Doornik deel 4

Wandelroute DOORNIK deel 4

Lus van Grand'Place via Sint-Jacobs tot Grand'Place

Deze lus brengt je langs monumenten,  de Sint-Jacobskerk, Rode Toren en Tiny & Poefie.

De groene vlakken wijzen je de weg.

In de blauwe vakken staat wat je ziet.

Wandel naar het standbeeld midden op de Grand’Place.

STANDBEELD CHRISTINE DE LALAING
Grand’Place.
Midden op dit driehoekige plein staat sinds 1863 een prinses op een sokkel. Christine de Lalaing, prinses d’Espinoy, verdedigt Doornik tegen de Spanjaarden onder aanvoering van Alexandre Farnese. (In Nederland doorgaans Parma genoemd, naar zijn hertogelijke titel.) Christine’s man, de gouverneur van Doornik, is een heel eind van huis, ergens in West-Vlaanderen, bezig om het aartshertogenduo Albrecht en Isabella het leven zuur te maken. Christine moet weliswaar het onderspit delven, maar heeft tot bijna de laatste man laten doorvechten.

Voorbeeldige figuren

Als België zich in de 19de eeuw als jonge staat moet waarmaken, wordt teruggegrepen naar heldhaftige figuren of andere beroemdheden uit het verleden om de burgers als voorbeeld voor ogen te houden. Brussel krijgt Godfried van Bouillon op het Koningsplein, Antwerpen zet Rubens op zijn Groenplaats, Gent diept Jacob van Artevelde op en plaatst hem op de Vrijdagmarkt, Luik herinnert zich Karel de Grote en Tongeren pakt uit met de dapperste aller Galliërs, krijgsheer Ambiorix.

In Doornik hebben ze dus sinds 1863 Christine, waarbij haar rol wel flink is aangedikt tot een ware legende en beeldhouwer Aimable Dutrieux heeft dan ook niet gekeken op een grammetje brons meer of minder.

Kijk nog even rond op deze Grote Markt. Aan de linkerzijde van Christine zie je een breed gebouw.

HALLE-AUX-DRAPS
Lakenhal
Grand-Place 53.

Een straf begin
Hier stond ooit het houten huis “Al Treille” (De Wijnrank). Bisschop Walter de Marvis eist van het Doornikse stadsbestuur dat het als verkoopshal wordt ingericht. Dat als straf, omdat in 1227 het asielrecht van het kapittel van de kathedraal niet is geëerbiedigd en de stad de boete niet kan betalen. Een fikse storm verwoest dat huis is in 1601.

Schoon samenraapsel
Tijd dus voor een nieuwe Lakenhal.  Schilder Jacques Van den Steen maakt het ontwerp en betrekt er meteen twee buurhuizen bij om met die extra breedte meer indruk te maken. Maar het resultaat mag er toch niet al te rijkelijk uitzien. Dat zou de grafelijke belastingontvangers van Henegouwen op ideeën kunnen brengen …
Jacques met zijn toepasselijke achternaam heeft zich naar verluidt flink laten inspireren door de renaissancegevel van het Gentse stadhuis.

Het resultaat is een. vermenging van allerlei stijlen. De spitsbogen onderaan komen uit de gotiek, de vensters op de eerste verdieping zijn van het renaissancetype en de krullende geveltoppen vormen een  barokke bekroning. De Dorische zuilen onder en de Ionische op de eerste etage zijn dan weer typisch renaissance.

Meester-metselaar Quentin Ratte mag tussen 1608 en 1611 zien dat hij het ontwerp van schilder Jacques overeind krijgt. 

Binnen sta je droog
Gentenaar Gérard Spelbault zorgt in 1616 voor een binnenplaats met Italiaanse galerij, waar de lakenhandelaars voortaan hun kramen kunnen opstellen. Is de grote poort open, ga dan daar een  kijkje nemen. Bij een heropbouw in 1888 is die galerij met een glazen koepel overdekt, dus ook bij regen kan je hier rustig rondlopen.

Links van de lakenhal sluit de Conciërgerie uit 1612 aan, rechts op nummer 51 Hôtel de l’Ecu de France.

Steek schuin over naar de huizenrij aan de breedste zijde van de markt en wandel de meestal open kerk binnen.

