworden door de Wereldtentoonstelling van Gent in 1913.  Samen met een kompaan realiseert hij daar  een fors Ros Beiaard, bijna op zijn geboortegrond.

Vooraan staat de versteende Flambeau de la Memoir et de l’Espoir, de Vlam van de Herinnering en de Hoop. Een tekst van Winston Churchill is vertaald in het Frans: “Oublier le passé c’est accepter son retour” – het verleden vergeten betekent aanvaarden dat het terugkeert.

Aan het eind rechts de Rue Morel in.

Links, tussen nr.3 en nr.9, zie je een oude fabrieksschoorsteen boven de huizen uitsteken. Een reliek uit de tijd dat een industriële activiteit nog gewoon tussen woonhuizen plaatsvond.

De Rue Morel loopt na een zijstraat over in de Rue du Quesnoy.

VOORMALIGE JEZUÏETENKERK
Rue du Quesnoy 30
Vandaag zijn hier de klaslokalen van het Koninklijk Atheneum Jules Bara – met hem maakte je al kennis.  Vroeger was hier het klooster van de Societas Jesu, zoals de jezuïetenorde officieel heet. Vandaar S.J. voor de namen van jezuïetenfrater. In dit klooster kregen nieuwe roepingen hun opleiding, het was een noviciaat. Bij zo’n instelling hoort een kerk en die is er nog steeds – in gotische stijl.  Gebouwd tussen 1601 en 1612 naar ontwerp van frater François d’Aguilon, een wiskundig aangelegd man. Het vijfzijdige koor, bekroond door een torentje van baksteen en witte steen, komt als kers op de taart gereed in 1614.

Op de voorgevel met zijn renaissanceportaal zie je IHS, afkorting van Iesus Hominum Salvator – Jezus de Redder der Mensheid. Als je dat ziet, dan heb je te maken met jezuïeten.

Je ziet ook nog een beeld van de Heilige Maagd. De stichter van de jezuïeten, Ignatius van Loyola, is in 1614 zelf nog niet heilig verklaard, dat gebeurt pas acht jaar later. Dus moest deze kloosterkerk wel aan een andere heilige worden toegewijd.

Nu waren de jezuïeten na de herovering van de zuidelijke Spaanse Nederlanden zowat de stoottroepen van de contrareformatie, die tot doel had om de afvallige – protestantse – christenen weer naar het oude huis van vertrouwen te krijgen. Omdat protestanten niet in heiligen geloven en niet in de maagdelijke ontvangenis van Jezus, was Maria dus zeer welkom als symbool van die roomse tegenbeweging.

Van gotiek naar barok

Kort na het gereedkomen van deze kerk is frater d’Aguilon benoemd tot rector van het Antwerpse jezuïetencollege. Hij begint daar in 1615 aan wat nu als parochiekerk Carolus Borromeus heet. Maar die begon ook als een eveneens aan Maria toegewijde kloosterkerk. Terwijl in Doornik de gotiek nog hoogtij viert, is die Antwerpse kerk in de nieuwe barokstijl uitgevoerd en daarmee een van de barokke gebouwen in België.

Kijk even door het poorthek van huisnummer 39 aan de andere straatkant.

HET RAADSEL VAN DE SFINX
Rue du Quesnoy 39.
 Links achter dat hek zie je een huis met een balkon dat overeind gehouden wordt door twee dames, zogeheten kariatiden. Beneden liggen naast de deur twee sfinxen als wachters. Moesten bezoekers vroeger een raadsel oplossen, zoals Oedipus in de Griekse mythologie, om te kunnen passeren?

Deze sfinxen liggen voor een bescheiden woning in empirestijl. Ze herinneren aan een kortstondige modetrend van Egyptische decoraties eind 19de eeuw. Na de ontcijfering van het hiërogliefenschrift door de Fransman Jean-François Champollion in 1822 nam de interesse voor die exotische cultuur sterk toe.

Wie spinde hier garen bij?

Hier woonde de familie Rose-Boucher. In 1833 begint Simon Boucher een vlasspinnerij aan de Rue des Soeurs de Charité, het straatje dat je net gepasseerd bent.

Zoon Jules César gaat zich in Engeland op de hoogte stellen van de nieuwste spintechnieken en smokkelt op gevaar voor eigen leven een bouwtekening van een industriële spinmachine mee naar Doornik. Hij laat een bedrijfspand met enkele verdiepingen bouwen en installeert er zijn mechanische stoomspinnerij Filature Jules Boucher-Freyerick. Zijn Gentse vrouw Melle Françoise Freyerick is de sterke vrouw achter de ondernemer.