L’ÉGLISE SAINT-QUENTIN
Sint-Quintenskerk
Grand-Place.
Sint-Quintinus is een oorlogsslachtoffer van een bombardement van de Luftwaffe. Door een recente restauratie merk je daar nog weinig van.
Deze kerk staat op een vroegere Gallo-Romeinse begraafplaats, die zich uitstrekte over de Grote Markt en een stukje naburige wijk.

Verweerd door verdriet
Waar de kerk breder wordt zie je links tegen de zijwand het grafmonument van Jacques Castaigne uit 1327 onder een reeks treurbeelden (‘pleurants’), die door eeuwenlang tranen storten al behoorlijk verweerd zijn. Jacques moet vandaag zijn ligplaats delen met het 17de-eeuwse zilveren beeld van Onze-Lieve-Vrouw van de Wingerd, de stadspatrones van het Franse Lille.

Een Doorniks priester, afkomstig uit Lille, richt in 1649 een broederschap van pelgrims op. Zij trekken jaarlijks naar Rijsel, zoals Lille in het Vlaams heet. Dit beeld wordt telkens op de tweede zondag van september meegevoerd in de grote processie van Doornik.

Geen tapijtje voor de grafkapel
Deze kerk heeft ook een band met de beroemde Doornikse wandtapijten. De bekendste Doornikse tapijtwerker Pasquier Grenier laat in 1464 op zijn kosten de kooromgang en drie kapellen bouwen. Na zijn overlijden in 1493 heeft zijn grafkapel daar uiteraard een plaatsje gekregen. Het nog bij leven geschonken wandtapijt met de Zeven Sacramenten is jammer genoeg niet meer in deze kerk te zien en de grafkapel toont dan ook wat doods, zeker voor een man die hele paleizen van kleurrijke wandbekleding heeft voorzien. Pasquier staat vandaag ook in brons op een zuil op dit marktplein.

Na dit kijkje in de kerk terug naar de buitenlucht. Zie je dat hier aan veel gevels gildevlaggen hangen?

GILDEVLAGGEN
Grand’Place.
In de middeleeuwen verenigen de mensen die eenzelfde beroep uitoefenen zich in beroepsverenigingen, de gilden. Daar worden regels opgesteld betreffende de beroepsuitoefening en worden geschillen opgelost.

Schutspatronen
Elke gilde heeft z’n eigen schutspatroon, een heilige die met hun beroep in verband kan worden gebracht. De kuipers – die vaten maken – hebben de apostel Mattheus als patroon, die met een bijl in de hand aan hun vak doet denken. Maar eigenlijk is dat het martelwerktuig, dat op Matheus zelf is uitgeprobeerd.
Autbertus is patroon van de bakkers. Over deze bisschop van Kamerijk (Cambrai) gaat het verhaal dat hij zich had teruggetrokken op een berg, waar hij brood bakte. Zijn ezel bracht het naar de stad beneden, waar mensen het uit de mand namen en er geld voor in de plaats legden. Daarmee onderhield Autbertus de armen. 

Zelfs in recentere tijden worden heiligen nog als schutspatronen van beroepen aangeduid. Aartsengel Gabriël beschermt de postbodes, hij bracht immers de Blijde Boodschap. Veronica is patrones van de fotografen, want met de doek waarmee zij het gelaat van Christus afdroogde tijdens diens kruisweg maakte ze een negatief van zijn gezicht.

Gilden komen in opstand
In Doornik nemen de gilden vanaf de 12de eeuw deel aan het stadsbestuur. Ze hebben elk hun banier, 36 in totaal. De Franse koning Charles V laat die banieren in 1366 in beslag nemen en ze achter slot en grendel opbergen in de Halle des Consaux, in die dagen het stadhuis van Doornik.

Maar in 1423 komen de gilden in opstand tegen een dreigende inmenging van de Bourgondische graaf in de zaken van deze koninklijke Franse stad én tegen de lokale betere burgers, de patriciërs. Zij halen hun banieren terug en weten zich machtiger op te stellen in het stadsbestuur.

Wanneer de Fransen in 1795 met hun revolutie ook de Oostenrijkse Nederlanden overspoelen, komt er een eind aan het voortbestaan van de gilden.

Nieuw vlagvertoon
Als in 1913 de festiviteit ‘Cortège-Tournoi” wordt georganiseerd, zoekt de stadsarchivaris op hoe de oude gildebanieren eruit hebben gezien. In 1933 worden daar nog een aantal nieuwe aan toegevoegd, zodat het er weer 36 zijn. Daar worden aquarellen van gemaakt, die op vlaggen overgebracht zijn. Sinds 1985 sieren ze de gevels van de huizen langs de Grote Markt. Elke vlag toont het symbool van een gilde met eronder de naam.  

Wil je de Sint-Jacobslus  niet volgen, steek dan buiten de kerk schuin links de Grote Markt over. Waar de gevelrij onderbroken wordt bij een ‘pharmacie’ (apotheek) begint de Rue des Orfèvres, de Goudsmedenstraat. Daar start deel 5.

Wie de lus wil maken met onder meer de Saint-Jacqueskerk slaat bij de uitgang van de Sint-Kwintenskerk meteen rechtsaf. Van de Grand’Place vertrekt hier Rue des Maux.
Wandel deze straat in om even verder links een grote rode gevel waar te nemen.

Le GRANGE DES DÎMES
Tiendenschuur
Rue des Maux 10.
Een typisch barokhuis, deze Tiendenschuur van de Sint-Maartensabdij. Oorspronkelijk uit 1633, maar herbouwd in 1900 door C. Sonneville.

Hier werd het graan opgeslagen, dat boeren die grond van deze belangrijke Doornikse abdij bewerkten, als pacht moesten afdragen: tien procent van de oogst.

’n Mondje Latijn
Aan de gevel zie je het beeld van Sint-Martinus, een bisschop van Tours die zijn mantel in tweeën scheurde om een bedelaar te kleden. Daaronder lees je: ‘Sante Martine orapro nobis’ – Heilige Martinus bidt voor ons.

Een verdieping lager: ‘Pax sit hvic domvi’ – Vrede zij met dit huis. Een derde opschrift en een wapen herinneren eraan dat abt Antoine de Roore deze tiendenschuur heeft laten bouwen. Zijn wapenspreuk ‘Omnia vanitas’ wil zeggen ‘Alles is ijdel’, waarbij je ijdel moet begrijpen als vergankelijk.

Kromme straat, rechte naam
Op deze plek werd in de Karolingische periode recht gesproken door een college bekend als ‘malli’, in het Frans ‘maux’. Vandaar dus de straatnaam.

Aan het eind van de Rue des Maux passeer je de Place Roger de la Pasture (inderdaad, Rogier van der Weijden). Rechtdoor via de Rue Dorez tot op de Place de Lille. Middenin staat een grote zuil met een Antwerps verhaal.

OORLOGSMONUMENT
Place de Lille.
Dit monument is opgericht voor slachtoffers van een episode uit de Belgische onafhankelijkheidsstrijd, namelijk voor de “Soldats français tombés sous les murs d’Anvers en 1832” – soldaten die sneuvelden bij de Antwerpse vestingmuren.

Gérard tegen Chassé
Die soldaten staan onder leiding van de Franse maarschalk Maurice Gérard  Ze moeten de Nederlandse bevelhebber generaal David Chassé uit de Antwerpse citadel zien te krijgen. Die blijft namelijk met zijn garnizoen rustig zitten, terwijl de rest van België al door de Belgische opstandelingen wordt gecontroleerd.

Na een lang beleg met hevige beschietingen van beide kanten lukt het de Fransen om een bres in de citadelmuur te slaan. Daarop geeft Chassé zich over. Hij mag even later met zijn overlevende soldaten naar het vaderland terugkeren.

Hoezo in Doornik?
Rond het monument zie je de wapenschilden van alle provincies die vanaf dan de nieuwe staat België vormen. Maar ze schitteren hier pas in 1897, net als de zuil zelf. Allemaal werk van beeldhouwer Camille Debert en architect Constant Sonneville.
Maar waarom dit monument in Doornik? Wel, het was bestemd voor Antwerpen, maar het stadsbestuur wilde daar helemaal niet zo’n monument hebben … een straatnaam voor Maurice Gérard volstond.

Links zie je een groot en een klein gebouw.

L’ÉGLISE SAINTE-MAGUERITE
Sint-Margarethakerk
Place de Lille.
Zelden open.
De Sint-Margarethaparochie is in 1288 in het leven geroepen door de Doornikse bisschop Michel de Wareghien en vanaf eind 12de eeuw is hier in stilletjes-aan stijl gewerkt aan een kerk, waarvan de toren het 14de-eeuwse sluitstuk is en vandaag het enige overblijfsel.

In de Franse tijd valt Doornik onder het bestuur van koning Lodewijk XIV  en wordt de parochie opgeheven. Kerk en pastorie worden overgedragen aan de kanunniken van Saint-Nicolas-des-Prés, die er hun abdij van maken.