Hun zoon Jules François neemt het bedrijf over in 1913 en wordt als meneer Jules een populaire figuur in de wijk en bij zijn arbeiders. Hij wordt dan ook in 1878 verkozen als liberaal gemeenteraadslid en zal als Eerste schepen de Doornikse financiën reorganiseren.

De derde generatie met zoon Carlos moet helaas in 1935 de deuren van het bedrijf sluiten na de tegenslagen van de Eerste Wereldoorlog, de textielcrisis in 1926 en ten slotte de grote depressie van de jaren 1930.

Aan het eind van de Rue du Quesnoy sta je op de Place Clovis.
Aan de overzijde achter de kerk zie je het

MONUMENTJE GABRIELLE PETIT
Place Clovis
Een monumentje voor een oorlogsheldin van Paul Du Bois, ingehuldigd in 1924.

Eerst naar de nonnen, dan spionne

Gabrielle Petit is op 20 februari 1893 geboren in Doornik nabij de Quai du Luchet wat stroomopwaarts aan de Schelde, maar haar ouders verhuizen naar Ath wanneer zij 5 jaar is. Zij en haar zus Hélène groeien op in een klooster bij de nonnen, hun ouders kunnen de opvoeding niet aan. Na de dood van haar moeder hertrouwt haar vader met een vrouw waarmee Gabrielle absoluut niet overweg kan. Haar vader gaat regelmatig failliet en zoekt troost in louche Brusselse cafés, terwijl hij zijn dochters naar een weeshuis stuurt.

Op haar 16de houdt Gaby het in Ath voor bekeken en vindt onderdak bij een tante in Brussel. Daar probeert ze zich in leven te houden met allerlei baantjes, waarbij ze in maart 1912 de jonge onderofficier Maurice ontmoet, een beroepsmilitair. Hij zal voor haar de inspiratiebron blijven om veel ellende aan te kunnen. Terwijl Maurice naar het front trekt, komt Gaby eind 1914 in Brussel in contact met het verzet, dat een spionagenetwerk moet opzetten voor de Britten.

Gabrielle krijgt in Londen een opleiding als spoorwegspionne en gaat in de streek tussen Ieper en Maubeuge aan de slag, waarbij ze reizend per trein Duitse troepenbewegingen aan de Engelsen doorgeeft via zeer precieze informatie. Maar de Duitsers blijken haar al vrij snel op het spoor te zijn gekomen en zetten een valstrik op, waardoor zij op 20 januari 1916 in Brussel wordt aangehouden. Na een verblijf in de gevangenis van Sint-Gillis, waar Gabrielle wordt verhoord en gefolterd, maar niets loslaat over andere verzetslieden, wordt ze op 2 maart 1916 veroordeeld tot de dood met de kogel voor ‘krijgsverraad bestaande uit verspieding’.

Op 1 april van dat jaar wordt ze zonder blinddoek gefusilleerd op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek, die nu op het terrein van de Belgische omroepen aan de August Reyerslaan ligt. In mei 1919 wordt zij na een rouwdienst in de Koninklijke Sint-Mariakerk van Schaarbeek opnieuw begraven op het kerkhof van Schaarbeek. In 1923 onthult koningin Elisabeth een standbeeld van Gabrielle op het Sint-Jansplein te Brussel. 

Rechts van Gabrielle via de Rue Clovis – met rechts de oude pastorie uit 1768 – naar de voorzijde van de

L’ÉGLISE SAINT-BRICE
Sint-Brixiuskerk
Place Clovis, ingang Rue Clovis.
(niet steeds toegankelijk)
Op deze plek gaan we terug naar het ontstaan van Doornik. Maar dat verhaal lees je zo meteen, eerst iets over de kerk zelf.

De Sint-Brixius kerk is gewijd aan een bisschop uit het Franse Tours en al zeer oud. Pal achter de hoge 15de-eeuwse voorste toren is er een romaans schip en een dwarsbeuk met kleinere toren. Romaans: kleine vensters, vrij lage bouw, want God is nog de te vrezen hemelse vader waar je niet naar durft opkijken. Daardoor zijn Romaanse kerken vrij donkere ruimten.

Achter dat romaanse deel is in de 13de eeuw een gotisch koor toegevoegd, dat je blik omhoog trekt – God is voortaan een liefdevolle vader. Onder dat koor is later een romaanse crypte ontdekt. Dat stuk moet dus ook al vroeger tot de kerk hebben behoord. In de 15de eeuw wordt dit koor verlengd met drie parallelle delen die even hoog zijn, een zogenaamde hallenkerk.

Sint-Brixius is een kerk met zowel een vieringstoren  ( = toren op de kruising van schip en dwarsbeuk) als een westertoren ( = toren boven de ingang). De grote toren heeft ook gediend als belfort van de rechter Schelde-oever, toen dat gedeelte nog niet tot de stad Doornik behoorde.