Die abdij brandt uit in 1723, maar wordt vanaf 1760 herbouwd in neo-classicistische stijl. Na de periode van de contra-reformatie met zijn barokke pracht en praal, mag het allemaal met minder krullen. Er wordt naar de oude Grieken gekeken en naar de Romeinse ruïnes in Italië om wat inspiratie op te doen uit die klassieke bouwwerken. Dus heet dat ‘classicisme’ met ‘neo’ (nieuw) ervoor omdat we het hier eeuwen later weer oprakelen.

Als de kerk open is, kom je via het witstenen Lodewijk XVI-portiek binnen in een beuk vol zuilen met Korintische kapitelen en een mooie 19de-eeuwse preekstoel.

Rechts van deze kerk zie je het 
KLEINSTE  HUIS VAN DOORNIK
Place de Lille 19.
Twee meter breed, ongeveer tien meter diep, sinds 1689 leunt het tegen Sint-Margriet, zelfs een muur van de kerk wordt gedeeld. Het huis is lang bewoond geweest, soms zelfs door zeven mensen tegelijk.

Het is vandaag eigendom van de familie Capon en hier woont de puur Doornikse Anne-Marie, al twintig jaar.  Haar broer was echt weg van dit huisje en heeft het gekocht. Ook Anne Marie voelt zich aangetrokken tot dit minuscule woninkje en de oude stenen waarmee het overeind is gezet.

Ga achter het oorlogsmonument de Rue des Carmes in. Daar staat een flink eind verderop aan je rechterzijde de

MONT-DE-PIÉTÉ – Le MUSÉE D’ARCHÉOLOGIE
Berg van Barmhartigheid – Museum voor Archeologie
Rue des Carmes 8 / Ruelle du Mont-de-Piété.
Open: 1 apr.-31 okt. ma.wo-zo. 10-17u.,
 1 nov.-31 mrt. ma.wo-za. 10-12/14-17u., zo. 14-17u.

Hier heeft Wenceslas Cobergher, begin 17de eeuw hofarchitect van de aartshertogen Albrecht en Isabella, een van zijn ‘Montes Piétates’ (Bergen van Barmhartigheid) gesticht. Dat zijn Banken van Lening, die moeten concurreren met de praktijken van de Lombarden, de Italiaanse geldschieters die tegen hoge woekerrente geld lenen. De Ruelle du Mont-de-Piété heette vroeger dan ook Rue du Lombard, dus zij waren ook op deze plek gevestigd.

Cobergher heeft er in heel België gebouwd, onder meer in Antwerpen, Gent, Kortrijk, Namen, Mechelen en Mons.

De architect-ingenieur woont tussen 1618 en 1630 in Doornik en is verder bekend van de basiliek van Scherpenheuvel, het stadhuis van Ath, de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen en het droogmalen van De Moeren op de grens van West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.

Cobergher heeft in één moeite door ook de barokstijl geïntroduceerd in Doornik, maar bij dit gebouw heeft hij het nog klassiek gehouden, compleet met sierlijk traptorentje op een binnenplaats waar ook nog de vroegere Kruisvaardersboog staat. Dit openbare pandjeshuis, waar je dus geld kon lenen tegen onderpand, dat je terugkreeg als je het geleende bedrag kwam aflossen, heeft hier vanaf 1622 tot 1866 gewerkt. Vandaag functioneert enkel in de Sint-Gisleinstraat, in de Brusselse Marollenwijk, nog steeds zo’n Berg van Barmhartigheid. De laatste jaren floreert die weer bijzonder goed.

Thans huist hier het Museum voor Archeologie, dat drie afdelingen omvat: pre- en protohistorie, de Gallo-Romeinse en de Merovingische periode. Je ziet er bijvoorbeeld een 4de-eeuwse loden sarcofaag en vondsten uit twee Merovingische begraafplaatsen uit de 5de en 7de eeuw, onder meer uit de grafheuvel van Childerik bij de Sint-Brixiuskerk.

Wandel de Rue des Carmes uit zodat je aan de Rue du Palais Saint-Jacques de bijna gelijknamige kerk voor je ziet.

L’ÉGLISE SAINT-JACQUES
Sint-Jacobskerk
Rue du Palais Saint-Jacques.
Regelmatig toegankelijk.

Een kerk met wat je noemt een forse toren, die achter een lager ingangsportaal oprijst. Deze kerk staat langs de oude bedevaartsweg van Vlaanderen naar Santiago de Compostella (Sint-Jacob in Galicië) in de verre Spaanse provincie Gallicië. Daar meende men het graf van de apostel Jacobus de Meerdere te hebben ontdekt, al is het historisch zeer onwaarschijnlijk dat de man ooit in Spanje is geweest. Maar het is in de middeleeuwen wel veruit de nummer 1 van de bedevaartsoorden. Overal in onze middeleeuwse steden kom je dan ook Jacobsgasthuizen tegen, waar de pelgrims in die dagen kunnen overnachten. Dat is hier ook zo, de straatnaam verwijst er nog naar, want dat ‘paleis’ in die naam was zo’n gasthuis.

Deze kerk vervangt een romaanse kapel uit 1167, waarvan nog wat resteert in het voorportaal. Meteen daarna volgt de toren uit het einde 12de eeuw, waarvan de hoge spits echter veel recenter is, want die is het resultaat van een restauratie door architect Bruno Renard in 1849.

Stap nu naar binnen
De kerk is doorgaans open en dus stappen we naar binnen. De grafstenen in het portaal dateren uit de 16de, 17de en 18de eeuw en illustreren dat hier heel wat rijke lieden van hoge burgerlijke of adellijke komaf liggen, want daarvoor stond deze parochie bekend. Wanneer je vervolgens onder de toren door het kerkschip betreedt, kom je in een 13de-eeuwse ruimte, die dankzij grote ramen niet donker is. Opvallend is de stenen brug dwars over het kerkschip, die bovenaan de zijgalerijen met elkaar verbindt. Dit gotische schip heeft model gestaan voor heel wat andere kerken in Vlaanderen.

Hier zegeviert de neogotiek
Achteraan is het koor, dat in 1368 is vergroot en waarvan de glasramen uit de grote restauratiecampagne eind 19de eeuw stammen. Ze worden nu ook zelf gerestaureerd. Die restauratie uit 1871 en volgende jaren is uitgevoerd door Justin Bruyenne – opvolger van Bruno Renard – en door Louis Cloquet. Er is daarbij advies ingewonnen bij de beroemdste adept van de neogotiek, de Bruggeling Jean-Baptiste Béthune. Hij heeft ook het ontwerp heeft gemaakt voor de glasramen die de zeven sacramenten uitbeelden.
Béthune was een kunstpaus in zijn tijd, die ook de glasramen heeft ontworpen van de Keulse dom, die in de 19de eeuw afgebouwd is. In deze Sint-Jacobskerk is ook het hoogaltaar met retabel door hem bedacht. Het retabel (achterdeel van het altaar) is geschilderd door Jules Helbig en gebeeldhouwd door Léopold Blanchaert. De luiken geven episodes uit het leven van Sint-Jacob weer.

Engel met horlepijp
Rechts naast het koor een 18de-eeuws houten beeld van Jacobus met de schelp, het pelgrimsteken voor wie naar Compostella ging. Op de gewelven van de aangrenzende zijkapel zie je musicerende engelen, die de luit, harp, horlepijp en doedelzak bespelen, allemaal instrumenten die gangbaar zijn in 1405, wanneer deze schildering tot stand komt. Jules Helbig heeft deze engelen gerestaureerd in 1895. Ook even een blik waard in deze zijkapel is de koorlezenaar met adelaar uit 1411, als een van de weinige stukken ontsnapt aan de beeldenstormers uit 1566.

Teruglopend naar de uitgang zie je het orgel in een kast in Lodewijk XV-stijl uit 1755.

Uit de kerk komend ga je meteen voor het plantsoen naar links en dan lees je verder in het volgende groene routevak. 

MAAR:

Kuifjesfans kunnen bij het verlaten van de Sint-Jacobskerk eerst naar rechts een eindje de Rue des Soeurs Noires  volgen tot na de tweede linker zijstraat. Hier zie je de vroegere gebouwen van uitgeverij Casterman. Sla ook even voordien links de Rue Claquedent in. 

VOOR KUIFJESFANS:
Een muur is opgebouwd uit panelen met drukletters. Rijg je de grootsten aan elkaar, dan krijg je de naam Casterman. Via de smalle doorgang links kom je aan de Galerie Henri Casterman, waar oude drukmachines en typografisch materiaal van Casterman sinds de 18de eeuw tentoon staan achter glas. Er is hier ook een Jardin de Martine et Patapouf . Wie dat zijn? Raad zelf eens, het juiste antwoord leer je zo meteen op de verdere route !