Door Duitse luchtaanvallen in 1940 is deze kerk flink in puin geschoten, zodat het interieur niet zo interessant is. Hoogaltaar en doopvont (helemaal vooraan) zijn 20ste-eeuwse scheppingen van beeldhouwer George Grard, de man die aan de Vlaamse kust in Oostende ‘Dikke Matille’ heeft geboetseerd.

Het graf van Childeric

In 407 doen de Vandalen het West-Romeinse rijk ineen storten. Dan rukken de Salische Franken op naar het onverdedigde Gallië, waar zij rond 430 Doornik bereiken onder leiding van hun koning Clodion. Zijn opvolger is de legendarische koning Merowech, die zijn naam later zal geven aan het geslacht der Merovingers. Die gaan nu een flink deel van Europa aan zich onderwerpen en dat begint met Childeric, die het op een akkoordje weet te gooien met achtergebleven Romeinen.

Het graf van deze in 482 overleden Merovinger wordt in 1653 ontdekt aan de noordzijde van de Sint-Brixiuskerk. In het rijke graf wordt een ring gevonden met de naam van de koning en sieraden met bijen erop, een kenteken van deze vorst. De vondsten zijn overgebracht naar Parijs, waar het merendeel tijdens de Franse Revolutie verloren is gegaan bij een roof, waarbij de buit op de bodem van de Seine belandt.

Bij opgravingen tussen 1983 en 1985 zijn naast Childerics tombe de skeletten van niet minder dan twintig paarden ontdekt, meegegeven als grafgift.

Maar het zal Childerics zoon Clovis zijn, die de strijd aanbindt met de Romeinse generaal Siagrius, die er tot dan toe in geslaagd is een aardig stukje van het vroegere Romeinse Gallië tot een privé-koninkrijkje uit te bouwen. Siagrius moet wijken voor Clovis en amper 25 jaar later strekt Clovis’ rijk zich uit van de Rijn tot de Pyreneeën.

De latere Franse koningen beroepen zich er graag op dat zij rechtstreekse afstammelingen van de Merovingers zijn. Daarom willen zij niet dat de oude koningsstad Doornik bij de graafschappen Vlaanderen of Henegouwen wordt ingelijfd. Zo behoudt de stad van 1187 tot 1526 de aparte status van ‘vrije stad’ onder Franse bescherming.

Pas als onze Habsburger Karel V Doornik verovert, wordt de stad een deel van de Nederlanden. Dit is ook de reden, waarom niet Doornik maar Mons hoofdstad is geworden van Henegouwen. In Mons en niet hier stond het kasteel van de graven van Henegouwen op een heuvel aan de Haine.

Aan de voorzijde van de kerk loopt de Rue de la Barre Saint-Brice naar rechts. Links staan hier

TWEE ROMAANSE WOONHUIZEN
Rue de la Barre Saint-Brice 12 + 14.

Hier zie je twee vroeg-middeleeuwse huizen. Opvallend zijn de kleine zuiltjes uit één stuk steen tussen de raamopeningen. Daar zat vroeger geen glas in, er zaten houten luiken voor.

Doornikse breuksteen is als bouwmateriaal gebruikt. In de omgeving van de stad liggen steengroeven met grijze hardsteen, waarbij breuksteen zoals het woord zelf zegt, niet keurig op maat is gekapt zoals met zachtere zandsteen doorgaans het geval was. Tegenwoordig kan hardsteen wél op maat worden gezaagd en is deze ‘blauwe steen’ een bekend product uit Henegouwen.

Oorspronkelijk waren de daken van deze patriciërshuizen met lood afgedekt, net zoals kerken. Intussen zijn er nieuwe pannendaken geplaatst en heeft het rechter pand beneden andere vensters gekregen, die wat dieper liggen.

Het enige andere voorbeeld van romaanse huizen in deze stijl is te vinden aan de Gentse Graslei, waar het Spijker als graanpakhuis staat. Dat is vandaag een restaurant en het Gentse huis is goeddeels herbouwd.

Protestants Doornik

Sinds 1973 komt hier de protestantse gemeente van Doornik samen. De eerste protestantse gemeente ontstaat al rond 1529 in Doornik. Pierre Brully organiseert die gemeente in 1544 naar het model van de Franse gereformeerde kerken en in 1560 bedenkt dominee Gui de Bray de naam Église de la Palme, Palmkerk.

Pas in de 18de eeuw kunnen de protestanten hier hun geloof openlijk belijden, tot dan zijn hun samenkomsten clandestien.

In Doornik schijnen deze huizen uit 1175-1200 ook gediend te hebben als vergaderplaats van de schepenen van het gedeelte ‘over de Schelde’ van de stad. Dat gedeelte reikte toen niet veel verder dan de Sint-Brixiuskerk.