Uitgeverij Casterman publiceert in 1934 het Kuifjesalbum ‘De sigaren van de farao’ en Hergé laat al zijn volgende albums hier drukken, vanaf 1942 in kleur. Sinds 2012 behoort Casterman tot de Franse uitgeverij Gallimard en hier zijn nu kantoren en woningen in de oude gebouwen. 
Terug naar Sint-Jacob voor de hoofdroute.

Uit de kerk komend ga je meteen voor het plantsoen naar links, om dan weer direct rechts de Rue du Grand d’Or in te slaan. Na enkele stappen weer links de hoek om de Rue Arthur en Edgar Hespel in, waar recent Edgar kennelijk is afgevoerd als je beide naamplaatjes bekijkt.

Dan bij ‘Altena’ weer rechtsaf de Rue des Bouchers Saint-Jacques in en meteen weer links door de smalle Rue des Cloches, die uitmondt in de Rue Perdue met rechts een oude muurtoren. Maar kijk eerst even naar dat meisje met haar hondje. 

MARTINE ET PATAPOUF
Tiny en Poeffie
Rue Perdue.
Een meisje van rond de 10 jaar beleeft zo’n 60 avonturen tussen 1954 (Tiny op de boerderij) en 2010 (Tiny en de geheimzinnige prins). De Franse dichter Gilbert Delahaye (Gijs Haag in de Nederlandstalige edities) bedenkt de verhalen, tekenaar Marcel Marlier zorgt voor de illustraties van deze zeer populaire kinderboeken. Ze verschijnen in zo’n 40 talen, wat een oplage van 100 miljoen Tiny’s betekent, waarbij de naam van het meisje telkens aan zo’n taal wordt aangepast.

Als Gilbert Delahaye in 1997 overlijdt, neemt zoon Jean-Louis van tekenaar Marlier het tekstschrijven over, maar als zijn vader in 2011 ook sterft, komt er definitief een einde aan de Tiny-reeks.

Sinds 1999 staan een 95 kg zware Tiny en Poeffie hier dankzij beeldhouwer Carlos Surquin en initiatiefnemer Jean-Pierre Leclercq, voorzitter van de Doornikse Richelieuclub.

Draai je maar om naar die stevige toren.

Le FORT ROUGE
Het Rode Fort
Rue Perdue.
Je staat hier bij het gerenoveerde restant van een toren van de 13de-eeuwse stadsmuur. Die is opgericht onder impuls van Philippe II Auguste, van 1180 tot 1223 koning van Frankrijk.

Deze tussen 1197 en 1202 gebouwde toren ontleent zijn naam een de rode dakpannen. Hij staat naast een trapeziumvormige voorganger, waarvan je onder de metalen trappen van de ronde toren nog een overblijfsel ziet. Schietgaten en een rondgang zijn de kenmerken van een verdedigingstoren uit de 13de eeuw.

Vlakbij zie je weer op een paal de Boogschutter staan. De afstand tussen twee waltorens werd vooral bepaalt door het bereik van een handboog, zodat de schutters samen de volledige muur konden bestrijken.

Julius Caesar was hier
Na jarenlange verwaarlozing is dit hele terrein heraangelegd en wordt er gesproken over het Ilôt des XII Caesars (Eilandje van de 12 Caesars), een naam die stamt van het huis van graaf du Mortier, dat hier in 1750 werd gebouwd en waarvan de voorgevel met twaalf borstbeelden van Julius Caesar was versierd.

Volg het pad door de groenzone, zo kom je aan het:

MONUMENT VOOR 1e SERGEANT ROGER DELANNAY
Square Roger Delannay.
De uit Doornik afkomstige Roger Delannay is aan het prille begin van de Tweede Wereldoorlog met zijn Fiat CR42 Italian fighter tweedekker op 10 mei 1940 neergehaald boven Sint-Truiden. Een propeller van zijn vliegtuig is hier neergezet en het embleem van de 15de Wing, een Siouxhoofd, is in het monument verwerkt.

Via de Passage duVieux-Marché bereik je opnieuw de Grand’Place.

Steek de Grote Markt schuin naar links over, waar je een onderbreking van de gevelrij ziet naast een ‘pharmacie’ (apotheek). Daar begint de Rue des Orfèvres (Goudsmedenstraat) en start ook deel 5 van onze route.