Nog even over de straatnaam: een ‘barre’ is een baar of slagboom, er was hier wellicht een tolhek.

Wandel verder door de Rue de la Barre Saint-Brice. Hier staat nog een gotisch huis.
Bij het oversteken van de Rue des Boucher Saint-Brice heb je een fraai doorkijkje naar hét Doornikse monument, de Notre-Damekathedraal.
Na het passeren van het mooi gerestaureerde pand  op huisnummer 24-26 kom je aan het

HUIS VAN JEHAN BOUTILLIER
Rue Barre Saint-Brice 28
De woning van koninklijk raadsheer mr.Jehan Boutillier is een 15de-eeuws gotisch huis. Het verschil met de romaanse huizen is de betere afwerking van de stenen en wat meer versieringen. Je ziet hier ook hardstenen waterlijsten horizontaal over de gevel lopen. Waterlijsten dienen om snel het regenwater van de muur weg te krijgen, zodat het niet kan binnensijpelen of de steen aantasten. Dakgoten en regenpijpen zijn in die dagen nog een onbekend verschijnsel. En van siliconenspray om muurvoegen waterdicht te maken heeft zelfs niemand nog gedroomd. Dr. Neerdaels moet dit monument voor de toekomst bewaren.

Linksaf  via de Rue de Cordes en dan even oversteken naar de smalle Rue Moncheur, die je naar de rechter Schelde-oever brengt en de Quai Saint-Brice.
(Wie de kasseitjes van de Rue Moncheur te bar vindt, kan na de Rue de Cordes rechtsaf gaan via de Rue des Campeaux en daarna naar links de Rue Royale volgen tot aan de Scheldebrug.)

Malte – Maltese

Je passeert in de steeg bar-resto Corto Malte, een naam die sterk doet denken aan de stripheld Corto Maltese. ‘s Zomers een flink terras en een aangepaste oude wegwijzer.

Aan het eind van dit straatje sta je op de Quai Saint-Brice langs de Schelde.

L’ESCAUT
De Schelde
De rivier die verderop langs Gent en Antwerpen stroomt en verder de Zeeuwse eilanden van het vasteland van Zeeuws-Vlaanderen scheidt, is hier een flink stuk smaller, want we zitten veel dichter bij de Franse bron van l’Escaut.

De Schelde vormt in Doornik geen grens, maar juist de verbinding met Vlaanderen via het water, in de middeleeuwen een snellere verkeersweg dan een reis over land. Vandaar ook dat deze rivier binnen de gordel van vestingmuren een speciale bescherming kreeg met de Pont des Trous (Gatenbrug), een versterkte doorgang met drie bogen over het water. Maar helaas, die is intussen afgebroken.

Even de Quai Saint-Brice naar rechts volgen en dan via de voetgangersbrug – de Passerelle Notre-Dame – oversteken naar de linkeroever.

PASSERELLE NOTRE-DAME
Het lijkt misschien op het eerste gezicht vreemd dat er zo’n voetgangersbrug over de rivier ligt op amper enkele tientallen meters van een verkeersbrug, de Pont Notre-Dame. Met wat geluk zie je meteen de reden: de verkeersbrug is een hefbrug, die af en toe omhoog gaat om de binnenschepen te laten passeren. Doordat hier geen grote zeeschepen komen, heeft deze hefbrug geen grote torens zoals bijvoorbeeld de bekende brug van Willebroek, waartussen het bewegende brugdeel wordt opgetrokken aan kabels. Hier wordt het brugdek hydraulisch omhoog geduwd met cylinderstangen, waardoor je amper ziet dat de brug kan bewegen als hij is neergelaten.

Als je van de passerelle komt, kijk dan eerst even rechts beneden naar het informatiebord.

Watermolens op de Schelde
Je leert hier dat de Schelde tussen deze Pont Notre-Dame en de Pont à Pont stroomopwaarts (= rechts) vroeger zo’n 70 meter breed was. Op steigers in de rivier draaiden een groot aantal watermolens. Op dinsdag, donderdag en zaterdag waren die molens actief, op maandag, woensdag en vrijdag gingen er afsluitingen open waardoor de scheepvaart vrij spel kreeg en op zondag viel alles even stil om de rivier een natuurlijke zuivering te laten ondergaan. Dat was wel nodig in een tijd dat alles in zo’n stroom werd gekieperd.

Lodewijk XIV heeft na zijn verovering van Doornik de Schelde laten rechttrekken en kaden laten aanleggen, waardoor de molens verdwenen.

Hier gaan we verder met
deel 2 van de Route DOORNIK.
Je ziet een ouder stukje stad, bezoekt de Doornikse kathedraal, om daarna tot aan het belfort te wandelen.